


|  |
NACHTEN IN GRANADA
Jean Pierre Dumoulin
In de bar hangt een bericht: alle alcoholische dranken in dit etablissement zijn van de beste kwaliteit. Dit wordt gegarandeerd door de provinciale dienst voor gezondheid. Ik blijf er verbaasd naar kijken, terwijl mijn tegenzin bijna afkeer wordt als de reuk van bier in mijn neusgaten dringt.
Het is vijf uur in de ochtend, in Granada.
De hele nacht bleven groepjes jongeren langs mijn hotelkamer lopen, zingend en lachend. Tenslotte stond ik op en wilde zelf naar buiten, slapeloos, maar de deur van het hotel was gesloten. Vloekend en helemaal aangekleed stootte ik mijn heup tegen een stoel en plots, van achter een kamerscherm, dook een kleine man op, in een rode deken gerold. Hij had de sleutel en liet mij eruit. De jongens en meisjes bleven komen, een eindeloze stroom, allemaal vanuit dezelfde richting, waar een discotheek was, en wat verder de bar waar ik binnenging.
Het meisje dat mijn bier inschonk heeft grote borsten. Ze draagt een open bloes die ze nu en dan in een vaag gebaar dichtmaakt, maar als ze zich bukt zie ik bijna alles, het topje net nog gevat in witte kant.
Ze kijkt volkomen onverschillig in mijn richting.
Alle vrouwen hier, honderden, duizenden vrouwen, hebben zware borsten. Ze dragen spannende shirts of open bloezen en lopen rechtop, klein, donker, met zijn tweeën gearmd, en duwen hun tieten vooruit, als een nauwelijks vermomd bericht, als fruit aan de bomen van de plaza de San Juan de Dios.
Ik zou ze willen aanraken, een droom: ik neem het meisje achter de bar bij de arm en trek haar naar mij toe, mijn lippen raken haar hals, ik schuif de bloes van haar schouders, trek het witte topje naar beneden en streel haar borst. Ze opent haar donkere lippen maar zegt niets, ik schuif de beha af, haar peervormige tieten hebben kleine donkere tepels, ik zuig eraan tot ze hard zijn, dan duw ik haar gezicht naar mijn schoot, ze opent mijn broek en slokt mijn penis op, ik schud haar borsten, ze schuift heel snel op en neer met haar mond rond mijn schacht, ik kom klaar maar ze heeft zich opgericht en mijn zaad kleeft aan haar borst. Ze doet haar bloes dicht.
Later loop ik door de brede lanen met de toch altijd onverwachte palmbomen. Er is geen verlichting, alleen de groene kruisen van de farmacias blijven flikkeren.
Een wind van vuil papier waait over de boulevard en katten, mager en hooghartig, zitten als kleine tuinbeelden op de grasberm en kijken mij aan.
Die namiddag, in het Alhambra zag ik ook ontelbare katten en ongelooflijke ceramiek, hallucinante zolderingen als het inwendige van bijenkorven, gecompliceerde honingraten, en licht. De kleuren van het licht rondom het Alhambra zijn zo talrijk als de struiken in de tuinen. Er is blauw en paars en nog een ander, helderder blauw en lichtblauw gemengd met een nevel die nergens vandaan schijnt te komen maar die het intense licht filtert, het doorkruist en verdeelt, zodat je boven op de torens van het oude fort, waar de stad in witte vierkanten diep beneden ligt, tientallen soorten klaarte ziet, boven de bergen zachter en getemperd maar aan de andere zijde onwezenlijk helder alsof het uit een spuitbus komt, of zoals je ziet op de onwerkelijke landschappen op de panelen van Chinese restaurants.
En dan is er water. Het stroomt en vloeit overal, langs de trappen, in kleine koperkleurige bekkens en grote fonteinen en in de langwerpige tuin van de sultan in het Generalife, waar de vrouwen van zijn harem op de eerste verdieping woonden en waar geen geluid mocht zijn, omdat de sultan alleen de klank van de fonteinen en het gezang van de vogels wilde horen.
