


|  |
OCH, VOADERE, GIJ NICOTINEJUNK, UW ROBERREKEN MIST U ZO
Bob van Laerhoven
Voadere had een zeer melodieus ochtendhoestje, hoewel het verkleinwoord hier niet op zijn plaats is. Hij en het oude huis rochelden 's ochtends vervaarlijk en unisono in hun gebinten. Voadere trok er zich geen fluit van aan en stak de ene Groene Michel met de andere zelfgerolde aan, waarna hij dampend uit al zijn lichaamsopeningen tevredengesteld werkwaarts trok, mij met drie kussens tegen mijn schedel gedrukt in mijn slaapkamertje achterlatend.
Eén keer heb ik mijn stoute schoenen aangetrokken en voadere gevraagd waarom hij er zo verwoed op los pafte. Hij kneep zijn ogen toe, rolde onderwijl een sigaret met één hand - een trucje dat ik hem ondanks mijn antitabakgevoelens in het geniep benijdde - en contempleerde wijs met zijn moegestreden hoofd de rode vloertegels. 'Als ze u dàt ook nog afpakken, Roberreken,' was tenslotte de diepste overpeinzing die uit zijn gekwelde werkmansziel kwam. Een zinsnede die mij hevig agiteerde omdat hij mij, ondanks mijn veertien jaar, nog altijd met Roberreken aansprak en het soms zelfs waagde om me over de bol te aaien.
Na veertig jaar doempen kreeg de grote K voadere te pakken, en de grote K nam er zijn tijd voor. Eerst reduceerde de grote K zijn longen tot verfrommelde Kleenexen, daarna pakte de grote K zijn brein aan. Vervolgens deed de grote K een omwegje langs zijn nieren en nestelde zich tenslotte in zijn botten waar hij een loopgravenoorlog uitvocht, die de gifgassen van de Eerste Grote tot mosterdzaadjes herleidde. Voadere hield tot zijn laatste snik - dit mag u letterlijk nemen - van een goeie grol. Zijn stervensverzuchting was dat hij zijn laatste kilo lichaamsgewicht - hij had er nog een slordige 36 over - zou geven om nog éénmaal een Groen Michelleke te kunnen smoren. Jammer dat ik, door traumatische jeugdervaringen gedreven, een verstokte nietroker was, of ik had er één opgestoken en ze brandend tussen zijn lippen geschoven, want hij verdiende het, Milleke, een betere man moet ik nog tegenkomen in mijn ietwat gechargeerde leven.
De meest gesjeesde zoon onder Millekes vier nakomelingen - u mag vier keer raden wie - begon daarna van de weeromstuit allerlei Amerikaanse vitaminepreparaten te slikken die een enigszins gehormonaliseerde blik in zijn ogen teweegbrachten, en ging zich te buiten aan allerlei spierstrekkende en adembenemende sporten, tot hij bulkte van gezondheid. Althans: lichamelijk.
Maar het lot heeft altijd enige vunzige streken voor ons in petto, arme sloebers die we zijn. Mijn tweede wettige echtgenote hield de nagedachtenis aan mijn lieve vader in ere door onbehoorlijke hoeveelheden Camel zonder filter te consumeren, een gesausde sigaret waarvan de geur alleen al mijn verlangen naar verre reizen aanwakkerde, en vooral - vreemd genoeg - het bezit van een kameel om allerlei onnoemelijke dingen mee te doen. Haar vingers hadden de taaie, bruine kleur van de rattus norvegicus, de trek of rioolrat. Haar adem 's ochtends had een interessante teergeur die het voordeel had dat hij mij in de gistende poel mijner jeugd terugwierp. Ik had als zeventienjarige namelijk maandenlang als teerkulleke bij Van Gorp Moderne Wegenbouw gewerkt. Voor de goede verstandhouding, even het volgende: een teerkulleke is niet wat u denkt, maar een groentje dat achter de asfaltmachine moet sjokken en een onvoldoende aanvoer van teer moet rapporteren aan de machinist. Er gaat niets boven de geur van pas gestort asfalt op een warme zomerdag.
Ik was nogal fundamentalistisch in die tijd, zodat ik niet kan beweren dat ons huwelijkspad over rozen ging, of dat onze harmonie de totaliteitswetten tartte. Zij noemde mij een roesloze stumperd en de Don Quichotte onder de moraalridders, en ik verblijdde haar met de aantijgingen als sigaretStachanov en flodderlong.
Het werd een beulsgevecht om het grote gelijk dat hààr tenslotte naar de drank en de slechte mannen deed grijpen en mij ontzagwekkende inzichten in mezelf en een ware lottowinst aan levenswijsheid bezorgde. Haar afscheidswoorden waren immers dat ik nooit een beter schrijver zou worden als ik zo'n - en ik citeer - 'schichtig en ingeperkt mormeltje' zou blijven.
De verworven aanwas van levenswijsheid heeft mij milder gestemd tegenover de excessen van onwetenden die hun lichaam verkwanselen aan allerlei genotsmiddelen die de goede werking der cellen dwarsbomen. Vandaar dat ik heden ten dage mijn gespierde bast en smetteloze longen geregeld omwikkel met een laken dat ik in Püttaparthi nog uit de magische handen van de saddhu Sai Satya Baba heb ontvangen, en mijn waterpijp 'allumeer' om onder het genot van rooie Libanon mijn blik te richten op het geelbruine borrelende water van mijn buikige pijp. In no time word ik dan overvallen door allerlei wijsgerige contemplaties, waarvan déze waarschijnlijk door voadere zelf bedacht had kunnen zijn: van stof en as zijt ge, en als daar wat teer bijkomt, is dat geen erg, als ge begot maar leute hebt. Walmend uit al mijn lichaamsopeningen neig ik dan het moegestreden hoofd en denk ik: och, voadere, gij nicotinejunk, uw Roberreken mist u zo.
|
|