


|  |
FOR THE ONE AND ONLY
Johan Vandenbroucke
A Ben je nog een beetje gelukkig?
Vrij je wel genoeg, de laatste tijd?
B Ik stel me de liefde voor als een vrouw in de zon. We zitten samen op een terrasje en drinken dure cocktails. Een adembenemend intelligente vrouw,
A die genietend met me praat en lacht, en eet. Ze prikt een groene olijf van mijn bord en stopt die in haar mond,
B terwijl ze me uitlacht.
A Ze kust me en ik proef een mengeling van lippenrouge en, laat ons zeggen, appelmoes.
B Ik wil iemand die zegt: kijk naar mij.
A Maar ze moet ook zwijgen op het gepaste moment, daar hou je ook erg van. Ik wou eigenlijk zeggen: hij houdt van mooie vrouwen, vrouwen die zich mooi maken, die ook echt vrouw zijn, maar dat is weer zo gruwelijk algemeen.
B Ze moet de mayonaise vragen op restaurant.
A Op restaurant, altijd te weinig mayonaise.
B Met een glimlach waarvoor de obers smelten.
A Maar ze geloven me niet, de vrouwen, ze denken dat ik het niet meen.
B Jij bent geestelijk geperverteerd, niet meer in staat tot een normaal gesprek. Mijn beeld van de vrouw is dat van een klassieke violiste, in een hoogstaand ensemble. Ze leidt haar eigen leven, heeft een eigen persoonlijkheid en een zelfstandig, kunstzinnig beroep, waarbij ze mij niet nodig heeft. Ze heeft een eigen agenda, en af en toe laat ze die met de mijne passen. Het is een te romantisch beeld.
A Welke man ik wil?
B De ongrijpbare. Ik wil al zijn bewegingen vasthouden. Ik heb het nooit allemaal gezien. En als ik van hem wegkijk, ben ik weer kwijt wat ik net gezien heb, ik moet steeds terugkijken. Ik denk dat ik in de fotografie moet.
A Een kapstertje, dat helemaal niet houdt van mijn gedachten en overpeinzingen, maar wel van mij. Een vrouwtje dat aan haar vriendinnen zegt:
A+B (Samen) 'Hij is een beetje raar.'
A Ik hou van extravagante meisjes. Hoerig gemaquilleerde filosofen,
B desnoods filosoferende hoeren. Een beetje ongezond bleek mag, met de nagels Amsterdams rood. Opzichtige oorbellen, geverfd haar, geschminkte ogen, en als ik eerlijk ben, val ik ook op minirokjes met ordinaire netkousen,
A en lippen.
B Ja, geile lippen. Hardrockmeisjes.
A Soms ben ik jaloers op homo's. Ik droom van een dark room vol hitsige, domme meisjes die genomen willen worden.
B In homomilieus is de bamba nog steeds razend populair.
A Ik had als zestienjarige maar enkele maanden nodig om te ontdekken dat mijn talent niet in de bamba lag.
B Jij hebt ook geen bamba-uiterlijk.
A Bij mij gaat de liefde door de taal. Wat niet geformuleerd is, bestaat niet. Ook niet in de liefde.
B Ik beschouw een relatie bij wijze van spreken als een literaire tekst die door vrienden, kenners besproken kan worden,
A en aldus verbeterd,
B wat uiteindelijk ten goede komt aan de lezer.
A Zo moet de liefde open en bloot geanalyseerd worden
B met vrienden-kenners,
A wat uiteindelijk ten goede komt aan de geliefde,
B en misschien ook aan de maatschappijontwikkeling, de vooruitgang in de psychologie of de evolutieleer. (Lachen overdreven luid.)
***
A Ik lag eens in bed met een jochie van 18 - ik moet 28 of zo geweest zijn - en hij bleef me maar complimenteren met mijn gespierde lijf. Stel je voor.
B Ik had het met een meisje van eenentwintig. Ineens zei ze: het valt nog mee, ik dacht dat een dertiger meer rimpels had.
A Zo'n kind van twintig of eenentwintig, dat strakgespannen huidje. Je ziet soms van die meisjes in stations of luchthavens, preuts en geil tegelijk. Vind ik altijd zo ontroerend.
B We zijn dertig natuurlijk. We hebben de kans om jong te sterven laten schieten, en moeten nu maar het beste maken van de rest.
A Jongens van dertig zijn we,
A+B (Samen) maar aardige jongens.
A Alsof onze leeftijdsgenoten zo gelukkig zijn.
B Dertigers, een beetje gezeik over het leven, een beetje cynisme, een beetje nostalgie naar de jaren zeventig, een beetje gedoe met elkaars echtgenotes.
A We zijn in de jaren van de scheidingen, het gras-is-altijd-groener-aan-de-overkant.
B Nora was gisteren weer eens op bezoek. Ik probeerde het thema van haar echtelijke verveling te vermijden en praatte over mijn leven van de afgelopen weken. Maar toch kwam het: Dat. Ze. Zich. Niet. Zo. Gelukkig. Voelde.