De gids vertelt dit met een gedempte stem, de geest van de sultan staat aan zijn zijde.
Het geluid van water is verder overal in de stad aanwezig, op de plazas, in waterbekkens langs de drukke straten en in de hoge fonteinen op de boulevards die vanop een afstand stoom lijken af te geven, zelfs in de souvenirwinkels in de oude Moorse wijk bij de kathedraal, waar kleine lavabo's te koop zijn, met blinkende kraantjes waaruit zachtjes het water vloeit, maar het is moeilijk te horen, het geluid stroomt laag en soms ondergronds zoals het water zelf, en de auto's, de bussen, het geroep van de mannen die loterijbiljetten verkopen, hay loteria de Navidad, de fluitende agenten bedekken het met een laag lawaai, zoals kanalen in noordelijke steden overdekt worden maar mijlen verder plots aan de op- pervlakte komen, aan een brug, op een plein van stilte.
Een man komt mij langzaam tegemoet, met twee krukken onder zijn oksels geschoven. Hij is klein en oud en zingt. Hij zingt alleen voor zichzelf, alleen in de straat, een soort flamenco, wat doet hij hier op dit uur, in deze wazige nacht? Dan draai ik de hoek om en zie in de hoogte het monumentale Alhambra dat de stad domineert als een oude leeuw die op een rots ligt.
Ik passeer twintig kerken, de kathedraal die lomp en amechtig als een katholieke Eiffeltoren in het centrum van de stad ligt, omringd door winkeltjes waar men ceramiek en Spaanse jurkjes voor barbiepoppen kan kopen, en beland weer bij het hotel, de ochtend duikt op in overal ratelende rolluiken en zware pakken samengebonden kranten.
De nachtwaker opent de deur en ik strompel naar boven waar het bed nog harder is dan ik mij herinner. In mijn keel
voel ik een aanhangsel, een stok die mij belet te slikken. Ik blijf op mijn rug liggen en wacht tot ik zal kunnen braken in de lavabo. Die spoelt niet goed door en ik moet in mijn bezwete ondergoed naar de gemeenschappelijke badkamer waar de wc-bril dan nog afbreekt en er geen zeep meer is. Als ik snuivend en met rode vlekken op mijn shirt in de gang sta, zie ik een man en een vrouw, met wit haar, die verbaasd naar me kijken.
'Gutenmorgen,' zegt de man.
'Buenas Dias,' zeg ik en haast mij naar de kamer waar ik in zweet en stank op het ijzeren bed in slaap sukkel.
Elf uur in de luidruchtige ochtend, na twee kopjes bittere koffie en toost met olie en azijn overgoten, wandel ik de calle de San Juan de Dios in en sta stil voor de kerk. Aan de lage deur staat een bedelaar, met zwarte handen en strepen vuil op zijn gezicht. Ik ga de kerk binnen maar moet eerst een lederen gordijn opzij duwen. Dan word ik overweldigd door het goud, het altaarstuk is misschien dertig meter hoog, met bovenaan een Mariabeeld in helderblauw, en de priester staat er nietig voor, gebogen onder de intense schittering van goud en goudverf. Ook rechts en links, in de smalle zijbeuken, is alles van goud. De rest van de kerk is bijna donker, alleen de hoge ronde koepel heeft een versiering in ceramiek, de stempel van de moskee. Tegen alle pilaren en in alle nissen zijn beelden geplaatst van wenende Christussen, Maria's met smalle gezichten als in schilderijen van Modigliani, heiligen met bleke handen, want de Spanjaarden hebben hun witte steden moeizaam en ten koste van veel mensenlevens op de islam heroverd en de moskees tot kerken hervormd met een ware furie van beelden en kruisen en schilderijen en goudverf, om dat verleden van blauw en groen en zachte geometrie te overdekken met de barokke, bloedende symbolen van het katholicisme. Uit al zijn poriën, uit alle spleten en voegen tussen het metselwerk zweet dit gebouw een diep en dof geloof, nonnen zitten als gevouwen mantelkappen op de lage banken, hier zijn geen zachte stoelen met rood fluweel bekleed, wie komt bidden moet het hout in zijn knieën en zijn billen voelen, de god heeft een van pijn verwrongen gezicht, de maagd draagt namen als la virgen de las lacrimas.
