|
|
In de kamer hiernaast vrijt mijn beste vriend met mijn vriendin. Ik wacht geduldig tot zij klaar zijn en bevredigd. De kamer hiernaast; dat is de slaapkamer. Zo gaat dat wanneer je een verdieping bewoont, de ene kamer ligt er naast de andere, de slaapkamer naast de woonkamer en tevens naast het toilet. Wie 's nachts een plasje maakt plast de ander wakker. Ontbijten doe je in de geur van de voorgaande maaltijd die het huis nog in haar greep heeft, muziek kan je pas beluisteren als men in de andere kamers bereid is mee te luisteren en wat een universeel mensrecht zou moeten zijn, namelijk het weigeren overspoeld te worden door het televisiegebeuren, is hier niet haalbaar. Als één iemand televisie kijkt, dan heeft de ander willens nillens het programma auditief en/of visueel mee te consumeren. Maar vast en zeker kan het erger. Wij bewonen een verdieping van een bescheiden herenhuis en hoeven niet de geluiden te ondergaan die flatbewoners voor elkaar produceren. In die geverticaliseerde dorpen hoor je altijd wel een lift op en neer en neer en op gaan, een op gang getrokken echtscheiding, het huisvuil of afgedankte spullen door de vuilniskoker tuimelen. Er is daar altijd wel iemand die verhuist en gaten voor zijn fotolijsten in de muur boort of dronken is. Neen, zo'n vuilding bewonen Katrien en ik gelukkig niet. Slechts twee gezinnen - één boven en één onder ons - moeten wij dulden en slechts twee gezinnen ons. Want geduld moeten worden ervaar ik soms vervelender dan zelf te dulden. Deze drie alsnog kroostarme gezinnen horen elkaar dan wel klaarkomen en ruzieën, ik weet dat het bovenbuurmeisje (een studente) verzot is op Eric Clapton unplugged en zij dat ik ondanks veel oefenen maar slecht gitaar blijf spelen, en de onderburen hebben helaas een bed onder mijn schrijfmachine waar ik het liefst 's nachts op timmer, toch blijft de allervuilste was binnenskamers. Het meese last ondervinden we nog van de overbuur. En dat is een spoorweg. Acht spoorwegen naast elkaar om precies te zijn, die een kilometer westwaarts het drukke station van Gent St.-Pieters aandoen. Ik hou van treinen, van treinen in alle maten en gewichten, ik hou in feite van alles wat het onderweg-zijn (het hoogtepunt van iedere reis, intenser dan het arriveren of het ter bestemming zijn) kan symboliseren; maar om dagelijks duizenden, depressieve, pendelende ambtenaren op hun vertraagde treinen voorbij te zien suizen, en om altijd wanneer ik op het punt sta dan eindelijk toch in slaap te sukkelen de goederwagons met veel machtsvertoon naar hun volgende halte in het productieproces te horen bulderen is mijn liefde voor dit transportmiddel niet groot genoeg. De enige architecturale blokkendozen waar ons raam op uitziet zijn die van het Universitair Ziekenhuis. Alles bij elkaar zijn dat ettelijke hectaren die dag na dag voor veel microben en kwaadaardigheden zijn volgeboekt. Het is geen ziekenhuis meer, het is een ziekenstad met haar eigen aula, krantenkiosk, landingsbaan voor helikopters, restaurants, reparatiedienst, enzovoort. De tunnel die de Florentijnse Bon Chic Bon Genre van het Palazzo Pitti naar Palazzo Vechio bracht zonder het pad van een pestlijder te kruisen, kende navolging in de geneeskunde: het Universitair Ziekenhuis beschikt over een ondergronds netwerk van gangen zodat artsen er snel en steriel van de ene dienst naar de andere kunnen fietsen of skaten. Het heeft zijn eigen kerkgebouw waarin de naamloze lijken van een schare nonnen en een aalmoezenier