


|  |
MEEK STOPT MET ROKEN
Jan Luik
1
Meek Wortelboer was een tevreden mens. Hij had een vaste vriendin, twee kleine kinderen en een niet al te ergerlijke baan en op vrijdagavond zakte hij door met zijn oude vrienden, als hij niet naar de schoonfamilie hoefde tenminste. Hij was nu tweeëndertig jaar en zag zichzelf zonder zorgen vijftig worden, waarna hij wel verder zou zien. Om de een of andere reden scheen vijftig Meek een magische grens toe. Daar valt wel iets voor te zeggen. Je bent op de helft en dan wordt het zo zoetjes aan tijd dat je je gaat voorbereiden op de oude dag. Minder drinken, minder jus op de aardappels, lid worden van een zwemclub om de spieren soepel te houden en van de kerstgratificatie een winstgevend aandeeltje kopen. De kinderen het huis uit, zo zag Meek het leven na Abraham voor zich, als hij grijs was geworden en als een echte heer kamgaren overjassen ging dragen. Maar gelukkig was het nog niet zo ver, hij had nog achttien jaren voor zich waarin hij kon doen alsof hij een jonge dertiger was, die de problemen van de jeugd had overwonnen en met een glimlach om de lippen schijnbaar onnadenkend door het leven wist te gaan.
Op kantoor zat Meek schuin tegenover mij aan een notenhouten bureau, ingeklemd tussen de vensterbank en de plantenbak met tropisch struikgewas, een overblijfsel uit de jaren zeventig, dat hij ter nagedachtenis van zijn voorganger met liefde onderhield. Een bevoorrechte plek, ikzelf zat aan een op twee schragen gelegde deur, waarop bij gebrek aan laderuimte een enorme warboel van papieren, mappen en diverse kantoorartikelen was ontstaan. Samen schreven we een tweewekelijks periodiekje vol, waarvan ik de naam en de doelgroep maar niet onthul, omdat die informatie er voor het verhaal volstrekt niet toe doet. Ik mocht Meek wel. Er lag een kinderlijke onschuld over zijn bewegingen, zoals hij de dop van zijn vulpen schroefde, suiker door zijn koffie roerde, met zijn lange, slanke vingers over het toetsenbord van zijn typemachine danste, of met veel gepiep zijn houten armstoel naar achteren schoof om naar het toilet te gaan. Hij kon handelingen, die we ieder al honderden malen hebben gedaan, uitvoeren met de angstige nieuwsgierigheid van de nog niet ingewijde. Het sprekendst is wellicht de wijze waarop hij de telefoon bediende. Hij had een tamelijk kort gezicht, met laag geplaatste oren en een zachte stem en werd steevast in verlegenheid gebracht door de omstandigheid dat als hij de hoorn naar zijn oorschelp bracht, het mondstuk onder zijn scherp gesneden kin verdween, zodat zijn gemompel verloren ging voor het de andere kant van de lijn bereikte. Om dat gebrek te verhelpen had hij de gewoonte ontwikkeld om de hoorn langs zijn hoofd op en neer te bewegen, al naargelang van de wenselijkheid met hoorgedeelte of microfoon op de juiste plaats en dat zag er, in combinatie met de voorzichtige wijze waarop hij het apparaat tussen de toppen van duim en vingers geklemd hield, zo belachelijk uit, dat Meek al een kleur kreeg als het toestel begon over te gaan. Hij moest in de loop van zijn leven een intense hekel aan telefoneren hebben gekregen. Ook het gebruik van een personal computer was aan Meek niet besteed, de bediening van een mechanische Remington bezorgde hem al voldoende hoofdbrekens. Dat ik zijn teksten vervolgens in de computer moest invoeren, dat wil zeggen overtypen, nam ik voor lief, want Meek was de enige met wie ik op meer dan oppervlakkige toon over mijn werk kon praten; wij deden immers hetzelfde.