Ik ga terug naar buiten en zie dicht bij de deur een verbazingwekkend toestel: het is een glazen bak met tientallen lampjes erin, in de vorm van een kaars. Als je een muntstuk van honderd peseta's in een gleufje stopt, gaat er een lichtje branden. Een automatische offerblok, enige toegeving aan de moderne tijden.
De bedelaar zit nu ook op zijn knieën, hij wiegt voorover als een biddende Arabier en duwt zijn smerige hand bijna onder mijn neus, ik geef hem een muntstuk en hij dankt met een kruisteken.
Hier weegt nog de last van het kruis.
Zelfs in de bars bij de plaza del Carmen, waar de donkere hammen aan de zoldering hangen en zware tapas vol olie en pimento bij elk glas worden geserveerd, hangen portretten van de maagd en zware kruisbeelden boven de schotels met olijven.
Maar in de Taberna de Antonio Mendes hangt er ook een foto van Garcia Lorca, als dandy met spottende ogen, vedette van de poëzie. En in de optiekzaak enkele meters verder zegt een reclametekst voor contactlenzen: 'Vi en tus ojos dos arbolitos locos. De brisa, de visa y de oro.' Een fragment uit een gedicht van dezelfde Lorca.
Voor het uitstalraam staan twee guardias, onbeschaamd, met hun pistolen in zwarte lederen holsters en kijken naar de vrouwen die voorbijschuiven op kleine ronde voeten.
Ik ga een bar binnen met een lange metalen toog en overal foto's van de processies en optochten in de Semana Santa. Mannen met hoge witte kappen, als leden van de Ku Klux Klan, dragen heiligenbeelden en slepen zware kruisen op hun rug. Tussen al die foto's een affiche voor een stierengevecht en de aankondiging van een voetbalwedstrijd, Sevilla tegen Real de Madrid. De bar is vol.
Het lawaai is ontstellend. De mannen roepen, de vrouwen hebben stemmen als scherpe messen, glazen schoteltjes met inktvis en olijven worden letterlijk op de toog gegooid en een man slaat met de vlakke hand op de muur om zijn verhaal kracht bij te zetten.
Ik duik in een bad van geluiden, een ontploffing.
De schoenpoetser die binnenkomt met zijn houten doos wijst op mijn schoenen en zegt: ze zijn vuil.
De stad beweegt traag heen en weer als ik op straat sta. De wanhoop kruipt als een of ander insect over mijn lichaam maar het ergste is de druk vanbinnen, het tergende verlangen naar niets, de queeste naar het ongeluk.
Opnieuw word ik dronken, zware Spaanse wijn vult mijn maag, ik ken geen andere remedie tegen de kwaal van het zinloze verlangen. Op een stenen bank blijf ik zitten, gebogen en hijgend, met open mond. Alle winkels zijn dicht, alle hekken gesloten.
De dood wandelt door deze stad als een deurwaarder. Secuur en onbewogen wijst hij mensen aan die kreunend en onbegrijpend sterven, een oude man van wie de kin is opgebonden met witte bandages wordt als breekbare waar voorzichtig in een ambulance geladen, een vrouw met een grijs gezicht zit op een stoel op het balkon van haar afgetakelde huis.
In de ziekenhuizen met de lange christelijke namen vallen de apparaten stil, snellen verpleegsters de kamer binnen, wassen chirurgen in aangeleerde berusting hun handen, de groene maskers op de borst.
Een priester, voorafgegaan door een jongetje dat met een wierookvat zwaait, haast zich uit een zijpoort van de kerk, weduwen in zwarte rokken die al bijna grijs zijn geworden, troepen samen in het portaal en een klok maakt een onmachtig geluid, een waarschuwing voor al wat reeds voorbij is.
Slaaptabletten wil ik, valium, een revolver.
