Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

ZWIJGENDE GETUIGEN

Rijk De Jong

Het was een mooie nazomerdag en ik wilde net het park van het Rodinmuseum uitlopen, toen mijn aandacht werd getrokken door een blond meisje. Misschien verwonderlijk, want ze was niet het enige meisje in het park, beslist niet, er waren tientallen meisjes, ook blonde. Ze liepen zomaar wat rond, lachten en wezen af en toe naar een beeld of beeldengroepen, die als verstilde wachters de bezoekers in de gaten hielden.
Anderen zaten op bankjes, met grote schetsboeken op hun schoot en tussen hun vingers klemden potloden. Zonder twijfel studenten van kunstacademies, die door hun leraren naar musea gestuurd werden om de werkwijze van fameuze beeldhouwers te bestuderen of om hun scheppingen na te tekenen. Ze tuurden, op zoek naar details, lijnvoeringen.
Maar het meisje dat mijn belangstelling trok, had geen schetsboeken, geen potloden, ze lachte niet en zat niet op een bankje. Ze stond, rechtop, onbeweeglijk en staarde naar een beeld. Ik zou gezworen hebben dat zij ook een beeld was, ware het niet dat er een zwoele bries waaide, die haar lange blonde haren zachtjes in beweging zette. Haar gezichtshuid was blank, bijna wit en dit stond in schril contrast met haar ogen, die donkerbruin waren en licht gespleten. Ze droeg een lange beige mantel en zwarte, hoge schoenen met kleine hakjes. Het was een opvallende persoonlijkheid, iemand waarvoor je je op straat even omdraait. Mooi, lang, elegant zelfs, maar toch was het niet haar schoonheid die me intrigeerde. Het was haar blik, waar ik niet alleen bewondering in meende te bespeuren, maar ook tederheid, en begeerte.
Ik ging op een bankje zitten, vlak naast het meisje en het beeld, en wachtte.
De tijd verstreek en ik begon me onbehaaglijk te voelen. Was zij een wedstrijd met hem aangegaan? Hij die het langst volhardt, wint? Ik begreep er niets van, en stak een sigaret op. Wist ze dan niet dat die man op de witte sokkel daar al jaren stond, of liever: zat, en dat het onmogelijk was om welke wedstrijd dan ook te winnen?
Ik voelde me bijna een indringer, we waren met zijn drieën nu, de liaison was een driehoeksverhouding geworden, in de letterlijke zin van het woord en misschien ook figuurlijk. Opeens nam ook ik deel aan de wedstrijd, de derde deelnemer was ik, maar toch, ik wist of dacht te weten dat mijn mededinger, mijn collega in het felgroene, bijna fluorkleurige brons, zou gaan winnen. Maar die onverschrokken houding van dat meisje, die de elementen aan het trotseren was, maakte me onzeker. Ik geloof dat ik werkelijk dacht, op dat moment, in die tuin, in gezelschap van de twee zwijgende getuigen, dat er iets zou gaan gebeuren, al wist ik niet wat.
Er ging bijna drie kwartier voorbij, ik rookte niet meer en ik was even doodstil, even onbeweeglijk als zij, en hoewel ik het tegendeel hoopte, geloof ik niet dat ze me opmerkten. Zij niet en hij niet.
Langzaam schuifelde een dame onze richting op en ze hield stil, vlak achter het meisje. Het was een medewerkster van het museum, ze glimlachte en verzocht ons de tuin te verlaten.
Het was sluitingstijd. Ze klonk teleurgesteld en haalde even haar schouders op, alsof ze wilde zeggen, dat zij het ook niet kon helpen. Ik keek op en het meisje zei, uitdagend als een kind dat ondanks de vermanende woorden van zijn ouders gelijk zoekt: 'Maakt niet uit, ik kom morgen wel terug.'
Ik was verbijsterd, het was alsof ze werkelijk een uitputtingsslag aan het leveren was, zoals een staker zijn acties niet opgeeft alvorens hij opslag toegezegd heeft gekregen of een gevangene, die in hongerstaking gaat en geen voedsel aanneemt, voor zijn eisen ingewilligd zijn. Maar hier was geen sprake van loonsverhogingen of principekwesties. Nee, dit was een meisje, dat - dat kon ik gerust aannemen - bezeten was van een standbeeld, en er misschien verliefd op was.
