Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

TANGO/TANGAGE OF DE ONBEWEEGLIJKE REIS

Jean-Marie Piemme

MAN Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet verder, er zitten vlekken in het kleed.

VROUW Waar?

MAN Daar.

VROUW Dat zijn geen vlekken.

MAN Dat zijn vlekken.

VROUW Hoogstens een foutje in het weefsel.

MAN Ik houd van orde. Ik ben een ordelijk man.

VROUW Je krabt een beetje met je nagel en het is weg.

MAN Bij een voordracht moet de tafel netjes zijn, het glas moet schoon zijn, ik mag nog geen seconde voor me zien hoe dit glas door twee rode lippen is beroerd, laat staan dat ik vlekken in het kleed zie.

VROUW Ik ga een ander halen.

MAN Een schone wereld... is dat te veel gevraagd?

Stilte

Nu ben ik de draad van mijn verhaal kwijt. Het leven bestaat niet, dat is zo ongeveer wat ik denk. Kort samengevat. Grosso modo. Rekent u niet te veel op mij om dat uit te leggen, zekerheid komt uit de buik. Vandaag, dames en heren, zal ik het met u dus hebben over de betekenis van de kunst, de kus van de kunst, de streling van de kunst, de liefde voor het schrijven, en ik zal de stelling verdedigen dat alle waarachtige hartstochten uitsluitend in gedichten bestaan. En staat u mij toe dat ik van meet af aan de vingers van mijn vader ter sprake breng, die dromerig het bijbelpapier streelden van de dikke boeken die hij las, zijn gewoonte om met zijn tong te klakken als hij de woordkeus bewonderde, die verwarrende eigenaardigheid van hem om een zin te proeven en erop te kauwen. Zoon, zei hij, het leven, dat lees je, dat lees je echter dan echt in zo'n ding, en iets vliegt je naar de strot, en je trommelvlies barst ervan. Ik heb het warm, ik zweet. Neemt u mij niet kwalijk, het licht van die spots brandt in mijn ogen. Heb je het andere kleed?

VROUW Er is geen ander kleed.

MAN Hoezo, geen ander kleed? Er was er een in de kast boven.

VROUW Daar hebben de kinderen een huisje van gemaakt.

MAN Had Marcel Proust kinderen? Had Mallarmé kinderen? Geen kleed, geen voordracht!

VROUW We kunnen het weghalen. De tafel is schoon.

MAN Je kunt altijd iets weghalen, maar dan moet je niet vreemd opkijken als er tenslotte niets meer overblijft! Ik zou iets met iedereen hier willen delen, maar ik vind het een onverdraaglijke gedachte dat iedereen mijn knieën onder de tafel kan zien. Letterlijk: daar lijd ik onder! Ik ben een kind. Een dag in mei, ik ziek van taartjes en een grijze zondag, gevlucht onder de grote tafel, met de hele familie eromheen. Zie je het spektakel voor je? Voeten van ooms en voeten van tantes onder de tafel! Weerzinwekkend! Wat een obsceen beeld van de mensheid! Dat wemelt van driftig gedoe, van alles, dat zit aan elkaar, dat likt, dat krabt, dat komt overeind, dat komt weer tot rust. De knieën bonken tegen elkaar, gaan open als een accordeon, een waanzinnig rukken en trekken, ontlading, eenwording, contact. En dan heb ik het nog niet over een tragisch afgezakte kous tegen een behaarde witte huid. Het leven daarbeneden is een nachtmerrie. De geur van een namiddag in de tuin. Prei, wortelen en selderij. Ik heb er mijn neus, mond, sinus, oren vol van. Ontbreekt enkel nog het geluid van de hark tegen de spade, en papa die boert als mama het niet ziet, de soep is klaar, was je handen, jongen, zegen deze gastvrije tafel en laat ons er zorg voor dragen dat de dag die komt, ons beter maakt. Amen. Wat een kloteleven! Ooit zou ik toch eens moeten kunnen praten tegen iemand die me aankijkt! Goeie God, wat is dat moeilijk! Ik kan er niets aan doen, ik ben zo, als iemand me strak aankijkt, word ik helemaal slap! Ik zeg bij mezelf: voor wie houdt die vent mij? Hij houdt me voor een ander, dat spreekt vanzelf! Voor een ander! Maar goed, hoe moeilijk het ook is, zoals mijn vader zou hebben gezegd, het spreekt volkomen vanzelf dat niets mij belet ooit eens te praten tegen iemand die me aankijkt. Kwestie van wilskracht, discipline, pure zelfbeheersing. Ik zal het proberen. Ik moet het proberen. Op z'n minst zien hoe lang ik het volhoud. Als iemand je strak aankijkt, hoe lang ben je dan in staat zijn blik te verdragen? Ik nodig iedereen uit om de proef op de som te nemen. U, bijvoorbeeld. Ik ga u enige tijd aankijken, recht in uw ogen. En? Tamelijk onaangenaam, niet?
Het kriebelt overal. Je schijt in je broek van angst dat je in de stront komt te zitten. Je kunt lachen, sommige mensen lachen ook, neemt u me niet kwalijk, het zijn de zenuwen, kleine hysterische lachjes, in de rats, een en al list, de natuur, om elkaar niet hoeven aan te kijken. Het grappigste is natuurlijk dit: zolang ik iemand strak aankijk, gaat het wel. Geen probleem. Gewoon een hond die op een bot kauwt. Zelfs het heimelijke genot om op de bodem van het oog van de ander de angst te raden die ik zou voelen als ik degene was die aangekeken werd. Maar waar had ik het over? O ja, de prei! Bij ons thuis was iedere maaltijd soep. O grote soep, geef ons heden ons dagelijks brood. Misschien komt er een dag zonder soep? Ik zou willen dat het leven iets anders was dan redelijk wachten op de dood. Ik houd van je, maar je moet slapen. Tussen jou en mij... het herhaalt zich maar, het duurt te lang. Twee stukken uit een raderwerk. De twee wijzers van een klok. Het hemd en de rok.

