Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Eerste prijs Verhalenwestrijd 1997

Geen verhaal

Wim van Elst

Ondanks een wijdverbreide en hardnekkige legende die het tegendeel beweert, valt er om de haverklap een mus dood waar geen god weet van heeft, laat staan dat hij er zich ook maar in het minste om bekommert.

Je stapt een deur uit, loopt naar links of naar rechts (niet rechtdoor want dan kom je een andere deur weer in), je benen bewegen maar dat weet je niet, je heupen wiegen maar dat besef je niet, je hoofd gaat op en neer zoals je adem maar dat merk je niet omdat je iets neuriet, of denkt, of denkt te denken, of stomweg stapt en zodoende op een kruispunt komt dat je oversteekt (nu toch rechtdoor, niet links, niet rechts, rechtdoor) met een verkeerslicht in je zak.

Aan de overkant een zeldzame passant die wablief zegt, waardoor het tot je doordringt dat je tegen jezelf loopt te praten (Wablief, wablief?), maar de zeldzame passant is inmiddels de stokdove rechterhoek - in je rug de linkerhoek - omgelopen en dus blijft er alleen een vraagteken hangen over welks aanwezigheid komende generaties zich kunnen verbazen.
(Als ze nog komen.)

Back to business.

Wablief, wablief? Dat vroeg (stamelde, hikte, dàt procédé dus) zij toen ik haar de hemel probeerde te beschrijven als de woning van een anachoreet waarvoor ik wel het materiaal wilde leveren.

Nog voor de volgende zijstraat vol marktlopers, kroegschuimers, neringdoeners, valsmunters, filatelisten, numismatici en teven - en niet te vergeten de kruidenbranders, de vervaardigers van handgeschepte zeep en de persers van maagdelijke oliën - is het je duidelijk (of ook niet) dat je nagekeken wordt, met de vinger gewezen.

Je meent het te merken aan de mussen die de paardenvijgen mijden (die daar door de plantsoendienst zijn gedeponeerd) - en dat je verzuimd hebt je haar te kammen, waarschuwt de spiegel op de straathoek waar zoveel blikschade heerst. Netjes is anders.

Maar terug naar de werkelijkheid.

Ze geloofde me niet (of ze deed alsof) ofschoon haar getuite lippen in schaamteloze tegenspraak (of voorspraak) waren met de hitsigheid (bronst, balts, die werkwijze dus) die ze voorgaf niet te willen koesteren noch te durven laven.

Je stopt en draait je om in één en dezelfde kundige, snelle voetbeweging. Maar alles lijkt in orde. Alle zonnebrillen kijken een andere kant op, de vingers zijn verdwenen om de hoek van de vitrages, enkel de om de rand gehaakte kootjes verraden hun te late aftocht. Alleen die zoutzuil stond er niet daarnet, dat weet je zeker (maar weet je dat?).

En terwijl je voetzolen nog nabranden van het plotse pivoteren (waar zijn je schoenen, waarom draag je zelfs helemaal geen kleren - geen wonder dat er opstootjes van komen -, wat doen die belachelijke veren in je haar, dat kaf in je stoppels, dat been door je neus, die kringen om je ogen, die strepen op je borst, die veel te grote strik rond je geslacht?), is het plots niet langer een zich opdringende gedachte dat je praat tegen jezelf, je hoort het ook heel duidelijk (maar hóór je het?).
Je zegt (zingt, zeurt, zemelt, dàt soort stijlfiguur dus): Ik stapte een deur uit en geen andere in. Ik bekende geen andere deur, waarvoor zal ik mij verantwoorden? - Wablief, wablief?

No nonsense.

Hoe ik me trouwens zoiets voorstelde, wilde ze weten. Ja, zeg, hoe stel je je zoiets voor (als je dat al doet)?

Als bloeden uit vele wonden tegelijk.
Als je beurt overslaan bij een draaideur.
Als geld tellen dat je net uit een sloot hebt gevist.
Als struikelen voor dageraad.
En andere nieuwe zegswijzen.

Ze fronste, rimpelde (of ik soms woordenboeken las en, zo ja, helemaal uit? - Ja, maar alleen de pockets - dat soort voorspel dus), boog tenslotte, nam me troostend (maar wie?) in haar benen en legde me daardoor het zwijgen op.
Of ik niets zou doen dat ze niet wilde? Maar wat wilde ze niet? En hoe moest ik daarop antwoorden met een omvangrijke hydrografie in mijn mond? Dus deed ik wat ze niet wilde en ze wilde het. De hele nacht met al haar kracht, zodat er een liedje van lang geleden door mijn hoofd ging spoken, trillend en wild (ofschoon waardeloos en treurig en onoprecht) als een orgasme op hoge zee.

Zo is het wel genoeg.