bij wijze van gebed spiritueel proviand meekrijgen voor het hiernamaals. Gezien er stoffen toebereid en er mensen door machines bewerkt worden is zo'n ziekenhuis een fabriek als een ander, het verschil met bijvoorbeeld de staalnijverheid is gering. Toen twintig jaar geleden mijn grootvader in de clinch lag met de kanker, kon hij zich enkel nog als proefkonijn nuttig maken. Het is niet onwaarschijnlijk dat ik zicht heb op de plaats waar ik zelf zal sterven. Als ik op een dag mijn vervaldatum heb overschreden zal ik ginds, aan de overkant, op een goeie achthonderd meter van dit huis dat dan op zijn nieuwe huurders wacht, gistend en stinkend ten toon liggen voor hen die er behoefte aan hebben nog een laatste maal mijn smoel te zien. Deze woorden zijn niet eens zo profetisch. Heel vaak zit ik 's nachts op, te moe om te lezen of te werken, zelfs te moe om de slaap te vatten, en staar ik dromerig naar dat ziekenhuis. Dan zie ik hoe de ambulance rustig terugkeert met een mens die ergens werd opgeraapt. Dan zie ik hoe af en toe het licht in een kamer wordt aangeknipperd, allicht omdat een patiënt zijn pijn niet meester kan en smacht naar de sussende naald in zijn aders. En waar het licht de hele nacht blijft branden, daar houdt een familie haar reünie en speculeert men reeds voorzichtig op de nalatenschap. Sinds ik hier woon, zo stel ik vast, ben ik steeds minder plannen gaan maken. Enkele jaren geleden bezocht ik regelmatig het Universitair Ziekenhuis. Zeggen dat ik er werkte zou overdreven zijn maar ik verdiende er toch mijn droge boterham. Mijn succesloze academiejaren kostten mij een foruin en zodra ik wat op mijn bankrekening had reisde ik mijn saldo meteen naar het nulpunt. De pizzeria waar ik mij voor een hongerloon liet afkatten zond haar curator en ik had geld nodig. Dat men van de liefde en de dauw kan leven maar niet van poëzie begon ik te ondervinden: de verkoop van mijn dichtbundel verliep schabouwelijk. Ik heb hier trouwens nog drie dozen van dat jeugdsentiment in m'n rommelhok staan. Er waren wel meer studenten die in het zelfde armtierige schuitje als ik zaten. De ene leefde ergens tussen zijn syllabussen en zijn job in een pitakraam, de andere scheurde theatertickets bij de ingang van het NTG of poseerde lange uren in zijn verlegen blootje op de kunstacademie. Maar het Universitair Ziekenhuis kwam soms aardig uit de vacaturehoek met proeven die om vrijwilligers vroegen. Rijk werd je'r niet van, wel misselijk. Nu eens zat je vijf dagen in een verlichte witte cel (typisch een rechtse opdracht van de psychologiefaculteit), dan weer maakte je rekensommen onder invloed van alcohol of werd je ingeënt tegen een ziekte waarvan je om den brode had gezworen dat je die had. De enige wetenschap die daar waarschijnlijk baat bij had, was de wetenschap dat je weer de huur en een warme maaltijd kon betalen. Er zat echter weinig regelmaat in deze proeven, soms werd er weken na elkaar niet geëxperimenteerd of had men alleen maar meisjes of iets anders wat ik niet was nodig. Ik pingelde het snot uit mijn neus om overeind te blijven, mijn solvabiliteit riep me op het matje en een paar weken later stelde ik mij kandidaat als spermadonor. Mijn vriend Julien werd niet langer door zijn ouders gesponsord en met als vaste kosten zijn kot, zijn studies Indologie, wodka, cannabis en leesvoer kon hij eveneens een bijverdienste goed gebruiken en hij vergezelde me naar de fameuze zesde verdieping van de dienst K 12. Ik herinner mij dat we