VROUW Je mag niet zeggen wat je zegt.

VROUW Twee identieke druppels zweet met een zorgvuldig afgebakend seksueel parcours. Eerst zo, schat, daarna zo, schatje, je weet hoe het begint, je weet hoe het eindigt.

VROUW Je bent zo monter als de modder op een slagveld.

MAN Ik ben versleten. Ik zeg bij mezelf: waar is de vonk van de eerste ontmoeting, de alles verterende elektriciteit van de eerste ogenblikken? Ik zou willen dat de dingen alleen maar begonnen.

VROUW Wat geef jij weinig om de eeuwigheid!

MAN Waar ben je, verafgelegen land? Wat moet ik doen om je nog te ontdekken, wanneer er geen uithoek van je overblijft die ik niet heb verkend?

(Hier begint hij te zingen. Hij heeft tranen in zijn ogen, maar hij is trots op wat hij doet, hoewel hij niet bepaald goed zingt.)

VROUW Ieder gebaar, iedere dag is anders. Sinds we elkaar kennen, heb je nog nooit twee keer hetzelfde gebaar gemaakt, nooit op dezelfde manier gekust. Wanneer je me aanraakt, voegt je hand zich bij de duizend handen die je al hebt. Ik weet dat.
Maar jij raakt me aan en ontkent het. Jij ziet alleen nog maar de regen die altijd eender langs de ruit druipt. Maar als je keek naar elke druppel waar hij uit bestaat, dan zou je zien dat er geen twee gelijk zijn en dat dat zo al is sinds de regen de regen is en de regen langs de ruiten druipt.

MAN Wat doe je? Wat doe je?

VROUW Ik sluit mijn ogen.

MAN Sluit je ze echt of kijk je toch nog?

VROUW Nee, ik sluit ze.

MAN Kan ik je geloven?

VROUW Als ik je nu zeg dat ik niets meer zie!

MAN Het type dat ik zijn moet ontglipt me, een paling, een stuk zeep. Je denkt dat je het vast hebt, en het is al ergens anders. Iedere keer als ik opkom, zeg ik tegen hem: als ik jou moet spelen, klootzak, zeg me dan tenminste wie je bent. Weet je wat hij antwoordt?

VROUW Wat antwoordt hij?