En nu pas komt de zijstraat en ze is vol zoals (en van wie) hiervoor eerder beschreven en dus loop je door, zoals je een eerder gelezen bladzijde omslaat (maar niet de hoek dus). Zoals je een beurt, een mens, een dag, een stap, een gedachte overslaat en als een kolentrein langs je eigen slagbomen knarst, onverschillig nagestaard door handwerklieden, pachters en voerlui, en door schonkige deernen die zich verderop in de berm luidkeels aan het leven wagen.
Je loopt door (er zit niets anders op) en poogt de woorden in je hoofd als een zakdoek te verliezen in de hoop dat geen oplettend medemens je naroept.
Je loopt niet tegen de richting noch tegen de tijd, maar tegen het vocabulaire van de zelfredzaamheid, van het geredekavel met jezelf waar iedereen bijstaat. Want je weet dat waar het varken schreeuwt, de slager in de buurt is.

Tussen de radeloze rituelen van de wellust (obras completas) en de beroezende bedrijven van het witgevlokte herdersspel door (met herhaaldelijk aanzwellend, tweestemmig en langgerekt gejengel, gevolgd door ritmisch geknor), grepen er merkwaardige conversaties plaats, vreemde dialogen, schimmige gelegenheidstweespraken die een nietsvermoedende buitenstaander - had hij er getuige van kunnen zijn - danig verontrust zouden hebben en waarvan het volslagen gebrek aan zin en betekenis het onmogelijk maakt ze achteraf te reconstrueren. Ze zouden dan ook geheel onvermeld gebleven zijn, ware het niet voor de volledigheid, terwijl er voor de juistheid ervan niet valt in te staan.

- Wat ik van haar vond dat ze zich zomaar gaf?
- Wat ze van zichzelf vond dat ze me zomaar nam?
- Of ze me nog terug zou zien?
- Was het dan de bedoeling dat ik wegging?
- Of ik dan geen beroep had dat me buitenshuis verlangde?
- Merkte ze dan niet dat ik verlangens had die me toeriepen binnenshuis te blijven?
- Wat ik van haar borsten dacht?
Geen antwoord voor zover bekend.
- Wat zij van mijn apparaat vond?
Haar kontje ging prompt omhoog.
- Of ik straks broodjes haalde terwijl zij koffie zette?
Mayday! Mayday!
Oudbakken huiselijkheid.

Einde van een dialoog, begin van een ritueel, lendendoek op voor het zesde en laatste bedrijf, tijdens hetwelk je die veel te grote strik rond je geslacht oploopt - met in je rug het trillende nahijgen, de brandende blikken en de om de horizon gekromde vingertjes een deur uitstapt en naar links of naar rechts loopt (even broodjes halen) en nu al voorbij de neringdoende zijstraat doorstapt (steigert, stulpt, stuipt) naar nergens.

Dat soort taalverbijstering dus.

Hoe en waarom kwamen die twee verhalen (jouw aftocht, haar intocht) samen op het punt waar je net de laatste zijstraat ter wereld links hebt laten liggen en daarmee de laatste vluchtroute voor de woordenstroom die als braaksel uit je gulpt, de monomane monoloog die je nu met grote stelligheid ook wèrkelijk hoort (het kan je niet schelen, waar je nu loopt is er nog nooit een wablief vernomen) maar die zich in het opgeschrevene niet laat vatten, in lege letters veralfabetiseert (Vermoeiend Maniertje).
Ja, hoe? (Hoe? hoe?)
Ja, waarom? (Waarom, waarom?)
Omdat alle verhalen altijd samenkomen op een punt waar de zwaartekracht niet méér is dan een treurige legende.
Het is verre van zeker maar zoals bekend stelt het landschap nu en dan orde op zaken.

¿Algo màs?

Nu moeten ze samen klaar zijn, de koffie en het meisje.
Ze druppelen nog na. Haar ondergoed heeft niet langer beroepsverbod maar één vingerknip kan volstaan.
Ze denkt, de broodjes zijn onderweg.
Daarna de rest.
Te veel denkt zij.
Exit het meisje.

Een paar duizend woorden later, waarvan vele overgeslagen (een beurt, een dag, een leven), sta je bij de spoorweg, waarop de kolentrein al lang het holst van de horizon bereikt heeft en die door de overstekers verruild is voor hun kolenbrandersholen, zoals door de langsligsters voor hun uitgedoofde echtgenoten.

Zo is het goed. De wereld heeft zich ontdaan van zijn verspieders. Zo krijg je rust.

Je stapt de sporen op, hurkt ertussen, gaat er dwars over liggen, vlak naast - zoals je niet zonder enige verbazing merkt - een hoopje paardenvijgen die daar door een doodsbang en volslagen gedesoriënteerd paard moeten zijn gedeponeerd (de plantsoendienst komt hier niet en de spoorwegmaatschappij houdt zich daar niet mee bezig) en waarop twee mussen mekaar naar het leven staan.

Je ligt en beidt je tijd en hoort niets meer. Alle woorden zijn op, verslonden door de taal en uitgescheten door de tijd. Nog even en dan komt de trein. En terwijl je denkt de broodjes, word je in verschillende artikelen verdeeld.

Een woord, een woord, mijn koninkrijk voor een beklijvend laatste woord.

Wablief, wablief?

Waar het varken schreeuwt, is de slager in de buurt. Tegen zoiets heb je geen verhaal.

© Wim van Elst