A Het bekende verhaal. De echtgenoot die zijn emoties niet uit, en niet streelt op de juiste manier op de juiste plaats. En dat lijken ze allemaal per se aan mij te willen vertellen. Soms mag ik dan een beetje hun borstjes strelen, terwijl ik vertel over de prinses van Karachi. Wat moet ik anders met die meisjes van dertig die, hun broekje nat van verlangen, beweren:
A+B (Samen) Oké, er is niet veel passie, maar misschien is evenwicht belangrijker.
***
A Soms denk ik: als ik maar lang genoeg praat, wordt ze wel verliefd.
B Ik kan uren blijven praten, het zijn mijn beste momenten, vrees ik soms. Om de conversatie te redden blijf ik meestal maar zelf aan het woord.
A Maar soms denk ik ook: niet te veel praten, dan wordt het weer niets.
B Dat je behoorlijk kunt praten, daar houden vrouwen niet van. Wel tijdens het versieren, dan moet het liefst zo mooi en zo opgedirkt mogelijk. Maar als je goed blijft praten, als je ook in de momenten van spanning en magie - om het zo maar eens te noemen - met prachtige volzinnen je liefde belijdt, worden ze wantrouwig. Denken ze dat je het niet meent. Dan willen ze gestamel, blozen, het neerslaan van de ogen, onsamenhangende zinnen, zweterige stiltes, het niet durven en niet kunnen zeggen. Dan houden ze van mannen die op het gepaste moment falen. Volgens mij willen ze altijd de sterkste zijn.
A Dat is voor mij geen punt, ze zijn de sterkste.
B Ik vind dat er te veel gepraat wordt over de liefde. Al dat gezeik, vooral op café.
A Alsof ik gelukkiger ben als er een vrouw bij me is. Hoe ik gewerkt heb de voorbije dagen, dat bepaalt mijn geluk.
B Af en toe wil ik wel een vrouw na de dagtaak. Een rustige, niet meer te winnen geliefde die, als ik vermoeid thuiskom, me zonder omhaal van verleiding, passie of praatjes in haar laat komen, om dan zonder hoe-voel-je-je-nu en waar-denk-je-aan tegen haar flank in slaap te vallen. Maar je kent mijn situatie: altijd jagen op een vrouw.
A Soms voel ik me zo gelukkig in mijn vrijgezellenbestaan dat ik denk: nu nog een vrouw.
***
A 'Gisteren in het café na de vergadering kreeg ik plotseling zin om te vrijen. Terwijl ik verder praatte - iets over ontwikkelingssamenwerking - dacht ik aan haar borsten en dat ik haar wel eens wilde, gewoon voor vanavond. Ik dacht meteen - dat leek me geen discussie - dat zij ook wel zou willen. Enkel dat er andere mensen bijzaten, verhinderde dat ik haar vroeg: zullen we even de liefde bedrijven?
Achteraf beschouwd is dat maar goed ook. Wat moest ik met dat wicht op wie ik niet verliefd was en ook nooit zou zijn, die het waarschijnlijk ook nooit zou begrijpen dat ik gewoon maar eens wilde? Ondertussen wou ik wel een beetje lief zijn, haar doen roepen, zuchten, gillen, kreetjes slaken of weet ik hoe klaarkomen, misschien ook wel bij haar blijven liggen, om dan 's ochtends samen koffie te drinken. Maar ja, ik zag me al staan - schoenen al uit, broek halverwege - uitleggen dat ik niet verliefd op haar was maar haar ook niet de hel vond, en later - condoom al uit, bijna in slaap - zou ze natuurlijk vragen of ik nu aan Anne dacht, of ik haar al lang wilde, en dan nog later tijdens het ontbijt zou ze begrijpend willen zijn, ik zou meisjeskoffie zitten drinken, om me dan op de wc terug te trekken, en daar, mijn penis in de handen, met de intimiteit van oude vrienden, te denken: mijn god, mijn god, wat doe ik hier, wat doe ik in dit leven?'
***
B 'In het stadje organiseren ze vertelavonden. Bekende stadsgenoten komen er vertellen hoe interessant ze wel zijn. Ik moest een avondje gaan spreken, de organisator is een oude kennis van me. Ik was aardig op dreef, het was per slot van rekening ook een onderwerp dat ik nogal beheers, en na mijn spreekbeurtje bleek dat er iemand persoonlijk met me kennis wou maken: een advocate.
Wat doe je dan? Je blijft beleefd en je maakt kennis. Ik zag het meteen: rijk, mooi en meedogenloos. Ze was zoals ik, zei ze. Reis je ook veel? vroeg ik.Maar ze bleek ook van boeken te houden. We praten wat: algemeenheden, een beetje namedropping, dat soort common stuff. Rond half twee nemen we afscheid. Op de parking nog drie auto's: die van de organisator, een Porsche waarin ik het vrouwtje zie stappen, en de mijne die ik niet meteen gestart kreeg.
