


|  |
Frank Adam
Eerste scène
(Vooraan op de scène, in een lichtcirkel, staat een voorwerp verborgen onder een wit doek. Peter stapt in de cirkel. Mensjikov op de achtergrond, in het duister. Rookt)
PETER (Vermoeid, probeert zich de tekst te herinneren. Moet naar het einde toe even spieken) '... Over het laatst hebbe ik zo een wanschepsel gezien. Ons dunkt dat de inbeeldingskracht de grootste oorzaak van wanschepselen zy. De inbeeldinge heerscht over de geesten en vochtigheden in den baermoeder. Die kunnen eensklapselings op den bodem van den moederschoot bezinken. Aldus zal het zwangere wyf - zo beroerd zynde door één of ander beeltenisse - voornoemde beeltenisse in haer opnemen, en in haeren vrucht indrukken, gelijk een komeet een gat kan slaen in onze aertse schorse, of gelijk een vinger zonder weerstand door den versche boter schiet.
Zo geschiedde het wanschepsel dat ik hebbe gezien. De moeder kwam thuis en vont haeren man, na een schermusselinge met een wreed bezeten beest, voorzien van enige mismaektheit op den grond. De hersenen lagen als geperst uit het bekkeneel, op de aerde gevloeit, den neus gespleten, de oogen blauw gezwollen en gepletterd, de vingeren van de rechterhand te morzelen, en van den andere gescheiden. Zwaer gequetst was haeren man. En ook doot.
Daer op die indruk, zoo baerde dat zwangere wyf haer mismaekte kint, op die wyze als u de andere bladzy vertoont. In snot en slym en bloederig zweet vocht het voor zyn leven, dat slechts duurde tot den noen. Want zoo menigen zweetgat, als de mensche in zyn huit heeft, zoo menig deure heeft hy voor den doot...'
|
|