Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Kleine bloemlezing over roken uit het werk van een niet­roker

A.F.Th. Van der Heijden

Paganini non Ripete
(uit: De draaideur, 1979)

De zon kliefde de straat over de lengte in twee precies gelijke helften. De jongens bevonden zich deels, tegen auto's geleund, in de schaduw, deels, met zonnebrillen op, in het volle zonlicht. Op kortmouwige T­shirts las ik de namen van verscheidene Amerikaanse universiteiten. Tussen de witte shirts zag ik drie rode en twee blauwe. De blauwe shirts droegen een zwarte 8 op de rugzijde.
De jongens waren zonder uitzondering baardloos. Op hun bovenlijven, nog niet door deegspijzen opgezet, stond in twee verticale kolommen hun leeftijd geturfd. In reliëf: pansfluiten, door hun strakke shirts verhuld en tevens zichtbaar gemaakt.
Het zonlicht met mijn benen vermalend volgde ik de schaduwlijn in de richting van een T­splitsing, waar de Via Comesichiama in de Via Comesidice uitmondt. De door de zon uitgestippelde lijn leidde mij feilloos naar de ingang van de bar die zich op die splitsing bevindt. Door de hitte bewoog ik me traag. Enigszins achterover hellend. Als een zwangere vrouw. Een beetje hoerig.
Alsof ze me niet zagen, keken de jongens verveeld langs me heen in de richting van de Corso. Ik passeerde achtereenvolgens een tennisracket in een hoes, een set ballen, een kromgetrokken gitaar, een vioolkist, een zacht ruisende draagbare radio en een schooltas waaruit de spitse punt van een plexiglazen driehoek de hoogte in stak.
Halverwege de straat trof ik mezelf aan: in de gedaante van een pullover. Ik hield mijn mouwen om een tenger middel geslagen. De strak ineengedraaide uiteinden vormden een springveer, die elk moment zijn spankracht kon verliezen en losschieten. Ik zou omhoogwieken naar de antennes op de daken en daar blijven hangen. Een rog aan een drietand gespiesd.
Op de bazalten borst van een negerjongen schitterde, aan een kettinkje, de beeltenis van de Heilige Maagd.
In de bar, waar ik een witte wijn met ijs bestelde, zat aan een tafeltje een stokoude vrouw trillend te roken. Haar vrije hand rustte beverig op de knop van een paraplu, die inwendig klapperde. De elleboog van de arm waarmee zij rookte, steunde op het tafelblad, waaronder de ongelijke poten met haar meetrilden. Moeizaam bestuurd vond de sigaret zijn weg naar haar dunne lippen. Ze nam steeds gulzig een serie van snelle, korte trekjes, die ze in haar longen verzamelde en vervolgens niet uitblies, maar uithoestte. Op elk van haar langdurige hoestbuien leverde een jongen in een wit jasje, bezig het espressoapparaat te demonteren, venijnig zijn commentaar.