Ik wil alle witte pillen van de farmacia in een groot glas mengen met whisky of wijn en die poederige cocktail in grote slokken leegdrinken en dan gaan liggen, in het gras, en nooit meer de ogen moeten openen of de zon zien en de kleffe smaak van ochtendkoffie proeven. Maar ik loop door, met een pijn in de kuiten die steeds erger wordt.
Aan een telefooncel blijf ik staan en draai Laura's nummer. Ik moet herbeginnen, heb iets verkeerds gedaan maar de tweede keer is er verbinding. Haar hallo klinkt zwak, krachteloos.
'Moet ik hier in het buitenland voor je sterven?' schreeuw ik en hang op, ik sla de hoorn in de haak en ga verder. Aan vele straathoeken zijn mozaïeken in de buitenmuren van de huizen gemetseld waar de staties van de kruisweg op zijn afgebeeld. Je kunt hier een wandeling maken met een denkbeeldig kruis op je rug, struikelen bij de Iglesia del Sagravio, wachten op de zweetdoek van Veronica aan de Plaza de la Universidad, maar alleen de getaande gitanas met hun schorten en plakkende haren bieden je een palmtakje aan.
'Por l'amor, señor.'
'Ach señora, er is geen liefde, alleen illusie.'
'Dat is waar señor, dat is waar. Maar een palmtakje helpt, een palmtakje gezegend door de maagd van de zeven smarten.'
'Zeven smarten, dat zijn er nog te weinig om alle zorgen van de liefde te noemen, señora.'
Ze ziet plots een toeriste, met dikke blote schouders en zware schoenen, en schiet ernaartoe. Ze duwt haar onnozele takje in de handen van het meisje, por l'amor, guapa, en krijgt een handvol peseta's. De toeriste blijft wat eenzaam achter, een fototoestel bungelt op haar buik, het palmtakje als een afgerukte tak van een boom in haar handen.
Plots ben ik omringd door mensen, een stoet van vrouwen in spannende rode kleren, met een hoge zijsplit zodat hun dijen zichtbaar zijn als ze lopen, kanten sjaals om de schouders gewonden en zelfs platte ronde hoeden, en mannen in kostuum, met ongelooflijk gepoetste schoenen, donkere spiegels.
Vier militairen met een zwaard aan hun riem staan rondom een vrouw in het wit.
Maar er is nog een andere stoet, de kerkdeur gaat open en vier sombere mannen dragen een kist, overladen met purper en vallende bloemen. De huwelijksgasten wijken uiteen, ik sta alleen voor de naderende kist, misselijk van de wierook, er zijn wel zeven of acht priesters, dan volgen huilende vrouwen.
Zwetend wring ik mij tussen de huwelijksgasten, de naakte rug van een jonge vrouw ruikt zacht als een vers hoofdkussen.
Ik moet ergens binnen, de koelte zoeken want mijn mond is te droog, eerst iets drinken.
De lucht van gebraden vis in olijfolie is bijna te sterk, ik vraag bier en krijg onmiddellijk een schoteltje met gebraden worst en brood in pikante saus. De tapas zijn eindeloos, het bier doet zijn werk en ik praat in onbeholpen maar zelfverzekerd Spaans over België, voetbal en de burgeroorlog.
'Ik had twee grootvaders,' zegt een man, 'die alletwee in San Sebastian woonden, de ene heeft de andere in volle straat, op klaarlichte dag, doodgeschoten. Zo was het in die tijd.'
'Broers tegen broers,' zegt de barman. 'In de dorpen van An-dalucia liggen de tegenstanders van weleer zelfs op de kerkhoven nog gescheiden.'
Waar moet ik heen, denk ik, ik loop in kringen, als het nu nog burgeroorlog was werd ik lid van de internationale brigades om te sterven, een ouderwets en zwaar geweer in de hand, ergens in een droge rode vlakte waar de struiken op uitgedroogde sponsen lijken. Een klap op de volle borst, het hoofd dat achteroverslaat, een foto van Robert Capa.