Drie maanden later belt ze me op. Of ik een glas wou komen drinken? Ik dacht: jaja, het welstellende maar zich vervelende bourgeoisvrouwtje dat zich aangetrokken voelt tot de bohémien die zo gevoelig kan praten over de dingen des levens.
Ik vertelde het thuis op een familiereünie. Mijn moeder vroeg wat voor kleren ik aan zou doen, en ik zei dat ik eerst zou zeggen dat mijn broer internationaal recht gestudeerd had aan de Harvard-University van Boston, en daarna dat de grote dichter gisteren nog op mijn antwoordapparaat stond, om dan te vragen of er Chivas Regal in huis was.
Ik ging dus. Een kast van een huis, een wijnkelder waar ik wijn mocht kiezen, een wandeling van een half uur in een tuin waar een tennisveld lag, mijn vraag: tennis je soms? De cosy gesprekken over biografieën, binnenhuisinrichting, borstvergrotingen. De cd's die ze voor me draaide, The Doors en dat soort shit uit de jaren zestig. De onverholen uitnodiging om haar leven een beetje spannender te maken.
Ze vroeg me om enkele dagen later met haar naar een lezing of zoiets te gaan, in de grote stad. Zij wou rijden. Ik dacht nog: ze moet niet met een Golf of zo afkomen, dan rij ik nog liever met mijn eigen auto. Maar ze kwam met die Porsche. Ik ben ingestapt nadat ik gevraagd had of ik wel mocht roken in de auto. Daar zat ik dan, het leek een droom. Stel je voor: je gaat ergens spreken, en in de zaal zit zij die jij niet kent. Daar wacht je misschien wel heel je leven op, en mij overkwam het. En het was ook een aardig vrouwtje, alleen, ik voelde niets, geen verliefdheid, zelfs geen geilheid, niets dat op liefde leek.'
***
A 'In Saigon had ik een vriendinnetje, Trangday, een heel deftig en vriendelijk meisje. Op restaurant maakte ze voor het eten een kruisteken en prevelde enkele woordjes, terwijl ik erop zat te kijken. Dat ontroerde me: zo'n meisje dat overleeft in de jungle van Saigon en voor de maaltijd een gebedje doet.
Op mijn laatste avond zat ik met haar op het terrasje van haar vaders straatcafé. Ik keek naar de meisjes die voorbijfietsten. Taxi-girls, alle meisjes die na tien uur nog op straat zijn, zijn taxi-girls, had een Vietnamees me gezegd. You know, zei ze, my country is very poor. Even later rent ze naar de straat, waar ze zo'n brommerhoertje enthousiast begroet. Ze stelt het meisje voor als een vriendin en ik dacht: dit is de mooiste vrouw die ik ooit gezien heb.
Smalle schouders, gitzwart haar, prachtig gemaquilleerde ogen, lange nagels, voor de helft wit, voor de helft zwart; ze was perfect decadent mooi.
Phuong heette ze en we zaten samen wat te drinken en te praten. Ze zei nogal vaak dat ik handsome was en vroeg of ik love wilde. No boyfriend tonight? vroeg ik. Ze pruilde haar lippen en keek goddelijk triestig. Sad, zei ze, I'm sad. Ze begon te onderhandelen over de prijs. Thirty dollar, zei ze, I will give you massage and make you happy. You're losing your time, zei ik. Twenty, zei ze, en ik zei dat het niet mijn bedoeling was om voor liefde te betalen. Sad, zei ze, sad about life. Me too, zei ik. Ten, zei ze, anything you want, massage and make happy, not making love. Waarom geen liefde maken? vroeg ik. Omdat er bloed is, zei ze. No problem for me, - ik had condooms bij. Omdat ik ziek ben, zei ze. Schrok ik wel even van. Dan niet, zei ik, forget it. Welke ziekte? Ze antwoordde niet. Very sad, zei ze, sorry about life.
En dan vroeg ze: did you ever make love with a Vietnamese girlboy? Ik had haar niet begrepen: of course, zei ik. Het drong traag tot me door. O a boygirl. Echt, het was het mooiste meisje dat ik ooit gezien had.
Dan heeft ze haar leven verteld, en haar sadness, dat ze geen vrouw was, dat ze werkte in een bar en dat niemand het merkte, ook haar collega's niet. Alleen aan hen die ze vertrouwde zei ze het, of toonde ze het.
Via Trangday had ik een goedkoop hotelletje in Cholon, de Chinese wijk. Mijn kamer was op de vijfde. Tussen elke verdieping twee trappen. Het was de langste trap die ik ooit met een meisje opgelopen ben en ook het mooiste meisje met wie ik ooit een trap opgelopen ben.
In de kamer heb ik haar lijfje bevoeld, en ik wou weten hoe ze het deed, dat lulletje verbergen. Ik voelde tussen haar benen, no no, riep ze, it's just like you, just like you; in mijn hand een smalle, stijve penis. 's Ochtends keek ik vertederd hoe ze zich opmaakte. Ik heb haar tien dollar gegeven en ze zei dat ze happy was.'
|
|