Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Derde prijs Verhalenwedstijd 1997

Lachen

Dave Goldstein

Met grote snelheid reden mijn broer en ik over de snelweg. Hij was trots op zijn auto. Het was een rode en een dure. Iets met turbo en injecties.
Toen ik zei dat het algemeen bekend was dat het geslachtsdeel van de bestuurder kleiner werd naarmate de snelheid van de auto toenam, zuchtte hij wat en trapte het gaspedaal nog verder in. Mijn vader had een Lada, maar toch huilde mijn moeder vaak, dus de theorie klopte inderdaad niet.
'Ik wist niet dat je van The Cult hield,' schreeuwde ik.
'Van papa geleend,' zei mijn broer, geloof ik.
De vriendin van mijn broer had een mantelpakje aan. Dat moest voor haar werk. Iets met delegeren. Ze stond op de stoep voor een groot gebouw. Ze keek op haar horloge. Mijn broer bood zijn excuses aan en wees naar mij. Ik bood aan om achterin te gaan zitten, maar vermeldde er eerlijkheidshalve wel bij dat ik dan waarschijnlijk zou gaan kotsen. Het hoefde niet omdat ik langere benen had.
Het Requiem van Mozart werd nu ingezet. De vriendin neu-riede mee op de achterbank. Mijn broer deed een zelfde poging. Ze waren niet geïnteresseerd in mijn uitleg over het stuk. Daar ging het niet om. Ik vroeg of ze lekker gewerkt had, maar dat scheen mijn broer al gevraagd te hebben. Ik moest beter opletten of anders mijn mond houden. Ik volgde hun gesprek tot we er waren. Dat was makkelijk, want ze zeiden niets.
Boven de deur hing een ballon. Mijn broer keek me aan alsof ik er een naald in zou steken. Hij vroeg of ik de avond niet zou verpesten door veel te drinken. Ik zei dat zijn gevoel voor etiquette voortkwam uit de wens van de mens om op de goden te lijken. Hij vond dat ik eens op moest houden om wijsheden te verkondigen.
Mijn moeder deed vrolijk de deur open, nog voor we hadden aangebeld. Ze is een vrouw van schaduwen, mijn moeder. Vaak doet ze de deur open voor een verdwaalde kat. Het leek alsof er iemand voor de deur stond, zegt ze dan.
Ze was vrolijk omdat wij het waren. Ze is altijd heel blij als haar kinderen thuiskomen. De vriendin van mijn broer neemt ze op de koop toe.
Het was druk binnen. Er werd flink gelachen, waarschijnlijk om mijn vader. Hij is heel erg grappig, mijn vader. In 1963, na een voorstelling van Hitchcocks The Birds in het Tuschinskitheater, toen iedereen nog doodstil en angstig naar de aftiteling keek, stond mijn vader als eerste op. Hij zei, hard genoeg voor de hele zaal om het te horen: 'Zo, de parkiet gaat mooi de deur uit!' De massale schaterbui die volgde, galmt nog steeds na in het theater. De grap wordt altijd naverteld op zijn verjaardag en altijd door hemzelf.
We feliciteerden hem en ik nam plaats op een tuinstoel die al klaarstond. Mijn broer en mantelpakje gingen de rij af en feliciteerden iedereen, waarop zij dezelfde felicitaties geretourneerd kregen.
Toen mij gevraagd werd wat ik nu zoal met mezelf deed tegenwoordig, wilde ik Descartes citeren, maar mijn vader stak er een stokje voor.
'Die zit nu in de klassieke muziek. Tja, ik heb mijn best gedaan, maar er is toch iets fout gegaan met zijn opvoeding.'
Iedereen lachte. Ik ook natuurlijk. Want ik zat helemaal niet in de klassieke muziek. Waar hij dat vandaan haalde weet ik niet. Misschien had hij het verzonnen, omdat hij zo graag wilde vertellen dat er toch iets fout was gegaan met mijn opvoeding.
Al snel had ik geen gesprekspartner meer. In mijn ooghoeken zag ik dat een neef hetzelfde lot beschoren was. Het duurde niet lang of hij wisselde van plaats met mijn buurvrouw, die de nieuwe buurvrouw bleek te zijn.
'Zeg, hoe gaat het nou met je?' vroeg hij. Elk jaar stelde hij dezelfde vraag. Hij had de indruk dat we op dezelfde golflengte zaten, dit keer omdat hij orgel speelde en ik in de klassieke muziek zat.