Later, in de airconditioning van een cultureel centrum, zie ik die beroemde foto, maar ook andere: tien gefusilleerde leden van de Parijse Commune, met een nummer op de borst, in nauwe open lijkkisten geduwd en gefotografeerd als in een poging tot identificatie, nooit werd de realiteit van de dood door geweld, het achteloze en mathematische ervan, zo cru vertoond.
Tegen een andere muur een der merkwaardigste foto's die ik ooit zag: het hemd van keizer Maximiliaan van Mexico, waarin hij door de troepen van Juarez werd terechtgesteld, gespijkerd op een deur en vastgelegd op plaat door de hoffotograaf van de keizer zelf. Dit is een gruwelijke relikwie, een poging tot religie door middel van een stuk linnen vol donkere gaten en scheuren, vastgemaakt op een stuk hout.
De kleren van de keizer, maar dan omgekeerd.
Het doorzeefde lichaam is verdwenen, maar het hemd hangt daar als een symbool. Maar waarom de hoffotograaf? Hoe heeft hij het gedaan, heeft hij het hemd gestolen en ergens tegen de deur van een haciënda genageld? Hebben de rebellen er zelf om gevraagd en wilden zij een souvenir of heeft hij het beeld vastgelegd om aan de vrouw van de keizer te geven, die arme krankzinnige Belgische prinses? Er staat niets bij, het verhaal is niet afgewerkt, maar de foto is gebleven.
Ik sta en staar naar de zwart-witte glanzende beelden aan de muur, bekijk de andere bezoekers, achteloos slenterend, sommigen verveeld, anderen met hun neus tegen de foto's gedrukt, en bedenk dat de ware emotie in het oog van de kijker ligt.
Wat heet angst of verdriet als men er een flits op loslaat en er voor enkele luttele seconden de uiterlijke tekens van vastlegt?
Was het kleine joodse jongetje, met zijn mantel en zijn grote muts, die de handen omhoog houdt voor het geweer van de Duitse soldaat, wel echt bang? Wij, achteraf, weten nu waarvoor hij bang moest zijn, wij kennen Dachau en de gaskamers en dokter Mengele, maar hij wist niets daarvan.
En wat voelde die soldaat, verscholen achter het harnas van zijn uniform, was het onzekerheid, onwennigheid, onbehagen, angst?
Wat betekent dat trouwens: verdriet? Ik voel wanhoop en vrees, maar die gevoelens zijn voor altijd vastgesmeed aan de plaag van het verlangen. Bevrediging betekent altijd mislukking, men rolt de kern van zijn ongenoegen in een dikke laag tevredenheid, zoals men een opstekende puist op de kin poogt te bedekken met een laag poeder of crème.
Het zijn zwachtels, succes is een deksel, mijn geluk een zeldzaam gevoel dat alleen achter een scherm van woorden kan bestaan. In de stilte wordt het deksel losgeschroefd en dan ken ik slechts de alcohol om, al is het maar een kort moment, tien minuten in het Bois de Vincennes, een vooravond op de dijk, drie minuten in een bar in Brugge, ook vanbinnen een zekerheid te voelen, een soort warmte.
Maar verdriet? Kan dat intenser zijn dan die schamele ogenblikken warmte?
Ik ben zeven jaar oud als de buurvrouw van de overzijde op de ruit van de keuken klopt.
'Het is madame Petitjean,' zegt mijn moeder.
'Er is telefoon voor u van de kliniek,' zegt madame Petitjean.
Mijn moeder loopt snel langs de achterdeur naar buiten, ik kijk door het venstertje en zie haar de donkerbruine deur binnengaan.
Achter mij, in de veranda onder het schuine dak van glas, waar de grote vogelkooi staat met de parkieten en de kleine vogeltjes met hun oranje bekjes, staat mijn grootmoeder. Ze leunt op een stoel.
Ik zie hoe mijn moeder uit het huis van de buurvrouw komt, die zelf ook op straat komt, enkele passen maakt maar dan aarzelt en stilhoudt.
