Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Pjeroo Roobjee

Alles vergaar en bewaar ik. Van souvenirs tot oud papier. Alleen voor kleren maak ik een uitzondering. Die kunnen niet gauw genoeg versleten raken en naar de vergetelheid worden verbannen. Een keer dat ik erin werd gefotografeerd, geportretteerd ten voeten uit, verliest mijn dracht elke glans en begin ik ieder onderdeel ervan te vervloeken. Helaas, mijn geheel en eigenlijk lijf verslijt geen kleren. Na een half oud knapenleven verschijnt op de kleding waarin ik mij vertoon niet de minste ouderdomsvlek noch slijtageplek, niet het miniemste te mazen gat ter hoogte van het kruis, de okselholte of het zittend vlak.
Gelukkig zijn daar nog de wijze vingers van de goede Demon in den Hoge, die buiteneerdige hand die mij stuurt en mij het roken dicteert, zodat ik zonder wroeging en schier onopzettelijk het gloeiende tabaksstof over het door mij zo verfoeide gebied van mijn dos spreiden kan. Voilą, prevel ik dan verrukt tegen mijn binnenste kant, voilą, fezel ik tegen mijn eigen, hoogstpersoonlijke blije ziel, voilą, koer ik onhoorbaar terwijl ik voor de zoveelste keer een smeulend stuk kleedsel in de gladde zak ten voordele van onze minder begunstigde broeders & zusters deponeer, voilą, de Oneindige weet wat en zijn Bestel zit fijntjes ineen, in zijn grenzeloos boze goedaardigheid, zijn grauwelijke goedertieren zijn, legde Hij Die Wat Weet mij de zonde van het roken op.
Zoals u, uit wat voorafging, concluderen kunt, heeft mijn verkleefdheid aan de zware Weduwe niemendal te maken met aandrang & wens om literaire schoonheid te puren uit sigarettenrook noch met de gedachte dat het inhaleren van smook het taalgevoel zoude stimuleren. Mijn domme en levensmoede gewenning spruit voort uit een dictaat, een commandement vertrokken uit het Schimmenrijk. En elkeen die iets substantiėlers dan een erwt in zijn klokhuis heeft zitten, weet dat men zulke commandementen liefst niet in de wind slaat.

© Pjeroo Roobjee