1.
Ik geloof dat het Herman de Coninck was die ooit de hedendaagse scholieren betreurde, omdat ze (doorgaans) op instituten zitten die hun vrijheid als individu respecteren, geen eisen meer stellen qua haardracht en kleding, hun het recht geven op een mening en uiting daarvan, amoureuze omgang met het andere c.q. hetzelfde geslacht aanvaarden.
Wat is er nu voor spannends aan zo'n jeugd? Opgroeien zonder de dreiging van de absolute, in soutane gehulde autoriteit. Geen strafstudies of banbliksems meer, omdat je betrapt werd op café of met een meisje. ('Het was mijn nicht, meneer!') Leraren die zich bij de voornaam laten aanspreken, ook een paardenstaart hebben, mee een pint gaan drinken. En sigaretten aanbieden. Jawel, zelf gezien: klas op wandel in Gent, leerling krijgt sigaret van leraar, op de helft van de hoofden sissen walkmans.
Vrijheid, blijheid. Maar geen enkele kans meer zich ergens tegen af te zetten.
Terwijl wij, achttien in 1969, het genot smaakten van het Pim Pandoerschap, het Zorroïsme, het Reinaertdom. De bordslogan Wees fan van ABN redigeerden wij tot Wees fan van de Stones en we werden twee dagen geschorst. En op donderdag schreven wij in voor 'de biechtviering', maar we zochten in plaats van de kapel de toiletten op om er, neergestreken op de afbladderende bril, een verfomfaaide Belga op te diepen en in haastige rukken tot as te zuigen.
Roken als rukken. Roken als rebellie.
Ik denk dat daar een eerste verband zit met schrijven. Je begint ermee als statement, als verzetsdaad. Tegen voorschriften, tegen de grijsheid, de aangepastheid.
Het is masturbatorisch.
En zonder therapie raak je er niet meer van af.
2.
Aan de andere kant begin je ook te roken om erbij te horen. Uit bewondering en verering: de Beatles roken, je beste vriend rookt, dus jij rookt. Roken uit conformisme. Maar daarin niet overdrijven: mijn eerste merk was Groene Visa, niet omdat het zulke lekkere sigaretten waren, maar omdat iedereen (rode) Belga rookte. Mee met de kudde, ja, maar wel ergens terzijde draven. Later overschakelen op Drum, om je af te zonderen van het te talrijk geworden filterplebs. En binnen het shagvolkje een territorium afbakenen door die 'drumpjes' zo dun te rollen als tandenstokers.
Schrijven uit conformisme? Uit bewondering en verering?
Misschien. Poe schreef, Elsschot schreef, Brouwers schrijft, dus jij schrijft.
Ook hier de centrifugale beweging, de Groene Visareflex. Met ieder nieuw boek op weg naar een eigener plekje, de periferie. Maar niet naar een eiland. Een eigen stem, ja, maar geen assonantie. Zoals je het ook nooit hebt geambieerd zelf je tabak te kweken.
3.
Dan komen de eerste chronische verkoudheden. Iemand wijst je erop dat je door dun te rollen in hoofdzaak papier rookt en dat dat heel ongezond is. En dat een Duits onderzoek zou hebben uitgewezen dat Drumrook blauwzuurgas bevat.
En die Duitsers weten iets van gas af.
Je hebt intussen ook het stadium bereikt van de zesuurneurose; elke avond het dwangmatige tasten in het pakje of er nog voldoende tabak over is om bedtijd te halen, en of je niet beter, met het sluitingsuur in zicht en ondanks de regen, toch nog wat gaat bijkopen.
Je besluit te stoppen.
Overigens rook je onderhand zoveel dat driekwart van de sigaretten je niet meer smaakt. Die eerste na de maaltijden, ja. Maar voor de rest? Soms moet je jezelf bijna dwingen om er een op te steken. Maar niet opsteken is nog erger. Zoals niet schrijven nog erger is dan wel schrijven.
Stoppen met schrijven zou mijn gezondheid ongetwijfeld evenzeer ten goede komen.
Meer lichaamsbeweging en frisse lucht, gedaan met de stress of ergernis omdat het weer niet lukt, omdat de woorden steigeren, omdat de zetduivel toeslaat, omdat er een domme kritiek verschijnt.
4.