er eerst onze zenuwen hebben afgezeten in het restaurant van de kliniek. We rolden de ene sigaret na de andere om de daad zo lang mogelijk uit te stellen en praatten elkaar moed in. Tenslotte wordt zaad niet als bloed of plasma met een celibatair mechaniekje uit je lichaam getapt, het is en blijft een nuchter feit dat je als spermadonor moet masturberen. Er ging een hele papiermolen aan de daad vooraf. Lezen en goedkeuren dat je niet de vader zal zijn van de eventuele kinderen. Lezen en goedkeuren dat je meldingsplicht had (m.a.w. je moest je melden wanneer je gemorst had). Lezen en goedkeuren dat je zaad een anoniem nummer kreeg. Pas wanneer al deze formaliteiten in de vooroorlogse fichedoos verdwenen konden we ons staaltje maken. Ons staaltje maken! Dit was de klinische taal waarin men ons ook op een dag zal mededelen dat onze pijp uit is. Het was een kleine hel. We kregen een potje mee waarvan ik mij afvroeg waarom het zo groot was. Tijdens de collectieve ruksessies op het internaat had ik vastgesteld dat mijn hoeveelheid boven de middelmaat lag, maar dat was inmiddels meer dan tien jaar geleden. Tijdens die tien jaar kon mijn plaats in de statistieken gewijzigd zijn en het volume van dat potje bracht mij zowel als Julien danig in de war. Ons staaltje diende gemaakt te worden op het belendende toilet dat nota bene geen deur had. Wulpse geruchten dat je als donor prikkelende filmpjes kreeg voorgeschoteld, pornoboekjes en andere stimuli kon gebruiken of dat in geval van uiterste nood een bevallig verpleegstertje wel een zacht handje wou toesteken werden ter plekke de kop ingedrukt. Het toilet was zoveel toilet als er één in het kleuterschooltje stond, waar ik vaak te laat op ging zitten. Je was helemaal aangewezen op jezelf en hoewel het mij niet aan fantasieën ontbreekt lieten ze mij daar toch in de penarie zitten. Alle lieve vriendinnen die hun geheim nog niet aan me hadden prijsgegeven liet ik de perverse revue passeren. Maar tevergeefs. De staaltje ons op, goed voor drie bioscoopbezoekjes. Goed voor drie avonden Juliette Binoche. Ik noemde het met de nodige zelfironie mijn 'kindergeld'. Ik weet nog dat ik, toen ik die eerste maal het ziekenhuis verliet, mijn vader miste. Ik vroeg me af of ik, als hij nog had geleefd, verteld zou hebben dat hij misschien grootvader was geworden. Waar er veel te veel mensen zijn zodat niemand nog met iemand omgang heeft, ontstaan er stadsmythen. Lang, lang geleden, toen het leger met de meeste manschappen de sterkste kansen op de zege had en kariatiden nog met plezier hun tempels overeind hielden, lag de polis tussen heuvels die men niet beklom. Onder andere omdat men die heuvels niet beklom was het makkelijk aangenomen dat goden daarboven hun huishouden in het honderd lieten lopen. Mythen die uitsluitend de waarheid onthullen van hen die ze hebben gecreëerd. Spermabanken, aldus de stadsmythen, worden overrompeld door negers, schooiers en junkies. Zij rukken zich te pletter om hun drugs, hun wapens en hun prostituees te kunnen bekostigen. Toen ik er als leverancier van levensyoghurt optrad, telde het Universitair Ziekenhuis exact drie (3!) donors. Drie vliegende sigaren. Dat waren de enige drie reservemotoren voor het nageslacht van een kwart miljoen gezinnen. Hier is dus geen plaats voor xenofobische vertelseltjes. Daarenboven moet het zaad van de donor tussen de drie en de vijf dagen oud zijn. Wie de kostprijs van een gram cocaïne kent, weet dat een verslaafde toch maar beter een