Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

LIEFSTE

Kamiel Vanhole

Zo begon en zal het altijd weer beginnen:
met een bede.
Beste lieve waarde goede.
M'n waarde landschap,
wat ik je wilde vragen:
je weet, ik was de stip
die nog niet eens zo lang geleden
langs de zoom van je akkers liep
en zich niet pluis voelt onder de pluizen,
ik wilde je vragen
of ik jou ken
en of ik jou wel ooit zal leren kennen.

'k Geef toe, ik ben je eens ontgroeid.
Ik kon in jou niet aarden.
Eén keer, een dwaze keer was dat,
heb ik je welgemutst vaarwel gezegd,
één keer met schaamte in het hart.
Ik ben nooit goed geweest in blijven.
Maar jij, doe bleefs in mich, zal ik maar zeggen,
jij bleef in mij,
ik voel je nog, al is het soms niet meer
dan dwarrelen wat je doet,
je bent als vlokken op mijn wimpers neergedaald
en wie mij schudt ziet duizend soorten wit opstuiven
in 't koepeltje van mijn hoofd.
Jij bent mijn lichte weggemaakte wereld,
over jou zal ik het moeten hebben.
Ken je de weg van Slenaken naar Hoogcruts?
Ken je die?
Net voorbij de Helenahoeve moet je linksaf.
Probeer die berg maar eens te nemen,
met de fiets, zonder afstappen.
'Knappe jongen als je dat kunt,' zei ze.

Ik was vijftien, met getrokken zwaard
hing ik over de reling
om onze vijand wond na wond toe te brengen,
de meest allerdodelijkste.
Honden waren het, afvallige
kettinghonden die naar jouw banden hapten.

En net zo goed ben ik het weer:
vijftien, een knaap die met gekromde rug
het land omhelst, een hele lus
om toch maar nonchalant dat ene erf
te kunnen zien, waar in de hanenbalken
het goud van al je stemmen hing.

Wie ben je? Wat maakt dat ik
nog steeds, nog even radeloos als toen
voorbij kom racen, op dunnere tubes dan weleer,
en zwaai, en val, en zwaai
en zonder jou te zien weer verder moet
naar huis, mijn bovenkooi
waar ik met klein verzet je steilste heuvels neem?

Ik kijk in je, zei ik
en tastte gulzig toe.
Eerst met mijn ogen,
die werden toch nooit moe,
en dan, pas dan, na uren van gedwaal,
langs ieder kuiltje, elke vouw,
langs elke welving die je prille lijf me bood,
toen waagde ik voor 't eerst
een vinger uit te steken,
een hand of twee
waarmee ik vrij getrouw
de omtrek van je dij begon te volgen,
zo'n centimetertje erboven
alsof ik je uit lucht kon kneden
en geven wat je toch al had:
twee ogen, lippen, een geslacht.

Jij was een veld mij toebedacht,
zou ik haast zeggen,
maar deed dat toen gelukkig niet
en streelde, dwong
mijn hand haar oudste slakkengang te gaan,
onthaast, zeg maar, zoals een koningin dat wil,
de tred waarmee een boer zijn land omdoet,
verloren-wastechniek

ik wist al dat ik je verliezen zou,
ik moet dat toen geweten hebben.

Ik ben vijftien, het is hoogzomer. Ik loop met haar die ik jou noem, door de heuvels. Noorbeek, Ulvend, aan die kanten.
We zijn de grens overgestoken, maar dat weten we nog niet. Er zijn daar zoveel smokkelpaden en wij lopen maar. Onbestemd, kinderen nog, twee rare zielen dooreen.
De zon begint te zakken en wij dalen een pad af dat de zoom van een bos volgt. Achter een bocht zien we een smeedijzeren hek, het staat aan. Toegang verboden voor onbevoegden. Wij zijn vijftien, zeg ik. Wij zijn niet meer onbevoegd. En we wringen ons erdoor. Nee, ik vind dat niet eng en struikrovers bestaan niet. Niet meer of nog niet, wie zal het zeggen?
- Ik ben bij je, zeg ik. Wees gerust.
Die woorden. We rennen een berm af en komen op een oude spoorlijn uit.
De rails blinken, ze worden nog gebruikt. We oefenen op de evenwichtsbalk. We zien dat de lijn in een tunnel verdwijnt, een groot donker ei in de heuvel, net zo'n zwart gat als waar we over geleerd hebben op school. Het slurpt alles op wat maar in zijn buurt komt. En ook wij worden aangezogen. Haar ogen, ik zie ze heen en weer flitsen en toch zit er een lachje in. Ze blijft staan, laat zich bidden. - We horen het wel, zeg ik. Je hoort ze van ver aankomen. Het ruikt er vochtig, naar pis.
- Ben je niet bang? vraagt ze.
- Ik weet niet, zeg ik.
Het is killig, we moeten allebei aan vleermuizen denken, die slapen overdag. Voetje voor voetje schuifelen we verder.
Achter ons wordt het ei van licht steeds kleiner, maar terug kunnen we niet. Onze ogen wennen aan het donker, dan zien we niets meer. Mijn hand sliert over de rots, ze voelt hard aan, en slijmerig. Waar de tunnel een bocht maakt, kunnen we zelfs geen stip meer bekennen.
- Zou het nog ver zijn?
Ik haal mijn schouders op, knijp even in haar hand.
- Vroeger was ik bang voor de maan. Ik dacht dat die mij achtervolgde.
- We zullen het maar stilhouden. Krijg jij vaak slaag?
- Soms. Hoe lang lopen we nu al? Zouden we niet teruggaan?
- Zo ver is 't niet meer.
Opeens blijft ze staan.
- Ssst, luister!
We houden onze adem in, luisteren. Mijn maag gromt.
- Ik heb nog een appel.
- Nu niet.
- We zitten onder het bos. Helemaal in de buik van de berg.
- De papa van mijn opa heeft nog in de mijnen gewerkt. Hij lag altijd op zijn zij te kappen.
Ik trap per ongeluk tegen een fles, we schrikken. We roepen heel hard elkaars naam.
- Ben jij nog niet moe?
- Zal ik je dragen?
- Nee.
- Zou ik... Mag ik je eens wegen?
- Mij wegen? Waarom?
- Zomaar. Om te weten hoe zwaar je bent.
- Ik ben niet zwaar.
- Wat ben je dan wel?
- Niet zwaar.
- Hoe kan ik dat nu weten. Als ik je niet mag wegen.
- Dat heb ik niet gezegd.
- Oh nee?
We blijven opnieuw staan.
- Waar ben je?
- Hier.
Ik tast voor me uit. De rug van mijn vingers strijkt over een warm T-shirt, dan sla ik mijn armen om haar middel. Til haar op. Laat haar langzaam weer zakken.
- Nu heb ik je gewogen, zeg ik plechtig.
- En?
- Wat èn? Je bent niet licht.
- Maar ook niet zwaar.
- Dat is zo. Zwaar ben je niet.
Dat er ook nog eens een trein voorbij komt razen, waarbij ze zich in paniek tegen me aan zou drukken, hoeft nu niet meer.