Een enkele maal ging ik met hem mee naar huis. Dan dronken we whisky en rookten een joint en probeerden erachter te komen of we elkaar al eens eerder waren tegengekomen, we waren tenslotte even oud en hadden min of meer hetzelfde uitgaanscircuit doorlopen. Maar nimmer durfden we met zekerheid vast te stellen dat we een shagje van de ander hadden gebietst of wijdbeens staande in het midden van de zaal in Paradiso, met een terloopse glimlach, onze mening over het optreden van de band op het podium kenbaar hadden gemaakt. Meek woonde op de tweede verdieping van een ruim pand in de Jacob Obrechtstraat, te midden van de fine fleur van de vaderlandse cultuurscène. Critici, filmproducers, uitgevers, one hit wonders, voormalige schilders en andere hooggeïnspireerde stadgenoten bevolkten daar het straatbeeld in het voortdurende besef geen enkel recht te kunnen doen gelden op hun op vriendendiensten gebouwde status. Overal zag je hun net iets te brede glimlach, waarmee honderd jaar wanhoop werd weggespoeld. Meek zat er niet zo mee. Dankzij het inkomen van Janneke, die vormgever was bij een gerenommeerd reclamebureau, konden ze zich het appartement veroorloven en ik moet eerlijk zeggen dat het een schitterende woning was. Ruime balkons voor en achter, kunstig bewerkt glas in lood in de ramen en hoge, gedecoreerde plafonds sloten de moderne tijd buiten en lieten de bezoeker in de waan dat de idealen uit zijn jeugd nog altijd op het punt stonden om bewaarheid te worden. Alleen het 'Yo, man!' en 'Dig that' waarmee de twee jongste Wortelboeren, respectievelijk twee en vier jaar oud, zich met hun omgeving onderhielden, herinnerde aan het voortschrijden van de geschiedenis.
Meek was een gelukkig mens en ik hechtte aan zijn gezelschap. Zoals hij kon zeggen: 'Zonder sigaret kan ik niet schrijven,' dat gaf mij de moed om mijn strikte schema van een per twee uur te laten varen en welgemoed een extra rokertje op te steken. Bij Meek bestonden geen gevaren, geen zorgen voor de toekomst en geen treurnis over het verleden. Bij hem leefde je volmaakt in het heden, alles was goed en zo zou het altijd blijven. 'Verandering,' bepeinsde hij eens. 'Ik begrijp de mensen niet die zo nadrukkelijk verandering zoeken. Zijn ze soms bang dat ze onvoldoende van het leven proeven? Veranderen doe je toch wel, dat ligt in het bestaan besloten. Het is juist zo aardig, dat je dat pas achteraf merkt.'
Ik knikte, ik was het roerend met hem eens.
2
Groot was mijn verwondering toen Meek vertelde dat hij en Janneke op tennissen gingen. 'Jij?' vroeg ik. 'Jij met jouw motoriek gaat aan sport doen?'
Meek kreeg een kleur. 'Het leek Janneke een goed idee en ze kan op haar werk geen partner vinden. En och, het zal toch geen kwaad kunnen, een keer per week een half uurtje achter zo'n bal aansukkelen?'
Ik kreeg spijt van mijn uitval. Ik had zijn typische manier van bewegen, die zo prachtig bij zijn karakter paste, niet belachelijk mogen maken. 'Een half uurtje zal wel gaan,' gaf ik toe. 'Maar pas op dat je je niet te veel inspant.'
Samen lachten we de plotselinge onzekerheid weg. We spraken er niet meer over en ik vroeg Meek niet naar zijn belevenissen op de baan.
Een maand later werd het wekelijkse partijtje tot een uur uitgebreid. Hij kreeg nu ook les, van een jongen in een You suck!Tshirt, dat goed samenging met zijn in een paardenstaart gedragen haar. 'Het is op voorstel van Janneke,' verontschuldigde Meek zich. 'Haar buik is nooit helemaal hersteld van het kinderen krijgen en nu wil ze er wat aan doen voor die nog verder uitlubbert.'
'Dat valt reuze mee,' vond ik. Janneke was een prachtig wijf en dat ze een buikje had en dat haar tieten wat dieper hingen dan vroeger, dat hoorde bij een moeder, het gaf haar sensualiteit de rijpheid die strakke jonge meiden zo node ontberen.
Meek lachte toen ik mijn gedachten uitsprak. 'Als zij het nu leuk vindt,' bracht hij in. 'Moet ik er dan per se tegenin gaan? Ik doe haar een plezier, dat mag toch wel? En zestien zal ze nooit meer worden, daar ben ik heus niet bang voor.'