'Roken tantetje, roken maar. Het zal je goed doen. De rook komt je oren uit. Ik kan hier de sirocco in je long horen gieren. Net een doedelzak, die long van je. En je pijpt hem zelf. Met je sigaret als mondstuk. Gisteren vroegen de buren nog of het harmonium wat zachter kon. En violen hebben ze horen krassen. Valse violen. Harmonium, violen... In jouw ademhaling hoor ik hele symfonieorkesten hun instrumenten stemmen. Een complete orkestbak, dat karkas van jou. Een krakende klankkast. Een kafafonie. En 's nachts, tantetje, 's nachts... Die treurige, slecht gestemde viool, die je zelf niet kunt horen... Nachtenlang lig ik ernaar te luisteren. Hoe die dronken strijkstok met aanstellerige sprongetjes de hoogte in danst. Hij denkt dat de snaren een trappetje vormen. Een trappetje van kattedarmen. Hij zou zo wel de hemel in willen schieten. Maar het blijft bij wat dribbelpasjes op de plaats. Tot hij er genoeg van heeft en zich met een langgerekte zucht de diepte in laat zakken. Er komt geen einde aan. Alles houdt de adem in. Behalve jij. Als je ooit wakker mocht worden van gesteun, tantetje, denk dan niet dat ik het ben. Nee, tantetje, dan is het Paganini die zich omkeert in zijn graf.'
'Paganini... Paganini... non­non­non... ripete,' bracht het ouwetje uit, met de volgende hoest al op haar tong. Ze stond op en begon met haar paraplu naar de jongen uit te halen. Haar slagen ontweek hij handig. Keer op keer hoorde ik de metalen punt op de bar neerkomen.
Ik ging met mijn glas aan het raam staan. Van achter de vitrage kon ik ze ongezien bespieden, mijn engelen in hun lediggang.
Voorafgegaan door twee ouwelijke dwergen op een scooter draaide na enige tijd een kleine auto vanaf de Corso Noloso de Via Comesichiama in. Scooter en auto reden snel de straat door en sloegen op de splitsing (senso unico!) rechtsaf. Even later verscheen de auto weer aan het begin van de straat, minderde vaart en legde met lage snelheid het hele traject nog eens af. De scooter bleef weg.
Inmiddels had ik gezien dat de auto, een Fiat Bambino, bestuurd werd door een vrouw met een zonnebril op. De derde keer reed ze stapvoets de straat in, stopte halverwege en draaide het portierraampje open. Haar knikje werd beantwoord met een glimlach. Een jongen liep fluitend om de auto heen, rukte de mouwen van zijn pullover los en gooide hem op de achterbank. Mijn adem stokte. Hij stapte in. Naast elkaar gezeten zag ik ze op me afkomen en naar rechts, voor mij links, uit zicht verdwijnen.
'Tante Fumo­negli­occhi, zo noemen ze je hier in de buurt,' ging de jongen door. De oude vrouw tastte, machteloos hoestend, achter zich naar haar stoel en plofte neer. 'Je bent de jongste niet meer, tantetje. Je bent broos als de askegel aan je sigaret. Je hebt je tijd gehad. Je kunt de jongeheren niet meer naar je pijpen laten dansen, zoals de dames daarbuiten. Je bent oud. Een oude vleermuis. Je botten steken als de ba­leinen van je paraplu door je vel heen. Als jij al lang dood bent, dan zal hier in de bar je laatste adem nog hangen. Met kranten zullen we je laatste adem moeten verjagen. Rook, tantetje, rook. Uit je kist zal door reten en kieren nog rook opstijgen. In plaats van een zerk komt er een schoorsteen op je graf.'
Het ouwetje was weer overeind gekomen en stond nu, als een dompteuse, met geheven stoel tegenover de jongen, die lachend achteruitweek tot hij in een gang verdween. Ze zette de stoel weer neer en ging uitgeput zitten. Mompelend en rochelend.