Hoe minder je iets begeert, hoe sneller het je toevalt. Dat zei je eens. De beste tactiek is: je laten bidden. Wie zich wegschenkt, is een slaaf. Dan wordt er op je getrapt. Dan maken ze een sjaal van je, voor de winter. Dat geldt in de zakenwereld en dat geldt voor de liefde. Te veel enthousiasme wekt argwaan.
Zo liet ik me door jou bidden.
Niet één keer gedurende de vijf jaar dat we in Luik woonden, keerde ik naar mijn geboortestreek terug.
Mijn ouders waren allebei gestorven, de bloemen op hun graf liet ik per telefoon bezorgen. Broers en zussen waren zelf uitgezwermd.
En toch: je trekt aan me, dat voel ik. Maar ik wil me niet laten kennen. Ik vind dat ik genoeg heb aan mijn herinnering.
Wie weggaat krijgt een beter zicht op het landschap dan wie er middenin staat. Een algemener zicht misschien, met grovere korrel, maar toch: een zicht.
Dat houd ik vast. Daar timmer ik een vergulde lijst omheen. En thuis voel ik me nergens, daarvoor ben ik te veel opzij gaan staan. Zelfs een eigen taal heb ik niet. Met m'n moeder praatte ik Frans, met papa Nederlands. Een grensgeval, zogezegd

Maar dan het Lot: de sterren, toeval, een duivelse timing.
We dansen, we drinken jenever en dan vertel ik jou dat verhaal van die man met de handen van vuur. Het is een oud en dwaas verhaal, maar het komt er altijd weer op neer dat de held op zoek gaat naar een vrouw met handen van water.
Met tenen als krijtjes.
En jij bent zo'n vrouw, zeg ik plompverloren.
Je lacht me niet uit, dat doe je niet. Je kijkt me lang en aandachtig aan en dan vertel je me dat je vader handen van vuur had, vroeger. Dat hij ooit aan je zusje heeft gezeten. Zelf heb je daar nooit wat van gemerkt, naar jou heeft hij geen vinger uitgestoken.
Stilte. Duitse schlagermuziek.
Maar ook over het land vertel je me, over boeren zoals je vader en je grootvader voor wie er geen landschap bestaat, maar slechts akkers die bewerkt moeten worden. Zij kennen de grond, de structuur en de vruchtbaarheid ervan. Dàt is pas liefde, zeg je. In hun veld zien ze alles, rijkdom of armoe, daar zijn ze elke dag mee bezig. Ze hangen eraan vast, zoals de akkers van de Maas afhangen of van een ondergrondse ader.
Jij vertelt, ik luister.
Wat wist ik daarvan als kind, hoe weinig hebben wij van elkaar geweten,
Maar ook jij bent uit de streek weggetrokken. Je was slim, je wachtte je tijd af. En het zwerven en vermengen heeft er altijd al ingezeten. Je voorouders kwamen uit grensgebied, daar is het zelden rustig. En waar je ook woont, nooit zul je nog één van hun zijn. Je komt overal en nergens vandaan, telkens weer zul je op een kruispunt staan rond te kijken.
Dat zeg je. Zoiets.

- Mag ik je woorden eens wegen?
- Waarom?
- Zomaar.
- Ze zijn niet licht.
- Wat zijn ze dan wel?
- Geen flauw idee. Maar licht zijn ze niet, dat weet je nu.

Ik kijk naar het landschap en het landschap kijkt terug.
Mamihlapinatapei.
Nu branden alleen mijn ogen nog.
Ik kijk in je, zeg ik
en tast voorzichtig toe,
eerst met mijn ogen,
die worden toch nooit moe
en dan, pas dan, na uren van gedwaal
langs iedere groef en elke striem,
langs elke rimpel die je lijf laat zien,
dan waag ik voor het eerst
een vinger uit te steken,
een hand of twee
waarmee ik kwellend traag
de omtrek van je hals begin te volgen,
je malse vel en moeë rug,
het slib van onze jaren,
alsof ik je uit was kan kneden
en geven wat je nog steeds hebt:
twee ogen, lippen, een geslacht.

Jij blijft, doe bleefs
een veld mij toebedacht.

© Kamiel Vanhole