De rest van de dag bespiedde ik nauwlettend Meeks bewegingen en betrapte mezelf erop dat ik hem met stemverheffing in de telefoon zag spreken, zonder het mondstuk naar zijn lippen te brengen. Met de week ging hij er gezonder uitzien. Zijn armen werden vleziger, van zijn wangen verdween de bleke kleur, waardoor het minder snel zichtbaar werd of hij in verlegenheid was gebracht of niet, en de teringlijdersgloed in zijn ogen maakte plaats voor een soortement vastberadenheid. Onvermijdelijk kreeg onze conversatie iets gedwongens. Er heerste de permanente vrees dat een van ons het onderwerp lichaamsbeweging ter sprake ging brengen. Ik was al enige tijd niet meer bij Meek thuis geweest en voelde daar niet de geringste behoefte toe.
In september vertelde hij dat hij met roken ging stoppen. Hij was bij de dokter geweest, vanwege een aanhoudend hoestje en pijn in de borst bij zijn lichamelijke inspanningen, en die had hem met klem aangeraden om de sigaret uit zijn leven te bannen. Inmiddels had hij een squashracket aangeschaft om ook in de wintermaanden, als de tennisbanen waren gesloten, in beweging te blijven.
Het bericht sloeg in als een bom. De man van een pakje shag per dag ging stoppen met roken! 'Dat houd je nooit vol,' zei ik, zonder te beseffen welke ravage ik daarmee in zijn gevoelsleven aanrichtte. 'Doe dan tenminste zoals ik, leg jezelf een maximum van eentje per uur op en probeer langzaam verder terug te gaan. Wie weet wat je allemaal loswoelt als je van de ene op de andere dag stopt? Je lichaam is verslaafd aan de nicotine, je zult doodziek worden.'
Meek had die vooruitzichten zelf al overwogen. 'Ik rook nu vijftien jaar als een schoorsteen,' zei hij met een stem die droop van de spijt. 'Volgens de dokter is er maar een methode om een voortijdig einde door vaatziekten of kanker te voorkomen en dat is radicaal stoppen.'
'So what?' zei ik genadeloos, als een puber van mijn welgemeende desinteresse blijk gevend.
'Ik heb kinderen,' bracht Meek, haast schreiend, uit. 'Ik kan het niet maken om ertussenuit te knijpen zolang zij nog jong zijn. Ik heb gewoon de pech dat mijn lichaam versneld in het stadium van de kwaaltjes terecht is gekomen.'
'Een half jaar geleden was er niks aan de hand. Toen ging je sporten en nu ben je plotseling een zieke, oude man. Wat denk je, zou daar geen verband liggen?'
'De dokter zegt dat dat misschien mijn redding is. Er komt inderdaad van alles los, ik vergiftig mezelf op het moment doordat alle aangekoekte vuiligheid door het lichaam gaat zwerven, maar beter nu dan over vijf jaar, als het te laat is.'
'Denk aan die oude auto, die van roest en olie aan elkaar hangt en waar je al jaren met veel plezier in rondrijdt,' zei ik. 'Eén reparatie en vervolgens kun je er ieder weekend onder liggen om onderdelen te vervangen, tot het je de keel uithangt en je maar een nieuwe koopt.'
Meek glimlachte flauw. 'Boven dit bureau zal nooit meer die vertrouwde deken van smook hangen,' sprak hij dramatisch.
In het pand waar wij werkten was onze kamer het laatste bolwerk waar nog ongestoord gerookt mocht worden en waar werknemers uit aangrenzende lokalen regelmatig onder het mom van een praatje hun shot nicotine kwamen halen. Plotseling zag ik voor mij hoe Meek mij langzaam maar zeker zou beletten in mijn eigen rookgedrag. Met zogenaamd guitige opschriften, in een verloren ogenblik opgestelde huisregeltjes en tenslotte een decreet van de ondernemingsraad ging hij mij in het defensief drijven en uiteindelijk dwingen om het roken er ook maar aan te geven.
'En hoe zit het dan met: zonder sigaret kan ik niet schrijven?' deed ik een laatste poging om het onheil af te wenden. 'Of ga je een nieuwe baan zoeken?'
'Ik zal eraan moeten wennen om ook zonder sigaret tussen de vingers mijn gedachten te ordenen,' zei Meek.
'Wanneer begin je?'
'Volgende week, als we met het nieuwe nummer starten. Dat lijkt me een mooi moment.'
'Nou, neem er dan nog maar eentje van me,' zei ik en presenteerde een Gauloise uit een in mijn kontzak verfrommeld pakje. Dankbaar nam Meek de sigaret aan en zoog de rook diep in zijn longen. Ik voelde intens medelijden met hem.
