Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

MAX PAM: 'DE HERENCLUB'

Sarah Block

Horus Mimir. Zo krankzinnig kan alleen een door Harry Mulisch bedacht personage heten. Nu heet hijzelf zo in de satirische roman De Herenclub van Volkskrant-columnist Max Pam. In gekke namen als Pierre Dwars, Wilbert Stokhuizen, H.J.O. Bofman en Gees Kruidentuin herkennen we ook Mulisch' vriendenkring: een gezelschap van kunstenaars, publicisten en politici, die elkaar elke maandagavond treffen in het Amsterdamse restaurant van Joop Braakhekke. Voor wie enigszins thuis is in het romaneske universum van Mulisch en het veel engere wereldje aan de grachten, heeft dit boek een hoog gniffelgehalte.
Al is deze roman lang geen meesterwerk, het is toch een werkstuk dat met meer talent en vernuft in elkaar gezet is dan de treurnis die tegenwoordig de Hollandse hitlijsten teistert (Zwagerman, Grünberg en De Winter, om geen ergere namen te noemen). Zelden zag ik de ridicule kantjes van de Goddelijke Schrijver, zijn Grote Werk en zijn Paleisnarren zo onbarmhartig door de mangel halen.
Vreemd toch dat de Hollandse kritiek allertuttigst op dit boekwerk reageerde. Arnold Heumakers had het in de NRC over een 'dissonant', Jaap Goedegebuure sprak in HP-De Tijd van een 'akelig flauwe sleutelroman' en Carel Peeters vond de 'satirische effectiviteit van De Herenclub beperkt'. Alleen Kousbroek, Mulisch' aartsvijand, juichte.
Eén motief van deze benepen ontvangst kan je tussen de regels door lezen. Max Pam zet een aantal Beroemde Nederlanders te kakken. Zo wordt minister Hans van Mierlo in de figuur van Guido Oudhoff afgeschilderd als een warhoofdige zuipschuit en Cees Nooteboom (alias Gees Kruidentuin) als een verschrikkelijke windbuil.
Wat doet een criticus als het geroddel van de Grachtengordel onbesmuikt op het publiek wordt losgelaten? Hij komt al deze heren gegarandeerd tegen in een of andere Kring van dit ellendige provincienest en kan daarom in zijn recensie zijn leedvermaak niet al te sterk laten doorschemeren. Hij bijt dus op zijn tong en schrijft dat Pam zijn figuranten wat te erg heeft gemaltraiteerd.
Een tweede motief voor deze angstreactie is dat Mulisch op zijn zeventigste een onaantastbaar monument is geworden. Onder de titel 'Kunst moet te ver gaan' gunt Carel Peeters Mulisch dat voorrecht, maar vindt hij wel dat Pam zich vergaloppeert, omdat je bij deze satire 'steeds moet denken dat deze Mimir/Mulisch toch maar de schrijver is van romans als De aanslag, Hoogste tijd, De ontdekking van de hemel'.
De publieke figuur Mulisch heeft altijd veel weerstanden opgeroepen. Zijn grootheidswaan, zijn onzinnige theorieën, zijn politieke gedaas worden eigenlijk alleen door hemzelf serieus genomen. Al heeft zelfs hij zwakke momenten: dan heeft hij het vergoelijkend over zijn ironie. Niettemin blijft zijn zelfoverschatting indruk maken op de kritiek. Elke nieuwe novelle van Mulisch, hoe onooglijk en onnozel ook, wordt meteen als een onsterfelijk meesterwerk bijgezet in het mortuarium van de Nederlandse literatuur. Zelfs De ontdekking van de hemel, een samenraapsel van derdehandse quizkennis, holistische wartaal en oppervlakkige diepzinnigheid, blijkt voor de goedgelovige Thomassen een boodschap voor de Mensheid te bevatten.