'Vrij goed, moet ik zeggen. En met jou?'
Een uur lang sprak hij over zijn hobby's. Orgelen natuurlijk, maar ook vliegtuigen. Hij had een slechte adem, waardoor ik veel bewoog met mijn hoofd. Hij zag dat als een teken van enthousiasme, dus kwam hij wat dichter bij me zitten. Hij had hele rare ogen, wat me nu pas opviel. Een uur lang keek ik naar zijn oren. Ze waren echt vreemd. Hij leek op een kat. Hij vroeg wat ik ervan vond. Hij lachte toen hij het vroeg, hield zijn schouders op en trok zijn wangen omhoog, dus zei ik dat hij gelijk had. Daarmee was hij tevreden en hij ging bij het groepje van mijn vader zitten, want daar hadden ze het over voetbal.
Mijn broer was in gesprek met zijn vriendin. Iets met delegeren en injecties.
Ik zag een schaduw en besloot open te doen. Het was mijn oom. Hij had een hoed op. En een sigaar in zijn mond, maar dat was niet bijzonder. Het zou pas bijzonder zijn als hij geen sigaar in zijn mond had. Aan zijn arm hing een meisje dat waarschijnlijk zijn secretaresse was. Hij wisselde van secretaresse zoals ik van onderbroek wisselde. Hij was de enige in de familie met een secretaresse. Mijn broer hoopt de tweede te worden. Hij oefent met zijn vriendin.
Door de sigaar was hij onverstaanbaar, maar het was duidelijk dat hij zichzelf voorstelde. Ik zei dat ik zijn neef was en dat wij ons elk jaar opnieuw aan elkaar voorstelden en dat het toch echt een keer afgelopen moest zijn omdat het gênant werd. Hij keek me nog eens goed aan en barstte toen in lachen uit omdat hij dat natuurlijk wel wist en een geintje maakte. Hij vroeg wat ik toch zoal met mezelf deed tegenwoordig. Ik zei dat ik in de klassieke muziek zat. Dat vond hij toevallig omdat hij net naar New York ging om een strativarius te kopen. Dat was verdomd toevallig. Zijn jas viel op de grond omdat hij dacht dat ik hem aan zou nemen omdat ik mijn hand per ongeluk uitstak.
Ik rookte een sigaret en zag hoe mijn oom verwelkomd werd door iedereen, vooral door mijn broer. De secretaresse gaf iedereen een handje en zocht een lege stoel. Toevallig was er naast mij nog een vrij.
'Is deze stoel vrij, meneer?'
Ze had het tegen mij. Ik vind het leuk als iemand mij meneer noemt. Ze had een minirok aan. Mijn moeder kwam aangesneld met een glas rode wijn, die niet voor mij bestemd was.
'Dank u, mevrouw,' zei de secretaresse.
Omdat ik vond dat ook ik recht had op een gesprekspartner, richtte ik mij tot haar. 'Dus jij bent secretaresse,' zei ik.
'Ja. En u, wat doet u?'
'Ik zit in de klassieke muziek. En ik ben niet oud genoeg om een meneer te zijn. Mijn naam is Eduard.'
'Hoi, Eduard, ik ben Marie-Elle.' Ze gaf me een hand. Die was warm. Ze was erg beleefd. Ze was het beleefdste wezen dat ik ooit had gezien. Dat kwam door mijn oom. Als ze niet beleefd was, zou ze haar baan misschien verliezen.
'Wat vind je hier nou van?' zei ik, wijzend naar iedereen.
Een piepend geluid als antwoord. Uit haar tasje haalde ze een telefoon. Terwijl ze me verontschuldigend aankeek, voerde ze een kort gesprek. Ze liep naar mijn oom die het gesprek overnam. Hij praatte heel hard. Mijn broer luisterde mee. Iedereen luisterde mee. Mijn vader kondigde een mop aan, maar dat moest wachten. De muziek ging uit. Het was alsof we wachtten op het einde van de wereld. God sprak aan de andere kant van de lijn. Toen was het gesprek voorbij en mijn oom zei dat het hem speet dat hij zelfs hier niet van zijn familie kon genieten. Iedereen knikte begrijpelijk. De muziek ging weer aan, mijn vader vertelde zijn mop. Iedereen lachte. Marie-Elle had inmiddels weer naast mij plaatsgenomen. Ze zat op het puntje van haar stoel, op zoek naar iemand die haar van mij kon verlossen. Ze maakte in ieder geval geen aanstalten om ons gesprek voort te zetten. Dat vond ik onbeleefd.