3
Ik moet eerlijk toegeven dat Meek zich wonderwel door de beproevingen heensloeg. Hij had van zijn huisarts een boekje gekregen met tips om het leed te verzachten. Na een week onthouding was hij een aspirant stopper met roken, na nog eens twee weken een beginnend stopper, na drie maanden een junior stopper en tenslotte, na een heel jaar, zou hij een senior stopper zijn. Zover was het echter nog lang niet. Hij zuchtte en steunde eens zoveel als vroeger, ging in die eerste weken vroeg van kantoor en kon soms minutenlang toekijken hoe een sigaret zichzelf tussen mijn vingers oprookte. Maar klagen of om trekjes bedelen deed hij niet.
'Je hebt er toch geen last van dat ik niet meer rook?' vroeg hij.
'Nee, nee, je doet het prima,' zei ik. De zwijgzaamheid die tussen ons was ontstaan door zijn besluit om te gaan sporten, groeide uit tot een brede kloof, waaroverheen onze woorden elkaar niet meer wisten te bereiken. Plotseling leek heel mijn leven in het teken van het roken te staan en heel het zijne door het stoppen te worden bepaald. Bij iedere poging tot toenadering, iedere opmerking die spontaan in me opwelde, kreeg ik de onvermijdelijke bijgedachte: zonder sigaret zou ik er waarschijnlijk heel anders over denken.
Meek ondertussen was in één klap vijftien jaar levensgeschiedenis kwijtgeraakt. Zijn handleiding drong daar ook op aan. Denk niet te vaak terug aan gebeurtenissen waarbij je een sigaret in de vingers hebt, schreef de auteur op pagina vier. Bespeurde ik een opleving van belangstelling voor glitterpop bij hem, of verbeeldde ik mij dat?
We kregen kritiek op elkaars werk. Ik begon het zijne zouteloos en slap te vinden, hij het mijne nodeloos geborneerd. Onze vanzelfsprekende taakverdeling kwam onder druk te staan, doordat we elkaars stukjes niet langer op spelfouten controleerden, maar van doorhalingen en verbeteringen voorzagen. Daarbij liepen de woordenwisselingen telkens hoger op, tot ik het niet meer kon verdragen en machteloos uitriep: 'Man, ga alsjeblieft weer roken!'
Meek barstte in huilen uit. 'Maak het nou niet moeilijker dan het is,' snikte hij. 'Ik moet volhouden, denk je dat ik dit leuk vind? Ik moet.'
Zo wanhopig had ik hem nog niet eerder gezien. Van de opgeruimde, zorgeloze Meek waar ik een voorbeeld aan nam, was niets meer over, zo leek het. 'Weet je wat jij moet? Een stevige borrel.'
Dankbaar liet hij zich meetronen naar het café op de hoek, waar ik mij installeerde om eens stevig door te zakken. Maar al na twee, veel te langzaam opgedronken whisky's knoopte hij zijn jas dicht en mompelde: 'Ik moet vanavond nog squashen.'
Dat was gelogen, want ik wist dat hij altijd op dinsdag en vrijdag speelde; op vrijdag, de dag die hij gereserveerd had om met zijn oude vrienden uit zuipen te gaan. Ik zuchtte en liet hem vertrekken. Het speet mij om onze vriendschap uit mijn handen te zien glippen, maar wat kon ik ertegen doen? Hij had verandering gezocht, niet ik.