andere broodwinning zoekt. Mijn toenmalige vriendin had wel eens problemen met de tijdslimieten van de spermabank. Drie dagen zijn een eeuwigheid voor een jeugdig libido. In het krijgen van een droog orgasme was ik immers niet onderlegd en zolang ik financieel afhankelijk was van mijn giften, vond ik een vrijpartij meestal weggegooid geld. Het spreekt voor zich dat ik zowel de job als het vriendinnetje niet lang kon houden. Een foto van me zou wat meer licht op de zaak kunnen werpen. Vrouwen die ooit beroep deden op de zaadreserven van een ziekenhuis, krijgen in dat geval een exemplaar van een man te zien die naar K 12 ging en in een potje paarde. Een jongeman met een stereotiepe kop. Hij draagt een oorringetje en weet eigenlijk niet waarom. Met zijn ('s zomers) kaalgeschoren schedel en een flinke moedervlek in het midden van zijn verrimpeld voorhoofd lijkt hij op een Indiase monnik in tijden van godsdienstig verval. Zijn neus is zo dik dat hij dit edel orgaan te allen tijde ziet, diep in zijn bijziende ogen ligt een verdriet dat hij van zich weg tracht te centrifugeren door het middelpunt van zijn eigen spot te worden. Hij is een slecht mikker en pist nog wel eens op de bril, onhandig met mens en ding, dagelijks delibererend over zijn wil nog langer te bestaan. Zeg nu zelf, zou jij daar nu echt een kind van willen? De doorslaggevende reden waarom ik niet langer donor ben gebleven, was omdat de kwaliteit van mijn zaad na verloop van tijd onvoldoende bleek te zijn. Te zwak. Maar volstrekt waardeloos is een product zelden. Uit alles is munt te slaan. Ook uit de pulp, de boekhouder van een wijnboer zal dat graag bevestigen. Zo verwerkt de cosmetica spermatozoïden in antirimpelcrème; als zij als slogan 'de eeuwige jeugd' hanteren dan liegen zij niet helemaal. Ook moederkoek, liet ik mij vertellen, wordt gerecupereerd en zou uitermate geschikt zijn voor shampoo. Hoewel ik nog nooit een baby met proper gewassen haartjes ter wereld zag komen. Wie weerstaat het zachte gevoel van Palmolive? Zie je het al op het etiket van je shampoo staan; ingrediënten: parfum, water, moederkoek...? Het is in ieder geval onduidelijk wat er wel en niet in shampoo zit. Ingrediënten als Poloxamer 124, PABA of Cl 42090 zeggen mij niets. Dat kan inderdaad placenta, maar net zo goed kamelensnorhaar zijn. Is het Latijn dan al een poosje uit de eucharistiedienst verbannen, dan verwierf het toch maar een plaatsje in een andere godsdienst. Ik zei het al, de kliniek is een fabriek. Importerend en exporterend. De stoffen die verdwijnen wanneer volle melk magere melk wordt, verkoopt men aan de farmacie, en zodoende kunnen de afslankende dames (en hier en daar een magerzuchtige heer) hun vitaminetekort weer ongedaan slikken. Een zotte wereld. Maar mocht u ooit met succes een schoonheidspasta op uw kraaienpootjes gesmeerd hebben, kijk dan in de spiegel naar uw zoete jeugdige huid, en zegt gerust: 'Dank u, Dimitri!' 't Is graag gedaan. Wij zouden elkaar trouwens wat vaker moeten bedanken. Voor alle sappen die we afscheiden en waardoor we het leven hier op aarde een pak aangenamer maken.We zouden elkaar moeten bedanken voor de mest waarop onze groentjes teren en die we met z'n allen, voor z'n allen, bij elkaar hebben gescheten. Dus: dank u, omdat u kakt. Het is slecht gesteld met de man, daar is men het roerend over eens. Niet alleen kwalitatief, ook kwantitatief zouden onze vaders het dubbele hebben geproduceerd; dochters zouden niet graag hun moeders zijn tijdens