'We werden onderbroken. Ik vroeg wat je hier nou van vond.'
'Hoe bedoel je?'
'Zo'n verjaardag met allemaal vreemden. Dat moet toch vreemd zijn. Ik vind het al vreemd, en ik ben niet eens een vreemde.'
'Ach,' zei ze.
Daar bleef het bij, wat ik vreemd vond. Ze knipoogde even naar haar baas.
'Neuk je met hem?'
Voor ik het wist had ik het gezegd. Soms zeg ik best zinnige dingen als die in me opkomen, maar nooit wordt het gewaardeerd. Even betrok haar gezicht. Ik had verwacht dat ik een klap zou krijgen. Ik heb vaker klappen gehad als ik iets zomaar zei. Ze keek om zich heen om te zien of iemand het had gehoord. Dat bleek niet zo te zijn, wat haar zichtbaar opluchtte. Ze herstelde haar glimlach, nam een slokje wijn en zei toen fluisterend: 'Luister, eikeltje, ik wil mijn baan niet verliezen, maar geloof me, als je nog zoiets zegt zal ik persoonlijk je ballen omdraaien. Heb je dat begrepen?'
Ze zei het zonder haar lach te verliezen. Na twee trekjes van mijn sigaret besefte ik wat ze had gezegd. Ik moest glimlachen. Even later kreeg ik pijn in mijn buik van het lachen. Dat werd opgemerkt, vooral door mijn vader. Die kon een mop ruiken op een kilometer afstand. Hij wilde de mop horen. Ik hield het niet meer en ging naar het toilet.
Toen ik terugkwam, lag iedereen in een deuk, behalve de vriendin van mijn broer. De secretaresse had het klaargespeeld om een goede mop te vertellen, een vieze, en dan ook nog op zo'n manier dat haar baas er geen moeite mee had. Dat vond ik vrij knap.
'Dat is aardig gelukt,' zei ik zachtjes.
'Ik meende wat ik zei,' zei ze, 'flik me dat niet nog eens.'
'Ik zou niet durven, ik geef me gewonnen.'
Ik meende het niet. Soms moet je gewoon je meerdere erkennen, maar dan wel pas na een hevige strijd.
De hapjes kwamen op tafel. Galant hield ik een bord omhoog.
'Hier, neem een bitterbal, ik hoop dat je me kunt vergeven.'
Even twijfelde ze, maar ze nam er een.
'Vergissen is menselijk, vergeven is goddelijk,' zei ze.
Verbaasd keek ik haar aan.
'Je hebt zojuist de paus geciteerd,' zei ik.
'Streng katholiek gezin.'
Mijn vader begon een liedje te zingen. Iedereen stond op om mee te doen. Daardoor keek ik per ongeluk onder de rok van Marie-Elle. Ik zong niet mee.
Toen ze weer zat kreeg ik een ingeving.
'Zullen we naar boven gaan?' fluisterde ik. 'Ik ben erg eenzaam en heb het al jaren niet meer gedaan.'
Nu hield ik mijn gezicht alvast klaar. Maar ze gaf me geen klap. Ze glimlachte.
'Quid agis, prudenter agas et respice finem,' zei ze. Bezint eer ge begint. Dat klonk goed, al had ik liever dat ze me een klap had gegeven.
Ik stond op en liep naar boven, naar mijn oude slaapkamer. Het bed stond er nog. Ik herinnerde me dat ik hier nog nooit met een meisje naar bed was geweest.
Even later stond ze voor me. Ik wilde wat zeggen, maar dat mocht niet van haar, ze legde haar vinger op mijn mond. Ze ging op haar knieën zitten en deed mijn gulp open. Ik moest mijn ogen dichtdoen en viel bijna achterover.
'Ben je er klaar voor?' vroeg ze.
'Ja, mevrouw,' zei ik.
Toen kneep ze in mijn ballen. Hard. Echt heel erg hard.
Iemand vroeg aan mij waarom ik zo gebogen liep. Ik zei dat het kwam omdat ik misselijk was. Dat was ook zo. Mijn vader vertelde een mop over een man die bij de dokter kwam. Marie-Elle was weg, evenals mijn oom. Naar New York, om een strativarius te kopen. Mijn broer zei dat we zo weggingen, omdat ze vroeg op moesten. Ik zei dat ik achterin wilde zitten.

© Dave Goldstein