MAN Ik galoppeer in de pampa! Hij zegt: 'soy el taita de barracas/de aceitada melenita/y camisa planchadita/ cuando me quiero lucir.'
(Hij neuriet). En dan klinkt het alsof iemand het deksel van een doodskist duwt! Adieu dode man, ik loop met een maan tussen mijn ogen, ik kom langs een barkruk met rode lippen en over elkaar geslagen benen. De huid van de dijen glinstert als een gevaarlijke herinnering, dit is het uur waarop de beesten paren. Stel je de bandoneon voor, de rook, de reuk van alcohol, het mes dat zich helemaal alleen in de broekzak opwindt. Er wordt gedronken. Er wordt gezweet. De glazen zijn vuil, wat maakt het uit. Ik wil die vrouw aan de bar. Ik zou haar tanden willen zien. Glimlach, ik wil je tanden zien! Ze glimlacht. Ongelooflijk! Ze zit ver van mij vandaan, ze kan me niet horen, maar ik heb haar tanden gezien.
Waar ik zit kan ik niet horen wat ze zegt, uiteraard beweegt haar lichaam, ook wanneer ze maar kleine gebaren maakt, een grote vogel zou je zeggen. Haar borsten zijn rond. Onthoud dit dus goed: de man van de nacht hoort niet, hij ziet alleen maar rode lippen, ze gaan open en dicht als benen, maar hoe meer hij haar bewegingen volgt, hoe meer hij voelt dat deze vrouw hem aanspreekt. Zij zegt wat ik in mijn kop heb! Het blijft niet bij een indruk, het gebeurt werkelijk. De man zou willen schreeuwen. Ze spreekt me aan! Ze spreekt alleen tegen mij! Spreek voor mij! Enkel alledaagse woorden, maar ik weet dat ik er andere in moet horen. Bijvoorbeeld, als ze 'Tequila' zegt, hoor ik 'Ik wil je'. Als ze glimlacht naar de barman, wil dat zeggen: neem me, neem me, jij daar, de man die twintig meter verderop zit, jij met je haastige adem, de vreemde man die in geen taal meer praten wil. En dan sta ik op, ik duw een dikzak opzij, donder op stuk vet, en ik ga op de barkruk naast haar zitten. Soms zwijgen vrouwen als het graf. Onvoorstelbaar hoe ze zwijgen! In elk geval, deze zegt niks. Je kunt zeggen, hooguit zeggen dat we in een bar zitten, haar been vijf centimeter van het mijne. Nu we vlak bij elkaar zijn, zwijgen we samen, dat is al heel wat. Mijn stilte zegt tegen haar: 'Je smaakt naar de oneindigheid, je bent een hemels gezang dat aan mijn oor komt likken, ik ook, ook ik heb de tong van een beest.' Dan steekt ze haar stem uit, en dan begint het snijden van twee messen. Ze heeft een rare tongval, ze zegt: 'De man komt in de nacht te voorschijn. Hij is gekomen om te dansen.' Dat zegt ze luidkeels, zodat iedereen het hoort, zodat iedereen me ziet. 'Zijn harigheid glanst in het maanlicht. De maagden van de avond, hij ruikt aan hen, en in zijn ogen is de lach van wie de eeuwigheid nog vóór zich hebben.' Het neonlicht barst van de kleuren, de muziek stroomt als lava over ons heen. De aanwezigen vormen een kring. Zij danst, ik zie haar, heupwiegend in het middelpunt van hun blikken, nu is ze naakt, ze neemt haar lichaam in haar beide handen, ze laat haar hele circus malen in mijn hoofd. Het is als het klappen van de zweep die het haar van de hond klooft, en het oog dat mij schandaliseert ruk ik vooral niet uit. Nu, nu neem ik haar... we staan midden in de kring, ik beweeg met het gemak van een acteur die alleen nog maar de woorden van een ander hoeft te zeggen: jij hebt de ware arrogantie, jij slingert de begeerte in het gezicht van de mensen. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat ik niet meer dezelfde ben sinds jij hier bent. Geef toe dat je de duivel bent. Speciaal voor mij gekomen, om me een opdracht te geven? Wie je ook bent, geef me een opdracht, wat is het doel? Zeg me hoe ik me bewegen moet, zeg het met die stem die uit je darmen komt, zodat ik je kan geloven.

(Tijdens deze monoloog heeft de vrouw zich in een hoek staan uitkleden. Nu komt ze weer te voorschijn, naakt onder een peignoir.)

VROUW Wat? Wat zeggen? Wat moet ik zeggen?

MAN Goeie God! Ik heb er genoeg van als een kurk op de golven te dobberen!

(De vrouw gaat voor het publiek staan.)

VROUW Ik zou u een vraag willen stellen. Waarom zou een vrouw die iets laat zien zich schamen voor wat ze laat zien wanneer degenen die betalen om te zien op hun gemak zitten te ademen, een en al oog, kwijl in hun mondhoek, en iedere keer als ik mijn ogen in hun ogen boor schokt hun lichaam even. Waarom? Schaamrood, heb ik weinig last van, en die opgeheven vinger van jullie moraal, dat is een zuurtje waar u zelf op zuigen mag. Ik dans, ik laat iets zien, jij betaalt. Iedereen heeft zijn eigen rijk, ik schitter in het neonlicht en jij heerst in het donker van je hokje. Attentie, van de spleet bezetenen! Het luikje gaat zo dicht! Ik wil niets missen van de vrouw die beweegt, neemt, geeft, kronkelt in de gleuf. Ik zie hand/moedervlek op de dij/heup/weelderig haar/kleine borsten/ zweetdruppels op de hoofdhuid/voeten/de grote teen. Ik zie de wijd opengesperde dijen/ de driehoek die scheurt. Hoe heet dit geslacht? Wat is zijn naam? Die man komt elke nacht terug,
betaalt,
kijkt,
zweet,
spuugt,
rookt.

MAN En verder?

VROUW Wil me aanraken in de kleedkamer, goed? Kom binnen, man, blijf niet als een triest verlangen op de drempel staan. Maak het je gemakkelijk. Ik ben van jou, je doet met me wat je wilt. Knoop je das los, geef me je schoenen.

MAN En wat er in mijn hoofd zit, waar leg ik dat?

© Jean Marie Piemme
© Vertaling Benno Barnard