Had zij het plan opgevat die peinzende man tot leven te wekken, enkel door hem uren lang aan te staren? Of ging het om een banale weddenschap, lacherig gesloten tijdens een diner in een restaurant, met vrienden, ergens op Saint Germain?
Met een ruk draaide ze zich om en liep snel langs de cylindervormige heggen en een groengeverfd wachthuisje dat bij de toegangsdeuren stond, het park uit. Haar hakken knarsten in het grind. Ik zag nog net dat ze, vlak voor ze de rue de Varenne insloeg, op haar horloge keek. Ik stond op. Even overwoog ik haar te volgen, maar zag daar dadelijk van af. Het leek me ongepast en ik zou haar misschien bang maken, of erger: boos, en dan zou ik helemaal niets te weten komen. Ik liep naar de uitgang. Het avondverkeer kwam op gang en het zou weldra donker worden.
In het wachthuisje zat de vrouw, die ons zo-even beleefd en niet al te dringend, was komen zeggen dat de sluitingstijd naderde. Ze zal een jaar of vijftig geweest zijn en toen ik voor haar stilhield, was ze een pocketboek aan het lezen. Haar hoofd was voorovergebogen en een paar lichtgrijze lokken raakten de bladzijden. Ik draaide me om, alsof ik onbewust de Denker om toestemming vroeg. Hij torende boven de heggen en de heesters uit en ik bedacht dat hij eenzaam was en tikte op de glazen ruit, die me scheidde van de lezende suppoost.
Ze keek op en glimlachte flauwtjes.
'Oui...' zei ze, op langgerekte, vragende toon. Ik zweeg en wist mijn gedachten, die toch zo duidelijk waren, zo vastomlijnd en zo helder, niet dadelijk te formuleren. Ik aarzelde en keek weer naar de man in het blauwgroene kostuum.
'Kan ik u ergens mee helpen?' vroeg ze.
Ik schaamde me voor mijn vraag, het kwam me voor alsof ik haar wilde meeslepen in een gevaarlijk complot, of haar deelgenoot wilde maken van een samenzwering. Zou ze mijn probleem - en was het wel een probleem? - begrijpen of zou ze me uitlachen? Ik haalde diep adem en begon langzaam te praten. Ik overdacht elk woord, elke lettergreep. Ik sprak over het meisje en vroeg of zij haar misschien ook had opgemerkt. Ik beschreef uitvoerig haar mediterende, peinzende houding, en de vastberadenheid die uit haar ogen sprak. De grijsharige dame moest duizenden bezoekers voorbij zien trekken, elke dag, jaren achtereen. Zou het mogelijk zijn, dat zij zich interesseerde voor een enkel individu? En zo ja, hoe goed was haar geheugen?
Ze hief haar hoofd op en keek me welwillend aan. Ze had een beschaafd gouden kettinkje om haar hals en ik glimlachte opgelucht. Ze sloeg het boek dicht. Ik weet niet waarom, maar ik voelde dat ze begrip zou gaan tonen, dat ze mijn probleem - dat misschien geen probleem was - een eerlijke kans zou geven. Misschien hadden die gedachten te maken met het gouden kettinkje, dat me op een of andere manier geruststelde, of was het dat boek dat ze - zo kwam het me voor - speciaal voor mij en mijn probleem dichtsloeg.
'Oh, ja...' zei ze losjes. 'Die komt elke dag... Ze heeft al een bijnaam... We noemen haar la fiancée du Penseur.'
Het was alsof de ogen van de Denker in mijn rug boorden en ik durfde niet meer om te kijken. Het begon te waaien. Had ik zijn toorn opgewekt?