Heel knap in Pams satire is dat hij een geliefkoosde truc van zijn slachtoffer gebruikt en zo de ondeugdelijkheid ervan aantoont: de methode van de verborgen grondtekst. Maar terwijl de critici bij Mulisch vol ijver naar verborgen lagen spitten, heeft ondanks veelvuldige hints hier niemand het geparodieerde voorbeeld opgemerkt.
Het motto (uit Willem Paaps Vincent Haman, de sleutelroman over de Tachtigers) zet je op de goede weg: 'Wie niet naar modellen werkt, zal nooit een kunstwerk scheppen.' Wat zou het model van De Herenclub zijn? Op het omslag staat een schilderij van Jezus Christus die met zijn Apostelen brood en wijn nuttigt. Zou die Herenclub niet bestaan uit volgelingen des Heren? Dan is hun wekelijkse diner een Laatste Avondmaal.
Het maal heeft plaats in het restaurant Osiris. Wie ooit van James Frazer heeft gehoord, weet dat die in zijn Golden Bough de Egyptische god Osiris als een voorafbeelding van Christus beschouwt. Mulisch zelf identificeert zich in zijn werk trouwens met Horus, die eveneens een vorm van de stervende en verrijzende god is.
Pam spaart geen moeite om het evangelische voorbeeld aan de nietsvermoedende lezer duidelijk te maken. De vier delen van het werk verwijzen telkens naar stenen. Bij de hermeticus Mulisch denk je dan direct aan de Steen der Wijzen, maar hier natuurlijk ook aan de Steen (Petrus) waarop de kerk is gebouwd. De titel van het slotdeel 'De onderste steen boven' herinnert aan Jezus' profetie over de val van de tempel: 'Er zal geen steen op de andere gelaten worden.'
De twaalf vrienden van Horus zinspelen vanzelfsprekend op de twaalf Apostelen. Een mooi toeval - maar wat is toeval in dit paranoďde universum? - is dat ze voor het eerst op pagina 12 van het boek worden genoemd. Een van hen, Pierre (= Steen) Dwars, wordt door Horus ontmaskerd als een 'eerloze verrader' (62), of Judas. Horus-Jezus' vrouwelijke volgelinge, Joske, is als schminkster een reďncarnatie van de zalfster Maria Magdalena. Als bekeerlinge tot zijn heilsleer houdt zij haar twee opmaakkwasten gekruist (!) voor haar borst terwijl ze een satanische tegenstander bezweert: 'Terug jij...'
Horus Mimir is een messias die ondanks zijn negatief charisma (44) 'lange rijen fans' (29) achter zich aan krijgt. Zijn Bergrede ('een alternatieve kerstboodschap', 30) wordt een televisietoespraak, die handelt over de dialectiek van scheppen čn opscheppen. Zijn woorden herinneren onweerstaanbaar aan die van Christus: 'Ik ben het Universum' (9), 'Laat de prijzen tot mij komen' (10), 'Ik ben hier niet gekomen om de problemen op te lossen, maar om ze te vergroten' (65). De schrijver Brekel noemt hem 'de grootste vriend van de dieren des velds' (20). Zijn rivaal Gees Kruidentuin verenigt het canonieke en het apocriefe (145).
In plaats van de kruisdood wacht deze verlosser een dramatische maagoperatie, waaruit hij achteraf blijkt 'opgestaan' (148) om weer bij zijn volgelingen te zijn. Het boek eindigt met een regelrechte hemelvaart: na een val (de nederdaling ter helle) vliegt Horus de opgaande zon (symbool van de verrijzenis) tegemoet.
Wordt het boek van Max Pam door de Ontdekking van deze Hemel, het vinden van de Verborgen Laag, opeens een bron van mystieke inzichten? Nee natuurlijk. De parallellie is even komisch als gratuit. Het enige wat de vermaakte lezers ontdekken, is dat de veellagigheid die critici in het werk van Mulisch zo hoog roemen, niet meer is dan het mystificerende poeha van een valse Messias.

© Sarah Block