4
Toen hij eenmaal tot leerling stopper was opgeklommen, verdwenen de ergste aanvechtingen van het lichaam en klaarde Meek zijn gemoed weer op. Hij vond mijn werk nog steeds nodeloos geborneerd, maar accepteerde dat ik er een andere kijk op na hield dan hij, zoals hij het noemde. Ik had de indruk dat het met zijn pennenvruchten nooit meer goed zou komen, zo hingen ze van ongemeende flauwiteiten aan elkaar, maar ik hield mijn commentaar voor mij. Hij was weer de collega die hij het eerste half uur geweest was, toen ik bij hem op de kamer kwam en hem maar raar vond, met zijn te korte gezicht en zijn geruite colbertje aan. Met groeiende tegenzin toog ik 's ochtends naar kantoor, steeds minder in staat om mijzelf op te peppen om mij met ziel en zaligheid op het produceren van ons tweewekelijks periodiekje te storten. Geen wonder dat de kwaliteit achteruitholde en het blaadje binnen de kortste keren niet meer van honderden andere, vergelijkbare viel te onderscheiden. Diep in ons hart voelden Meek en ik ons te goed voor het werk wat we deden, waarbij we ons troostten met de gedachte dat tweeduizend anonieme lezers tenminste tweemaal per maand goedgeschreven lectuur onder ogen kregen. 'Nergens staat geschreven dat goedkoop ook slecht moet zijn,' was ons devies als we de waarde van ons werk met onze loonstrookjes vergeleken. In onze hoogtijdagen keken we neer op de journalisten van De Volkskrant en Vrij Nederland. Dat waren nieuwtjesjagers, die over de waan van de dag berichtten, terwijl wij pas na ampele overweging en met oog voor de geschiedenis de pen ter hand namen. Het ging weliswaar nergens over, maar onze methode wist de tijdgeest te weerstaan en daar waren wij trots op. Als wij een etablissement vol beroemdheden binnengingen, gedroegen wij ons met een air alsof we zojuist een aanbod om hoofdredacteur van de NRC te worden hadden afgeslagen.
Die tijden leken nu voorgoed voorbij.
'Hoe gaat het met de sport?' vroeg ik aan Meek, die zijn studentikoze colbertje al enige tijd had ingeruild voor een doublebreasted streepjeskostuum met een das met Herman Broodmotieven en zijn kortgeknipte haar met geparfumeerde gel achteroverkamde.
Zonder mijn spot op te merken vertelde hij dat hij tegenwoordig wedstrijden speelde en gestaag klom op de competitieladder. Omstandig begon hij het systeem uit te leggen waarbij je een hoger geplaatste speler moet verslaan om punten te vergaren, met als uiteindelijk doel om in het eerste team tegen andere verenigingen te mogen aantreden. De wekelijkse partijtjes tegen Janneke waren naar de achtergrond verdrongen, dat was jammer, maar hij was nu zo lekker met zijn lijf bezig, dat zij daar de lol ook wel van inzag.
'Zou jij niet eens met haar willen sparren?' vroeg Meek, terloops met zijn spierballen rollend. 'Jij kan wel wat beweging gebruiken.'
'Ik fiets elke dag naar kantoor. Dat is voorlopig wel voldoende.'
Het was een logische volgende stap dat mijn angsten bewaarheid werden. Eerst werden de buurters geweerd met het argument dat je ook een praatje kon maken zonder een sigaret op te steken. Vervolgens werd mij met klem verzocht om mijn rook niet langer recht vooruit te blazen en na iedere sigaret de asbak af te wassen en tenslotte was het magische moment daar.
'Het moet maar eens afgelopen zijn met dat gerook op kantoor, Jan.'
Ik knikte.
'Weet je wel hoe ongezond meeroken is? Dat jij hier ieder uur een sigaret opsteekt, dat kan mij straks wel twee jaar van mijn leven kosten.'
Ik knikte opnieuw.
'Ik zou ermee naar de ondernemingsraad kunnen gaan, maar het lijkt me beter om samen met jou een oplossing te vinden.'
Deze keer knikte ik niet. Meek liet een glunderend lachje zien. 'Ik ga in oktober de marathon van New York lopen,' onthulde hij. 'Om te kunnen trainen neem ik twee dagen in de week vrij. Onbetaald, natuurlijk. Als we nu om te beginnen eens afspreken dat jij die twee dagen je gang kunt gaan en de andere drie niet meer in deze kamer rookt? Wat zeg je daarvan?'
Ik zei niets. Ik dacht wel van alles. Ik dacht: dan kom ik in het vervolg alleen nog als jij er niet bent. En ik dacht: hoe zit dat met je teruggang in inkomen? Dat vangt Janneke zeker op? En waarom besteed je die extra vrije dagen niet aan je kinderen, in plaats van ze in een crèche te stoppen waar ze enkel de wetten van de jungle worden bijgebracht? Maar het waren vast en zeker de geborneerde gedachten van een roker, dus hield ik mijn mond. Onze vriendschap beschouwde ik als verloren.
De weken daarop zag ik hem inderdaad heel weinig. Als het even kon, nam ik werk mee naar huis en verscheen niet meer uren op kantoor dan de uitgever van me eiste. Die was al eerder met roken gestopt en was niet gevoelig voor mijn argumenten dat ik zonder sigaret niet kon schrijven. 'Dat blaadje van jullie lijkt nergens op, de laatste tijd, en jij rookt nog steeds. Hoe verklaar je dat dan?'