een gymnastisch verantwoorde 69. Het mannelijk geslacht wordt bedreigd met drooglegging, de consequenties hiervan zijn nog niet goed doorgedrongen. De lijst met handelingen of producten die de potentie aantasten is verpletterend. Koffie en sigaretten zijn uiteraard altijd de kop van Jut, ook in dit dossier. Oneindig veel grappiger is dat onbespoten groenten fyto-oestrogenen, en dat bespoten groenten pseudo-oestrogenen be- vatten. Zowel fyto- als pseudo-oestrogenen helpen de teelballen naar de kloten. Wat moet je dan in hemelsnaam nog gaan eten? Verwarmen met stookolie en het gebruik van waspoeder: van hetzelfde laken een pak. Een zittend leven en politieradars warmen de testikels te sterk op. Ook de vele kwaaltjes van de verstedelijking zijn schadelijk, maar aan de andere kant produceert de gemiddelde inwoner van New York met zijn 132 miljoen zaadcellen per milliliter het dubbele van de rest van de wereld. Met ons allen naar New York zou ik zo zeggen, ze hebben daar ook een Pizza Hut! Nu, zelf ben ik niet impotent, ik ben wat men noemt 'subfertiel'. Mossel noch vis. Da's mijn aanleg. Moeder zei altijd: 'Kun jij nu nooit eens normaal doen?' Te vruchtbaar om mij de kosten van anticonceptiva te besparen, te weinig om de volgende babyboom op mijn naam te zetten. Als ik met mijn vriendin vakantie zou nemen en dat al copulerend door zou brengen, is er een kansje dat één mijner zeldzame zaadbeestjes de eindmeet haalt. Proberen tot mijn tong op de grond hangt is de boodschap. Deze handicap is een souveniertje van mijn moeder die zelf liever kinderen maakte dan opvoedde. Zij was nogal gierig van aard, ten dele omdat mijn vader fikse sommen opzoop, ten dele omdat zij als dochter van een norse franskiljon gierigheid beschouwde als het getuigen van gezond verstand. Op het platteland woede de oorlog nog jaren voort in de opvoeding van de kinderen; verkwisting kon enkel door de duivel zijn ingegeven, wat men had opgepot zou op een dag het leven kunnen redden. De gierigheid promoveerde van hoofdzonde naar deugd met officieuze goedkeuring van het Vaticaan dat de zes andere zondige deugden voor z'n rekening nam. Kort samengevat was ik het kleinkind van een vooruitziend druk gezin, ik bracht mijn kindertijd door in de kleren die oudere neven hadden afgedragen. Mijn uitrafelende onderbroekjes waren te krap. Zoveel te krap zelfs dat - wanneer oudere, stoere jongens vertelden dat bij het zien van een mooi meisje hun piemel zo groot werd dat het kopje uit hun onderbroek stak - ik dacht de bezitter te zijn van een abnormaal grote penis. Ik heb jaren op een ervaren partner gewacht die mij het tegendeel kon garanderen. Het resultaat van deze minuscule textieltjes is een kluwen van spataders waardoor het bloed lustig stroelt en mijn balzak de gevaarlijke grens van 35°C overschrijdt. Met recht en rede mag ik zeggen voortdurend 'heet' te staan. Ziedaar het erfgoed van mijn moeder. Toen Julien onlangs met zijn vriendin bij ons kwam eten, wist ik het zeker: mijn jeugd, of wat ik daaronder versta, is voorbij. Het feit alleen al dat hij kwam eten, is een stap in die bedroevende richting. Wij zaten hier maar, gegratineerd spul en soufflé te smullen. Zijn vriendin hield zijn drankverbruik nauwlettend in de gaten, maakte dan ook voor hem uit wanneer hij genoeg op had en had het talent het gesprek in burgerlijke banen te leiden. Over de lamp in schots en scheef design die ze gekocht hadden, over hun automobiel die drin- gend aan vervanging toe was, over alles