Ik stopte met roken. Het was mij door tientallen aangeraden, niet het minst door professionelen, lichaamskundigen.
Stoppen met schrijven is me nog door niemand aangeraden. Hoewel sommige letterkundigen dat misschien al hebben gewild, vrees ik, maar uit hoffelijkheidsredenen achterwege lieten. Kritieken in de zin van 'al gehoord en déjàlu'. 'Zoek een ander merk, Van Heulendonk. Nieuw, stimulerend. Weg van het 'belgaïsme'.
De insulaire critici.
(Ach, die keer dat ik een Waalse medestudent een gele sigaret zag opsteken. Geel, filterloos. Hij inhaleerde als Bogart, tilde tussen pink en duim iets van zijn tong, één oog dichtgeknepen, na zevenhonderd woorden kwamen er nog wolkjes uit zijn mond. Het merk was Hongroise. Meteen waren de bij ons zo gerespecteerde Gauloiseadepten, met hun zwaarexistentialistische dampen, alle prestige kwijt.)
5.
Onthutsing: ik stopte met roken om langer te leven, en het eerste wat ik deed, was verlangen naar het verstrijken van tijd. Het kon niet snel genoeg gaan, want je wil een steeds groter rookloos verleden achter je: al vijf dagen gestopt, al zes, al zeven, en laat het alsjeblief zo vlug mogelijk avond worden, dan kan je weer eten en slapen en ben je verlost van de jeukende vingers, de 'craving lips'.
'Ik ben er al dertig jaar van af.'
Is gelijk aan: mijn leven is voor de helft voorbij.
Schrijven: verlangen naar de laatste zin, het finale punt. Gezet voor men de volgende eerste zin opschrijft.
Al twintig bladzijden geschreven, al dertig, al honderd. Nog zoveel maanden werk.
'Ik heb mijn boek af.'
Is gelijk aan: twee jaar van mijn leven voorbij.
6.
De Brakke Hond vraagt mij: 'Blijven dichters/schrijvers roken uit verzet tegen de onsterfelijkheidsgedachte in het algemeen, en die van de gezondheidslobby in het bijzonder?'
Onzin. Krompraterij om aan een primair falen een ideologisch motief te verschaffen.
Iedereen wil van het roken af. Zelfs Hugo Claus rookt niet echt, maar laat het wolkje ongeïnhaleerd vervliegen, zonder blazen, een beetje gecamoufleerd dus en niet meteen na de trek maar een geraffineerd ietsje later, net voor hij een virtuoze oneliner debiteert, en intussen de aandacht van de toeschouwer afleidend van zijn mond naar de sigaret, door zijn rookhand lichtjes, met Franse elegantie te bewegen op de cadans van zijn woorden.
Iedereen wil stoppen.
Alleen hebben schrijvers/dichters het bijzonder moeilijk, omdat ze bij uitstek zuchtige mensen zijn. Sehnzuchtig. Overstromend van allerlei ondefinieerbare verlangens, onvatbaar als rook. Roken is ook iets als zuchten, maar dan gesublimeerd, gevisualiseerd. Aan iedere zucht het zichtbare excuus van een lichaam geven, een gestalte, zij het een gasvormige en onmiddellijk desintegrerende, zodat ze eindeloos herschapen dient te worden. Zoals ook elk voltooid boek alweer niet het definitieve, alles overbodig makende boek blijkt te zijn en een nieuwe poging moet worden ondernomen.
7.
Toen ik nog rookte, rookte ik nooit zoveel als tijdens het schrijven. Behalve misschien tijdens het drinken. De enige twee activiteiten, overigens, waarbij de sigarettenreeks bleef smaken.
Er is niets zuchtigers dan drinken.
Er is niets dat zo doet zuchten als schrijven.
Intussen ben ik, na een stop van zestien jaar en vooral gedreven door fantoommotoriek, dat wil zeggen heimwee naar de handeling eerder dan naar het product, opnieuw begonnen met roken - zij het onder surrogaatvorm. Ik rook sigaren, waarvan ik de rook niet inhaleer, en ik steek enkel op als ik drink.
Aangezien wat onder invloed geschreven is, de volgende dag meestal wordt weggeworpen (ik de hemel dankend dat dit niemand onder ogen kwam), hebben roken en schrijven voor mij iedere samenhang verloren.