Toen ik naar huis liep, kwam de ene gedachte na de andere in mijn hoofd op. Ik bedacht een plan. Ik zou een netwerk van vrienden mobiliseren om het raadsel van de verloofde van de Denker op te lossen. Eenmaal thuis, belde ik iedereen die ik kende. Vertelde het verhaal aan wie het maar horen wilde. Ik probeerde de volgende dag vrij te krijgen. Dat lukte niet, maar gelukkig wilde een vriend mijn plaats innemen. Hij was ervan overtuigd dat het om een uniek geval ging en dat we het aan het nageslacht en de geschiedschrijving verplicht waren, van uur tot uur een verslag te maken over wat er zich in die tuin afspeelde. Het was alsof er een elektrisch geladen schok door mijn vriendenkring schoot. Sommigen boden zich aan voor het weekend, anderen voor de middagen, als een soort van parttime uitzendkrachten. Een vriendin stelde voor de directie van het museum in te schakelen: we moesten proberen hen over te halen het beeld voor een dag te verwijderen. Op de lege sokkel moest dan een man gaan zitten die we met verf zouden bewerken, zodat hij precies op de Denker leek, en als het meisje dan kwam, zou hij langzaam moeten opstaan, van zijn sokkel afdalen, en haar een hand geven, en haar kussen. We zouden ons verschuilen, achter een heg of een heester en alles vastleggen met een camera.
'Een moderne Romeo en Julia!' kraaide iemand en een van mijn vrienden, een scenarioschrijver, zag het al voor zich: dit kon een vervolg op Camille Claudel worden, en hij noemde de namen van enkele actrices die voor de rol in aanmerking kwamen.
Isabelle Adjani was natuurlijk uitgesloten, die had Camille al gespeeld. Sophie Marceau, nee, die was te... Misschien Juliette Binoche, ja, die was wel geschikt... Ze moest wel tijdig ingelicht worden...
Binnen een uur had ik alles geregeld, het bankje naast de Denker was voor een week volgeboekt. Over zeven dagen zou het mysterie opgelost zijn, of in ieder geval, dicht bij een ontknoping.
Maar de volgende dag kwam het meisje niet. En de dagen daarna ook niet. We waren diep teleurgesteld en ook de dame in het wachthokje begreep er niets van. Vanaf nu was zij onze enige bron en ze deed wat ze kon om ons te helpen. We bestookten haar met vragen en we kwamen te weten dat het meisje drie maanden achtereen elke dag het park bezocht had. Ze verscheen 's middags tegen een uur of twee, ze kocht een kaartje, liet het in een van de zakken van haar mantel glijden, liep langs het wachthuisje en sloeg dadelijk rechtsaf om haar standplaats in te nemen. En dan stond ze daar, tot sluitingstijd, en wachtte en staarde.
Ze vertelde ook dat het meisje haar dadelijk was opgevallen, de eerste dag al. Ze wees op haar eigen ogen, en op haar eigen haar, als wilde zij het opvallende verschil tussen die twee elementen, die zich in het gelaat van het meisje zo vloeiend verenigd hadden, aanduiden, zonder het uit te spreken. Ze omschreef haar uiterlijk als 'van een mystieke bekoring', maar was toch vooral verbaasd geweest over haar manier van doen die 'op een hoogst interessante wijze' afweek van het gedrag van de doorsnee bezoeker.
Toen we haar vroegen of het meisje ooit het museum bezocht had, schudde ze haar hoofd. 'Nee,' zei ze en daar was ze heel zeker van. Het meisje was enkel in de Denker geïnteresseerd geweest en ze had daar dagelijks bijna dertig francs voor betaald.
Ze zweeg en trok een laatje open, en haalde er een polaroid uit. 'Die heb ik bewaard,' zei ze eerbiedig alsof het een heilig bidplaatje betrof, en schoof de foto onder de glazen ruit door, 'iemand heeft hem verloren, denk ik...'
Er staat een groepje Japanse toeristen op de polaroid, met het museum als decor. Aan de rechterkant zijn nog net het hoofd en de gekromde rug van de Denker te zien. En het meisje. Ze wacht, haar handen zijn verborgen in de zakken van de beige mantel. Haar profiel is wazig en onscherp. Haar blik is gevestigd op de zittende, denkende man, die elk moment kan opstaan, om haar een hand te geven, haar te kussen.
Als we de foto nauwkeurig bekijken, onze ogen half dichtknijpen en door onze wenkbrauwen turen, is het net alsof haar mondhoeken iets omhoogtrekken, alsof ze probeert te glimlachen.
De scenarioschrijver meent ook in het gezicht van de Denker een wijziging te zien. Hij spreekt van een lichte verhoging van het hoofd en hij beweert dat zijn rug iets minder kromt. Sommigen zijn het met hem eens, de dame in het wachthuisje knikt begrijpend, anderen twijfelen.
Ik doe mijn best, maar ik kan niets ontdekken.

© Rijk De Jong