en nog wat, zolang er maar een prijskaartje aan hing of binnen het kader van de huisje-kindje-tuintje-filosofie paste. Zij was het ook die (om tien over twaalf) zei dat het bedtijd was, bedankt, het eten was lekker en tot ziens. Julien is de kerel waarmee ik liftend door Engeland trok zonder een rooie duit. Twee paloeters, bedreven peezuigers voor wie het moeizame jongensavontuur de uitdaging en de binding was. We sloegen onze tenten op tussen de blatende schapen, schuimden als gepasticheerde hippies de optredens van gedateerde bands af, jokten en gapten voer om de tocht van Pilsen naar huis te overleven, werden opgesloten door een bende seropositieve nichten die wel lekker speeltuig in ons zagen... Verhalen die naarmate het leven saaier wordt, gelardeerd worden met meer heldhaftigheden. Ik heb Julien eens bekeken, de door zijn vriendin heropgevoede en verdoofde Julien, en zag tegelijkertijd mezelf. Ik dacht: ik kan dit niet. Ik kan dit gezinsleventje niet aan, mijn waarde is in dit voorgekauwde scenario niet meer dan nul komma nul nul repetent. Gemeenschappelijke vrienden kleven zich eveneens aan een geliefde vast, maken daar op een onweerachtige avond, als er niets op de tv is, een kind mee en je ziet hen nooit meer in de kroegen terug. Soms kom je zo'n jeugdmaat nog eens tegen, meestal in een winkelstraat, handje aan handje met het vrouwmens dat het berispende gedrag van zijn moeder overneemt. Vroeger speelde hij in die straat gitaar om een paar haast symbolische pegulanten, nu kiest hij er met verborgen tegenzin geschenkjes voor een familiebezoek uit de etalage. Het kan verkeren en het verkeert verkeerd. En wat doe je zelf als jouw vriendenkring, je hele omgeving voor dat ritme kiest? Hem laten vallen? De kinderen die ze verwekken brengen structuur in hun leven. Ze leven van geboorte naar eerste schooljaar, van pisbroek naar puberteit, van autoped naar bromfiets. En als ze dan gestructureerde grootouder worden met ziekten en ongemakken, kunnen ze geen bal uitvoeren met het pensioen waar ze jarenlang naar hebben uitgekeken. Zij zijn het die mij voor een stuk in dezelfde maalstroom meeslepen. Inderdaad, heel even keek ik Julien aan, vol medelijden en zelfbeklag. Zijn vriendin pronkte met haar verlovingsring en vond in mijn partner een uitstekende praatgraag over kinderen, kinderen, kinderen. Onze vrouwen willen structuur in hun leven, onze vrouwen willen gebonden zijn omdat zoiets veilig is, ze willen kinderen. 'Ja, schatje,' zei Julien. 'Het is al laat, we zijn weg.' En hij liet zijn flesje Guinness halfvol staan. En of ook mijn partner kinderen wenst! Als een haperende langspeelplaat heeft ze het voortdurend over haar verlangen kinderen te krijgen. Zodanig dat ik haar geflirt en gekoketteer waarmee ze eertijds om mijn aandacht dingde, gaan zien ben als de verovering van een vader voor haar kind. Niet zozeer zij heeft mijn liefde nodig, wel het kind dat ik bij haar hoor te verwekken. Ik voel me bekocht. Toen zij op de dansvloer (die eerste keer, in het kleine kroegje te Porto Cristo) met haar heupen wiegde en haar blik fixeerde op deze stuntelige Don Juan, voerde zij meer noch minder dan een paringsdans uit. De enige reden waarom zij last zou kunnen hebben van penisnijd is de gedachte aan zelfbestuiving. Maar voorts is zij één en al kut, in geest en lichaam. Zin heeft het leven voor haar enkel als het een leven voor een ander is. Haar credo zou een stukje theater van Vaclav Havel kunnen zijn: 'Omdat jij het bent die