|
|
Aan de receptie van het tehuis vroeg ik naar zijn kamernummer. Hij woonde op de vierde verdieping.
Grootvader droeg een groot kruis op zijn borst. Het blonk op zijn zondagse kostuum. Hij zat in een pluchen zetel. Op het kruis was een koperen barokke Christus genageld, die krulde van het leed. Het was het exemplaar van een ex-missionaris. Opa leek trouwens op één van die paters die jaarlijks voorgingen op de IJzerbedevaart. Mochten ze het hem indertijd hebben voorgesteld, hij zou er mysterieus-zacht glimlachend nog op ingegaan zijn ook, in de wetenschap dat bedevaarten, net als zeewijdingen, een aards tijdverdrijf waren, een verwaaide poging om de hemel wat dichter bij de aarde te brengen, die op voorhand mislukt was. De pluche op de armen van de zetel was fel beplukt. Op het zitvlak, tussen de twee broekspijpen en ook wat hogerop, juist onder de knobbel met de ingepamperde uitgelengde geslachtsdelen, waren ringen zichtbaar: bruin afgezoomde verkleur-ringen, waarbinnen bleekwatertinten concurreerden met verse natte zones. Opa was een man die men in de familie van zijn leven niet had weten staan. Dat kwam omdat hijzelf de wereld steeds had afgeweerd in een - zo zei moeder - 'ontembare drang naar exotische wijven'. Daarom werd hij, zoals in alle deftige families die met zo'n geval te kampen hadden, gemeden als een permanente pestlijder. Die vermijdende beweging was weids, maar ook wederzijds geweest. De man had volgens de overlevering, volgens de sagen die over hem de ronde deden, ook een rotkarakter. Toch voelde ik bij het binnenkomen van de kamer, zeg maar cel, een soort collectieve schuld op mijn schouders wegen. Ik wist dat onhebbelijke gevoel evenwel snel te projecteren op mijn opvoeders. Zij hadden de (nu toch) arme man op een geruisloze manier uit mijn stamboom geveegd, zij hadden hem heel mijn jeugd lang met de zwarte mantel van het Oordeel aan mijn gezichtsveld onttrokken. Voor die ene keer dat er in die grauwe erwtensoepige familie een zonderling was opgestaan, iemand die in zijn leven wat anders gedaan had dan doordeweekse zever verkopen, dacht ik.
Naar het scheen, had hij nooit vlees gegeten, tenzij die ene keer hond of slang in een ver land.
In zijn bevliesde ogen kon je nog wat van al dat venijn vermoeden. Het venijn dat de groten der aarde kenmerkte. Die hadden vroeger ook allemaal scheefgelopen en velen eindigden zoals opa eerst in een serviceflat en tenslotte in het bejaardenhuis ergens in een troosteloze Antwerpse voorstad, ten prooi aan de Marokkaanse derde generatie - bij bosjes werden ze bejaardenverzorger. In zijn goed oor zat een Panard van een apparaat, met beige koetswerk, omkranst door verkalkt oorsmeer. In het andere staken alleen nog watten. Zijn hele kop zat vol ingeduwde watten. Ik ging naast het goede oor zitten. 'Dag opa,' zei ik. Die trillingen moesten in het apparaat gedecodeerd en vandaar door de watten kop gestuurd worden, op zoek naar een laatste stukje nog werkende hersenen. Iemand stak het licht in zijn ogen aan. 'Gent, schuune stad,' antwoordde hij hees en naast de kwestie. Gent was de stad waar hij steeds thuisgekomen was na de lange reizen, had men mij verteld. Nu schoten Japanners er op hun beurt hun fotoapparaten op stuk. 'Hoe gaat het?' schreeuwde ik.
Hij reageerde niet meer. Koppigheid om de zoveel te late aandacht of de densiteit van de watten, gedrenkt in jarenoud oorsmeer?
Geheimen aan dat wezen toevertrouwen stond gelijk met ze in een betonnen kist dumpen in de Stille Zuidzee, in de beschermende nabijheid van de radioactieve vissen van Muroroa.
Opa stak een vlok strowol in het gat tussen zijn lippen. Hij had het uit het zitvlak losgepeuterd. Zijn lippen waren gekloofde lappen van dezelfde kleur als de overtrek, waardoor het enige tijd duurde alvorens ik het merkte.