Mijn moeder is nu binnen en zegt iets dat ik niet goed versta. Dan begint zij luid te huilen, mijn grootmoeder ook. Het is een soort ritmisch gehuil, heel luid, ik heb dit nog nooit gehoord, het klinkt mechanisch als het geluid dat dieren of speelgoedpoppen zouden maken, en ik zie hoe de vrouwen elkaar bij de schouders vast nemen en door de keuken bewegen in een soort dans.
'Bompa is dood,' zegt mijn moeder dan, haar stem klinkt opeens gewoon, en dan begint zij weer met open mond, happend naar adem, te wenen.
Later zal ik elk verdriet met argwaan bekijken. Steeds blijf ik aan dat moment in die keuken denken en voel herkenning als ik leer dat in bepaalde landen vrouwen ingehuurd worden om op begrafenissen en bij dodenwakes luid en openlijk te wenen. In Italiaanse films zag ik dat soms: oude vrouwen in zwarte kleren die gezamenlijk jammerden.
Zelf kon ik dat later ook, plots en jammerlijk in tranen uitbarsten, snot op de bovenlip, speeksel dat rondvliegt, om dan abrupt te stoppen. Dan veegde ik mijn gezicht af, stapte in mijn auto en reed weg.
Hooikoortsaanval gehad, zei ik, als iemand wat te lang naar mijn roodomrande ogen keek.
Verdriet, de tekenen die de anderen zagen, dat kon je naar willekeur aan- en afzetten dacht ik, het werkte meestal voortreffelijk. Het was geen theater, het was echt, op datzelfde ogenblik was het echt, maar het was niet meer dan dat en betekende vrijwel niets.
De straten zijn hier zo smal dat overburen elkaar kunnen aanraken en een hand geven, ze kunnen elkaars slaapkamers en keukens zien, de vaat op het aanrecht, de kleuren van de lakens.
Plots een dwarsstraat, de zon gooit emmers vol licht in mijn gezicht, overbelicht loop ik door, een scooter verschrikt de duiven die opwaaien als kranten. Iemand giet water op de bougainville en druppels spatten op de grond en op mijn vuile suède schoenen.
Ik ga binnen in een ouderwets café. Naast de bar, tegen de gele muur, hangt een opgezette stierenkop, de eens vervaarlijke horens als een triest wapen naar boven gericht. Een klein koperen plaatje vermeldt: in 1986 werd deze stier gedood door de matador Antonio Jimenez.
Waar is Antonio Jimenez nu gebleven? Heeft iemand een gedenkplaat voor de matador opgericht, leeft hij nog?
Deze eerbied voor het slachtoffer, het dappere maar bij voorbaat gedoemde dier zou de Spaanse ziel kunnen typeren: een mengeling van respect en hypocrisie leidt tot gedenktekens. Het katholicisme dat hier zo zwaar en hardhandig de geesten en de lichamen van de Spanjaarden in beslag heeft genomen, draagt een mengeling van schuldgevoel en wraakzucht in zich, van boete en tortuur.
De stierengevechten zijn een symbool: de stier moet dood, gekwetst door pieken en zwaarden, briesend van machteloze woede en blind van bloed wordt hij gedood door de matador in zijn pompeuze vergulde kleren, maar als eenmaal de rituele slachting is volbracht, wordt de stier vereerd, zijn kop wordt opgezet en in oude herbergen tentoongesteld als een christelijke relikwie, als slachtoffers van de inquisitie die later als heiligen worden aanbeden.
Replica's van Franco, kale mannen met een snor en levervlekken op de handen, roken sigaren en dragen gouden speldjes op hun jas. De rioja smaakt naar oude vaten.
Julio staat gebogen over de toog.
Julio is oud en met pensioen, hij was vroeger directeur van de studentenhuizen in Granada, hij verzamelt oude gouden munten, hij is homoseksueel.