dit kind in de wereld hebt gedropt, die dat kind de wereld aanbood voor zijn doen en laten en die het van wat oriëntatie in deze wereld hebt voorzien, zal je plots een grotere verantwoordelijkheid beginnen te voelen voor deze wereld zelf, omdat jouw eigen kind daar op leven moet...' Dat is een pracht van een argument, toegegeven. Maar Katrien vat het cynisme van de sublieme Havel niet. Niet weinig spilfiguren in de holocaust waren vader en, nou, we interpreteren elk op onze manier hoe zij hun verantwoordelijkheid voor deze wereld hebben gedragen. Overigens, Havel en zijn wederhelft Olga zijn geloof ik zelf kinderloos gebleven. Na twee schijnzwangerschappen volgt Katrien de babymode op de voet, bekijkt ze afgunstig iedere vrouw die zich met twaalf kilo vruchtwater in het zweet winkelt. Ze doet niets liever dan kleine mormels op haar schoot te troosten en wordt ontroerd als die met hun volgescheten pampers haar billen verwarmen. Zo'n vrouw heeft zich natuurlijk het minder schuldige gedeelte van haar leven lang geschoold met blèrende en zeikende poppen, liep fier als een pauw met Barbie in de kinderwagen over straat; ergens oefent iedereen graag de taak uit waarin hij zich heeft bedreven. Tevens wordt zij er maandelijks, soms pijnlijk, aan herinnerd een vruchtbare akker te bezitten waarop deze boer van Piemel, in plaats van die te bezaaien, zijn oude koeien laat grazen. Te weten dat mijn naam zoiets betekent als zoon van Demeter. Demeter is de godin van de vruchtbaarheid en de keuterij. Zij schenkt de mensen een geordend leven in het huwelijk, het gezin en de staat, hahaha. Maar tegelijkertijd botert het niet in haar eigen huishouden.Typisch. Ik, haar zoon Arion, die zij met Poseidon heeft gemaakt, waardoor ze haar incestueuze broereman Zeus hoorns opzette, heb een strekkende meter paardenpik tussen mijn benen. Mijn halfbroer Plutus is de eerste goddelijke socialist, een Jan De Lichte avant la lettre die gestolen geld aan de sukkels gaf en dat met zijn leven zal bekopen. Mijn halfzus Persephone is een ongehoorzame slet door wiens driftbuien de vruchtbaarheid op aarde eventjes werd stopgezet. Wat een familie. En wat een soap en soep. Mijn aardse ouders, de echte, hadden geen kaas gegeten van mythologie, niemand bij ons in de familie trouwens.Maar toch roem ik hen om deze naamgeving waarin het overspelige gehuppel van mijn moeder wordt verklapt.En waarmee ze te kennen gaven dat je met je kroost niets dan last hebt. De pot op met het huwelijk, contract der geliefden! Naar de hel met al die geilheid van biologisch nut! Weg met de kinderen! Dat gezinswarmte en gezinsuitbreiding mijn kloten likken! Naar de maan met het sentiment van mijn vriendin! A-woert, a-woert de liefde, lepe liefde! Lof zij het zaad dat in de zakdoek sproeit! De vrouw is baas in eigen kut en zo hoort het ook. Als Katrien meent dat een worp haar leven betekenis kan geven, dan heb ik niet het recht haar dat te ontnemen. Net zo min kan zij mij verplichten een kind te maken, er worden al genoeg kinderen met tegenzin op de wereld gezet. Ik kan het weten. Geruime tijd heeft ze gedacht, gehoopt, dat ik wel bij zou draaien. Ze nam zelfs een kat in huis (ons sneeuwwitje Goya die momenteel haar kin tegen mijn dummy schuurt) om de vadergevoelens in mij te zien ontwaken. Heel misschien vind ik het soms wel vertederend als een poes zich nestelt in mijn schoot maar dat weegt niet op tegen de misère van de kattenharen die geregeld in mijn koffie drijven, het hysterisch