Wel maakte ik een aanval van nicotinedrang mee, althans zo verklaarde ik Meek zijn onbeheerste gedrag in de uren dat wij elkaar tegenkwamen. Hij stond achter zijn bureau over de schrijfmachine gebogen te typen, dronk een liter Isostar per uur en sprak in korte, blaffende zinnen, waar ik geen touw aan vast kon knopen.
Toen hij eenmaal terug was uit de States, scheen de aanval afgeslagen. Hij had de tweeënveertig kilometer binnen drie uur afgelegd en had zich meteen maar ingeschreven voor vier marathons in het nieuwe seizoen. 'Het was geweldig, man. Al die afgetrainde mensen om je heen, de kick die je daarvan krijgt is niet te beschrijven.' Hij sprak lijzig, vreemd genoeg, alsof hij nog steeds niet was teruggekeerd uit de trance waarin een mens tijdens een dergelijke bovennatuurlijke inspanning schijnt te raken. Het doublebreasted kostuum was alweer ingeruild voor een helgroen trainingspak met de naam van de uitgeverij erop. 'Ik word het gezicht van het nieuwe gezondheidsmagazine dat we gaan produceren en ik krijg mijn trainingsdagen vanaf nu gewoon doorbetaald. Goed hè?'
'We?'
Meek toverde een verontschuldigend glimlachje te voorschijn. 'O, ja, jij niet. Ik ben bang dat de baas je eruit wil werken, old boy.'
Ik had de kracht niet om kwaad te worden, tegen niemand niet. Zolang ons oude periodiekje in afgeslankte vorm nog enige tijd doorliep, kon ik op kantoor blijven komen, maar daarna was het wat mij aanging afgelopen.
5
Op een van die laatste dagen in wat mij ooit de ideale werkplek had geleken, belde Janneke op.
'Hij is er niet,' zei ik werktuiglijk.
'Nee, dat weet ik,' zei ze. 'Hij is weer aan het lopen. Kunnen we straks samen lunchen, Jan? Ik moet je dringend spreken.'
Even later zag ik haar in een lunchroom in de Van Baerlestraat. Ze zag er slecht uit, haar wangen waren ingevallen, haar prachtige rode haar was dof en vuil en haar buik leek uitgezakter dan ooit. 'Zo, maar weer opgehouden met tennissen?' vroeg ik, naar haar middel wijzend.
'Alsjeblieft geen grapjes, Jan,' smeekte Janneke. 'Ik ben aan het eind van mijn Latijn. Meek is volkomen doorgedraaid. Hij wil alleen nog maar gezond eten, hij scheldt de kinderen uit als ze voor zijn voeten lopen, want meneer moet zijn rust pakken, zoals dat heet, en hij legt iedereen in huis zijn wil op. En dan dat eeuwige, stomme gehol! Hij heeft nu zelfs een trimbaan in huis laten aanleggen, je weet wel, zo'n lopende band waarop je nooit van zijn leven een stap vooruit komt. Midden in de kamer, godbetert. En hij slaat me zelfs, als we ruzie hebben. Als we geen ruzie hebben ook, overigens, dat schijnt geen verschil meer te maken.' Met een ferme slok sloeg ze haar dubbele whisky achterover in een poging om opwellende tranen te bedwingen. 'Meek is een macho geworden,' stelde ze iets te nuchter vast.
Ik wist niet dat de toestand zo erg was. 'Ik dacht dat hij zijn malle fratsen voor kantoor bewaarde,' zei ik geschokt. 'Hij praat altijd heel positief over jou en zijn kinderen.'
'Omdat hij zelf niet doorheeft wat er met hem aan de hand is. De nieuwste gril is een hoogtestage op Tenerife, om bloedlichaampjes aan te kweken. Hoe verzint hij het? Hij is een ouwe zak die tegen zijn buikje vecht, geen sportman van vijfentwintig.' Dankbaar sloeg ze het nieuwe glas achterover, dat ik had laten aanrukken. 'Het heeft als voordeel dat ik hem drie weken niet hoef te zien, maar wat denk je dat zoiets kost?'
'De uitgeverij betaalt toch?'