Enkele kilometers buiten de stad, waar de heuvels reeds opbollen om de Sierra Nevada aan te kondigen en de sneeuw op de bergen ineens aan Zwitserland doet denken, heeft Julio met het geld dat hij van zijn moeder heeft geërfd een huis laten bouwen in Oudarabische stijl. Het heeft een patio, er zijn fonteinen en glanzende banken in de grote tuin en de woonkamer ligt vol tapijten en zijden kussens, er zijn geen stoelen.
Julio heeft kasten vol muntstukken, in elke lade zijn houten dozen opgeborgen vol gouden en zilveren munten, meer dan vijftienduizend, hij is rijk, hij zoekt iemand om zijn fortuin na te laten, zegt hij.
Als hij me opmerkt, verandert de uitdrukking van zijn gezicht, de doffe glans van eenzaamheid die zijn ogen bedekt als ochtendmist over water, trekt op.
Hij lacht vrolijk, maakt kleine danspasjes en vertelt mij over de vele soorten flamenco.
Julio lijkt op mijn vader, of beter op mijn vader zoals ik mij voorstel dat hij nu zou zijn, want mijn vader is al vele, vele jaren dood.
Hij verzacht zijn eenzijdig bestaan met glaasjes malaga, hij verft zijn snor zorgvuldig, draagt blauwe blazers waar elk pluisje ongenadig wordt afgeklopt en gedraagt zich als het middelpunt van de taverne, rondlopend op krakende schoenen.
Een goudfazant.
Vroeger, op de binnenplaats van mijn tante Rachel, had men een grote mozaïek van witte keitjes aangelegd, met paadjes omzoomd door halfronde stenen, zoals hier op de pleinen van Granada. De helft van de binnenplaats, die omringd was door hoge scheve muren met lekkende dakgoten en overhangende schoorstenen, werd ingenomen door een kooi waarin een goudfazant heen en weer liep.
De vogel had schitterende veren, kleuren uit een middeleeuws handschrift, rood als bloed, goudgeel, alle tinten van oranje, en liep op lelijke poten, bewogen door een genadeloos en waanzinnig mechanisme, de hele dag van de ene kant van de kooi naar de andere. Nu en dan hield hij stil, keek naar mij terwijl ik op het pad stond, mijn neus tegen het gaas van de kooi gedrukt, en plukte dan met zijn snavel in zijn veren, om ze te herschikken, om vuil of een stofje te verwijderen.
De vogel was een mannetje, dat wist ik en dat scheen mij volkomen natuurlijk. Mannen liepen immers rond in blinkende kostuums, met witte zakdoekjes in kant die uit het borstzakje van hun jas staken, hun schoenen glansden, hun hemden waren zo wit als maar mogelijk was.
Mannen waren trots en ijdel, mijn vader leek op Clark Gable maar hij was nog knapper zei mijn moeder, want hij had kleinere oren. In een lade lagen foto's waarop hij in een witte pull met een rolkraag, met troebele ogen naar de fotograaf keek, zeker van zijn charme, maar kwetsbaar als een kleine jongen.
Hoe meer de jaren bezit van hem namen, zijn schouders ronder werden en zijn haargrens naar achteren week, hoe standvastiger en wanhopiger zijn gevecht tegen de aftakeling werd. De absurde en dodelijke alchimie die onze lichamen aantast, deed traag maar zeker zijn werk en zijn verzet was nutteloos. Hij gebruikte zwarte mascara om zijn snorharen bij te kleuren, hij smeerde brillantine op zijn haar, droeg een zonnebril. Lange minuten bracht hij door voor de geliefde en vervloekte spiegel en trok rare gezichten, spande zijn kaakspieren en vertrok dan naar de school waar hij werkte. Met een sprongetje zat hij in het zadel van zijn fiets en kaarsrecht reed hij door de stad maar de groeven die van zijn neus aan weerszijden van zijn mond naar beneden liepen, werden dieper en langer.
Onzichtbaar voor de spiegel en de reflecties in de winkelramen groeide in zijn hoofd een gezwel, het werd zo groot als een sinaasappel, het verspreidde zich met tentakels als een octopus, zijn blik werd af en toe wazig en sommige dagen was zijn kin niet meer glad geschoren.
|
|