gekrijs van dat kreng tijdens de paartijd, de stank van haar tonijnpasteitjes. Sinds dat beest hier de aandacht afsmeekt, zijn we godverdomme niet meer op reis geweest! En dat is dan nog maar een kat. Katrien kon uiteraard niet blijven wachten tot de dag dat ik de kriebels voel om mij voort te planten. Zij heeft tenslotte zoiets dat ze omschrijft als 'het tikken van haar biologische klok'. En daarbij volstaat het niet te denken dat het aanbod geldt zolang de voorraad strekt. Er lopen al voldoende mensen en onmensen in elkaars weg, ik in de jouwe, jij in de mijne, we hebben geen plaats meer om nog ordentelijk van elkaar te houden. Dus moet een vrouw van boven de veertig niet onbezonnen het risico nemen daar nog een misbaksel aan toe te voegen. Mijn respect voor andersvaliden is grenzeloos, maar er zijn blijkbaar mensen die graag nodeloos leed verwekken. Ouwe wijven moeten weten dat hun overrijpe vrucht tot een ziekte kan lijden die te voorkomen maar zeer vaak niet te genezen is. Een dergelijke geboortepolitiek kan al beginnen met een programma van gehandicaptenbeperking. Dus, vrouwen die malgré tout kinderen wensen: hoe eerder hoe liever. Wij hebben er lang en uitgebreid over gepraat, Katrien en ik, en zij zal haar kind krijgen. Maar niet het mijne. En dat heeft zoals u al aanvoelde niets met mijn subfertiliteit te maken. Men beschikt al over een heuse machinerie waarmee wonderen worden verricht. Heel wat paartjes stoppen zich diep in de schulden om een kindeke lief hun geluk te laten completeren, want voor een appel en een ei heb je die hocus-pocus niet, dat geef ik je op een briefje. Gelukkig voelt Katrien er niet veel voor haar tikkeneitje kunstmatig te laten bevruchten. Haar baby moet en zal op natuurlijke, wat zeg ik, op grootmoeders wijze tot stand komen. Via een goeie portie seks. En dat zou volgens wetenschapslui ook het beste zijn. De vagina hoort vochtig te worden van al dat lekkers en eerlijk gezegd een mens wordt toch liever tijdens twee orgasmes gemaakt nietwaar? Je gaat al met minder schuldbesef door het leven wandelen in dat geval dan wanneer je bijvoorbeeld het kind van een verkrachting bent. Ik gun mijn Katrientje haar bevruchting van ganser harte, met klank- en lichtspel, orgasme en heel de santenkraam erbovenop. Dat ze haar hartje maar eens goed ophaalt! Erg zou ik het pas gevonden hebben wanneer zij haar verlangen laafde aan de conservenblikken van de spermabank. Ik hou er niet van dat men hamstert, een ingeblikte voorraad inslaat. (We vergeten dat ik om opportune reden donor was.) De mogelijkheid tot hamsteren is een aanzet tot zelfdestructie. De opeenvolging van vernielende winters en de daaruit resulterende misoogsten heeft veel generaties aangespoord tot het (eindelijk) omverwerpen van totalitaire regimes. De Franse Revolutie kwam er grotendeels omdat er in 1788 en 1789 niet veel te bikken viel. Of dacht u dat er revolutie was geweest als men in het Parijs van Louis XVI maar een blikje Marie Thumas uit de kast had te pakken? Ik weet het niet maar heb zo wel mijn vermoedens. Honger is de betere Jeanne d'Arc, primaire behoeften lopen gehoorzamer in het gelid. Vaker manipuleerde een oorlogszuchtige goochemerd de strijdlust van zijn pionnetjes, liet hij zijn manschappen gehoorzamen aan het dictaat van de lege maag. Sperma zit in hetzelfde behoeftevakje als de patat wanneer wij on In de kamer hiernaast vrijt mijn beste vriend met mijn vriendin. Ik wacht ongeduldig tot zij klaar zijn en bevredigd.
|
||||||||