Janneke lachte me recht in mijn gezicht uit. 'Heeft hij je dat wijsgemaakt? Ja, een trainingspak hebben ze voor hem gekocht. Een pitbullsmoking met een gouden kettinkie, terwijl hij niet eens borsthaar heeft. Nee, meneer, dat gaat allemaal van mijn centen, van het geld waar straks de kinderen van naar school moeten.'
'Schop hem het huis uit.'
'Jezus, Jan, hij is mijn vriend, de vader van mijn kinderen.' Ze stak een sigaret op. 'Dat kan zo langzamerhand ook alleen nog in de kroeg. Nee, jij moet met hem praten. Het zal wel weer overgaan, deze manie, maar jij moet hem duidelijk maken dat hij in de tussentijd niet te ver moet gaan. Anders ligt hij inderdaad op straat.'
'En zijn oude vrienden dan?'
'Ach, joh, dat stelt toch niks voor? Vroeger waren het lieve jongens, maar ze zijn onderhand al net zo gek als Meek geworden. Die geven hem alleen maar gelijk. Jij moet met hem praten, Jan. Ik kan het niet meer. De kinderen zijn doodsbang voor hem en mijn werk begint eronder te lijden. En je weet dat je je zoiets niet kunt veroorloven als je in de reclame zit.'
Ik knikte instemmend. 'Goed, ik zal met hem praten als hij terug is.'
'Fijn. Weet je wat hij laatst zei? We hadden ruzie en ik schreeuw tegen hem van: waar maak je je in godsnaam druk om? Je hebt toch nageslacht dat in jouw nagedachtenis voortleeft? Prachtige, kleine Wortelboertjes, die hun vader de stoerste man op aarde vinden? Zegt hij: baby, ik voel me zo sterk, ik ga nog wel honderd jaar mee. Hij is alles vergeten, alle angsten en frustraties uit zijn jeugd, die hij zo knap overwonnen leek te hebben, zijn tienvoudig teruggekomen.'
Ik bestelde twee gehaktballen met friet en nam even later met een welgemeende omhelzing afscheid van Janneke. Ik nam mij voor de komende tijd zoveel mogelijk op kantoor te zijn, om een ontmoeting met Meek niet mis te lopen. Uiteindelijk duurde het vier weken, voor hij weer opdook.
'Man, wat ging dat lopen daar lekker,' grijnsde hij, luid smakkend met zijn suikervrije kauwgom. 'Ik dacht: ik plak er nog een weekje aan vast.'
'Van Jannekes geld?'
Een flauw lichtje vlamde in zijn ogen op. 'Heeft ze met je gepraat, dat zeikwijf? Dat dacht ik wel. Roddelpraatjes rondstrooien terwijl ik op Tenerife de kloten van mijn lijf loop, dat is echt iets voor haar.'
Hij was inmiddels gaan zitten, diep onderuitgezakt en met zijn benen naar voren gestrekt, de handen in de nek gevouwen. De onzichtbare muur die hij om zich had opgetrokken en waar niets doorheen kon dringen, was voelbaar in de kamer aanwezig. Het was bijna lachwekkend om te zien hoe hij zich in zijn zucht naar onsterfelijkheid van het leven had afgesloten. Alleen wist hij zelf niet wat er aan de hand was, hoe verschrikkelijk eenzaam hij was geworden. Ik kwam bij hem op het bureaublad zitten en begon een sigaret te draaien.
Verschrikt week Meek achteruit. 'Hé, laat dat! Pas op!'
Onverstoorbaar rolde ik verder. 'Niet doen, Jan. Stoppen, hoor, stop, zeg ik je.' Zijn stem klonk hoog en onvast. 'Waag het niet om dat ding aan te steken. Ik doe je wat.'
'Een jaar geleden dacht je daar toch heel anders over,' zei ik zonder naar hem op te kijken.
'Ik vergiste me. Ik ben van gedachten veranderd.'
'Verandering komt toch vanzelf? Het is toch veel leuker om achteraf pas vast te stellen dat je veranderd bent?'
'Allemaal vergissingen.'
'En lief zijn voor je vrouw en kinderen?' vroeg ik, terwijl ik de sigaret in mijn mond stak en een aansteker te voorschijn haalde. 'Was dat ook een vergissing? Is het beter om ze als vuil te behandelen?'