Gealarmeerd duwde ik op de rode knop in het doosje, dat al die tijd als een talisman aan een grijze plastic kabel boven opa's hoofd had gehangen. verder in de gang kaart speelden, terwijl videocameraatjes onheilspellend de dodenkamers hingen te beloeren. Ze zouden afdrukken, zien dat opa nog leefde en bezoek had en een nieuwe boom opstarten, dacht ik. Maar nee. Een Marokkaan in witte kiel duwde de deur open. 'Probleempje?' vroeg die. 'Slijmen die blijven steken zijn, denk ik,' zei ik zacht. 'Misschien een glaasje water?' 'Water?' slaakte de sultan. 'Weet je dan niet dat hij weigert te drinken? We denken dat hij op zijn laatste benen loopt, uw groot...' '...vader,' vulde ik aan. 'Sorry,' hernam de Marokkaan, 'maar er is geen huis meer mee te houden. Als hij wat zou meewillen, kan hij nog jaren meegaan, maar sinds kort weigert hij werkelijk alles. Zelfs water. Hebben we nog nooit meegemaakt. De dokters denken aan een soort anorexia. U mag zich op het ergste voorbereiden, denk ik. Sorry.' Ik zei 'dank u' en de Marokkaan verdween.
Opa had besloten te vertrekken, wist ik. In het hiernamaals zou een hele wereld aan zijn voeten liggen. Want hoe meer vrouwen je op aarde gelukkig kon maken, hoe meer wederdienst je aan de overkant kon verwachten. Het leek me logisch.
Even tevoren zat ik van in de zijbeuk toe te kijken hoe opa in zacht inheems hout naar voren werd gerold. Er was brood en beleg en koffie en pralines en borrels, alles wat goed was tegen anorexia.
Moeder kwam naast mij zitten. Ze begon over de veranderingen aan haar veranda. Ze zei: 'Met het deel van Opa zal ik niet eens toekomen om het dak van mijn wc te herstellen.' Zo, dus opa's bloedverwanten hadden al gedobbeld om zijn schaarse resten, dacht ik bitter.
'Opa moest je verbranden,' zei ik woedend. 'Het is geen werk om een vent die al zo moeilijk tegen ons klimaat kon, in een kist van nog geen halve centimeter dik midden in het nat seizoen onder de grond te stoppen. En dat kost een half dak en een hoop papieren en geloop, dat weet ik, maar ik weet ook zeker dat hij het zo wou,' zei ik. 'Op die leeftijd is een mens des te kouwelijker,' counterde ik. Ik pakte een pistolet met vissla. Ik stopte er een plak tomaat tussen en stak het kleurrijke exotische ding tot over zijn halve lengte in mijn mond. De mayonaise die door de plotse overdadige penetratie over mijn lippen lag, duwde ik met mijn vingertoppen naar binnen. Daarna zoog ik mijn werktuigen af, terwijl ik in mijn linkerhand het doormidden gerukte broodje hield. Ik herhaalde dat ritueel met de tweede helft om tenslotte alle gebezigde lichaamsdelen met een servetje af te vegen en het besmeurde vodje onder de rand van mijn bord te duwen. De stilte kwam terug en mijn gedachten gleden naar opa.
Amper een week geleden was hij in de armen van één van zijn verplegers als een verdroogd kastanjeblad in slaap gevallen. Misschien tijdens het wassen, misschien had hij een bewaker van het Rasphuis op hem zien afkomen en had hij een jeugdig gevoel van opwelling en protest herleefd, dat hem fataal was geworden. Of misschien had hij in een laatste moment van helderheid bemerkt hoe vreemde arabieren zijn kamer binnenkwamen, had hij toen toch beseft dat ze hem in een vreemdelingenpensionaat hadden gestoken en had hij die heel zijn leven de wereld had afgereisd dan toch 'Eigen Volk Eerst' geroepen en de op hem afkomende donkere reuzen bezworen met zijn borstkruis. En misschien hadden zij opa op hun beurt, bij het zien van zoveel ondankbare onverdraagzaamheid, in elkaar geslagen en voor dood achtergelaten? Wie zal het zeggen? In elk geval de autopsiedokter niet. Hij dacht, zoals alle anderen, dat achtentachtig voor een mannenleven al niet slecht was en dat er zo al niet zoveel zou achterblijven voor wie na hem kwam.
Toen ik mijn derde hap in een tweede broodje wilde zetten, kwam Winnie naast mij zitten.
|
||||||||