Even leek hij geslagen, maar toen de aansteker een vlammetje produceerde, sprong Meek overeind en vloog me naar de keel. 'Klootzak!' gilde hij. 'Je wil me dood hebben, hè? Iedereen wil me dood hebben.'
Het werd een ongelijke strijd. Meek zijn geoefende spieren overweldigden me en ik zou het loodje gelegd hebben als ik me niet op slangachtige wijze aan zijn greep had weten te ontworstelen en me achter het bureau had verschanst, waar ik met een stoel voor mij uitgestoken de volgende aanval afwachtte. Meek snoof en trilde, als een roofdier met zijn ogen mijn verdediging afspeurend. Hoe lang duurt het voor ik mijn concentratie verlies? vroeg ik me angstig af. Of zou hij eindelijk gaan inzien dat hij degene was die het bij het verkeerde eind had?
Daar leek het even op. Meek ontspande, streek de kreukels uit zijn trainingspak en mompelde: 'Sorry, dat was niet nodig geweest. Laat die stoel maar zakken.'
Ik gebruikte de stoel om te gaan zitten en wees naar de sigaret, die onaangeroerd op zijn bureaublad lag. 'Het zou je goed doen als je daar eens ouderwets de brand inzette.'
Ik had verwacht dat hij opnieuw razend of bang zou worden, maar tot mijn verbazing zei Meek bijna verontschuldigend: 'Ben je gek, joh? Dan zit ik zo weer op een pakje per dag.'
'Dus je geeft toe dat je er soms moeite mee hebt?'
'Moeite? Ik word er knettergek van. Alleen als ik loop, heb ik nergens last van. Als ik loop, verlang ik nergens naar en ben ik volmaakt gelukkig. Ik moet lopen, weet je?'
'Toen je rookte was je gelukkig, maar het hardlopen ontwricht heel je leven. Wordt het niet eens tijd om naar een volgende verslaving om te zien?'
Meek spreidde als een redenaar zijn armen uit en zei met een gelukzalige glimlach: 'Lopen is niet zomaar een verslaving! Lopen is het gezondste wat een mens kan doen. Citius, altius, fortius! Jong zijn is het oudste ideaal ter wereld, alleen door te lopen kan ik de dertiger blijven die ik nu ben. Jongen, zoals ik me daar tekeerging op die hellingen op Tenerife, een godheid was er niets bij. Stap, stap, stap, die tikkende klok die je op het asfalt achterlaat, het is soms net of je boven de tijd uitstijgt. Dacht je dat ik mij die kick ooit nog door iemand laat afnemen?'
Meek was niet van zijn stuk te brengen. Hij haalde een draagbare dictafoon uit zijn la, dan kon hij tijdens het lopen zijn stukjes componeren, en verdween zonder groeten op een holletje de gang op. Door het raam keek ik hoe hij de straat overstak en de hoek omsloeg, naar het park.
'Dag, Meek,' zei ik zachtjes.
6
Twee weken later was ik ontslagen. Ik vond een nieuw baantje bij een andere uitgeverij, waar ik min of meer hetzelfde ging doen. We zaten met zes man in een ruim lokaal en in de pauzes ging het raam open en mocht er gerookt worden. Geleidelijk rookte ik steeds minder, soms deed ik wel een week met een pakje shag. Mijn collega's waren aardige mensen, met wie ik gezellig over het weer en sport kon babbelen. Alleen een Meek was er niet onder hen.
Van Janneke hoorde ik dat ze tenslotte zelf maar was weggegaan en tegenwoordig met de kinderen op een flatje in de Rivierenbuurt woont. Het laatste nieuws over Meek haalde ik uit de krant. Hij was bij het oversteken van een kruispunt door een vrachtwagen gegrepen en in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. De details kreeg ik bij navraag van de arts te horen. De truck had zijn benen verbrijzeld en met afgezette ledematen had Meek nog een week in het hospitaal gelegen voor het koudvuur zo hoog opkroop dat zijn hart het begaf. Hij had in die zeven dagen een volstrekt paniekerige indruk gemaakt.
'Het was onwezenlijk,' zei de arts. 'Er scheen geen sprake van pijn of angst, alleen een totale verbijstering. In al die uren tot zijn dood heeft hij geen moment te kennen gegeven dat hij begreep wat hem was overkomen.'
'Het leven was te angstaanjagend geworden voor Meek,' zei ik. 'Waarschijnlijk is hij zich daar zeven dagen lang bewust van geweest.'
|
|