Geen kettingroker
(uit: Vallende ouders, 1983)

Strikt naar de letter van de definitie genomen ('iemand die de ene sigaret met de andere aansteekt') was mijn vader geen kettingroker. Het zou zijn acute dood betekend hebben wanneer zijn rookgewoonte door dit begrip plotseling een spiegel voorgehouden had gekregen. Hij wilde er niet aan.
Hij zorgde ervoor dat nog tijdens het ten einde roken van een sigaret de volgende al naast het pakje lag. Restte tussen zijn vingers alleen nog een peuk, dan nam hij deze in de mond om een nieuwe sigaret uit het pakje te kunnen tikken. Alles geschiedde met de grootste aandacht. In het achterover gehouden hoofd ging het ene oog helemaal en het andere half dicht tegen de rook die langs zijn neus omhoog lekte. De nieuwe sigaret werd, op de tast bijna, heel secuur tussen het pakje en een doosje lucifers ingeklemd, alsof hij van het verminderd zicht van de roker misbruik zou kunnen maken door weg te vliegen en zo zijn lot te ontlopen... Vervolgens nam de man het peukje uit de mond, doofde het in de asbak, stak de nieuwe sigaret tussen zijn lippen en streek een lucifer af. Wat hij uitblies moest een mengsel zijn van oude en nieuwe rook.
Mijn moeder had hem al eens voorgehouden dat het heel wat geld aan lucifers zou uitsparen indien hij eindelijk de kettingroker wilde zijn die hij in feite was. Ze begreep er niets van. De man had zijn lucifers hard nodig... Hij hanteerde ze als gloeiende smidshamers die de ketenen van zijn verslaving moeten breken.
Zo observeerde ik hem vanuit mijn ooghoeken, en voelde het zweet koud worden op mijn rug. Boven onze hoofden schuifelde en plaste mijn moeder rond. In de kamer zelf was af en toe een regelmatig tikken te horen... niet van de klok, want die was elektrisch. De man aan de tafel had dan zijn sigaret in de asbak gelegd om met de nagels van zijn rechterhand die van zijn linkerhand te bespelen. Zo regelmatig, dat het inderdaad iets van het tikken van een wekker had. Het duurde nooit lang, want de rook van de sigaret klom recht naar het plafond en de roker schrok van de kegel die uit zichzelf in de asbak viel. Hij hervatte gauw zijn voornaamste bezigheid... met aandacht... met beheerste hartstocht...
Ik schaamde me van zo dichtbij het verdoen van zijn leven gade te slaan. Zoals iemand zich schaamt die andermans slechte adem ruikt, in plaats van hem die kwalijk te nemen.
Ik hoefde mijn gehoor niet tot het uiterste in te spannen om bij het inhaleren dat hij deed glimpen van zijn inwendig landschap op te vangen. Elke trek klonk om te beginnen als een slordige windvlaag in de pijpen van een orgel. Vervolgens was te horen hoe de rook zich een weg zocht door de woestenij van zijn borst. Geluiden die een vermoeden gaven van het landschap. Onherbergzaam... vol tegen elkaar opspelende winden. Alles hing er van taaie slijmdraden aan elkaar. Spinnenwebben van gesmolten glas, die stukgereten werden bij het uitstoten van de rook. Een tochtig kerkhof.



De sigarenwinkel van 'Kop' van Delden
(uit: Weerborstels, 1992)

Op een zondagmorgen in mei kwam Robbertje van acht helemaal alleen van Eindhoven naar Geldrop gefietst. 'Wat komt die klier doen? Het gaat zeker niet goed daar, met die Hendige Henny erbij,' zei mijn moeder, toen ze zag hoe het jongetje zijn fiets met een luide galm van bel en frame tegen de schuurmuur liet vallen.
We kregen niet uit hem wat hij nu precies kwam doen, Robby; wel was duidelijk dat hij niet meteen weer wenste op te hoepelen. Hij bleef hangen, en natuurlijk draaide ik ervoor op om hem bezig te houden. Het maakte me zenuwachtig, want sinds enkele maanden stond de zondagmiddag voor mij in het teken van een geheim ritueel dat ik er samen met mijn vriend Thjum op nahield, en daar konden we verder niemand bij gebruiken, zeker geen kinderen van acht.
In de enige bioscoop die Geldrop toen nog rijk was dompelden we ons voor twee kwartjes onder in duisternis en avontuur, maar daartoe moesten we ons wel, als het in de film heet toeging, de klappen op hoofd en schouders laten welgevallen van het woonwagenvolk ('schooierskamptuig' zei Thjum) dat het grootste deel van de stoelen bezette. Dat was allemaal nog maar voorbereidende roes. Als we ons tot trillens toe gelaafd hadden aan wat die B­films ons aan snelheid en hartstocht, aan vuisten en lippen en kogels en kussen en brandende auto's te bieden hadden, gingen we in navolging van de helden die we in het donker achterlieten zelf de gloed van een leven van kracht en heldendom inzuigen.
Per sigaret.
De sigarenwinkel van 'Kop' van Delden naast de bioscoop verkocht ze voor de woekerprijs van vijf cent het stuk; voor een heel pakje hadden we niet genoeg geld. We rookten onze sigaret, en soms nog een tweede, in de doodlopende steeg tussen bioscoop en sigarenhandel, waarbij we met onze rug naar de zondagswandelaars op het trottoir van de hoofdstraat stonden. Het risico van voorbijkomende familieleden hadden we nodig, wilde de geïnhaleerde rook tot dieper dan de longen, tot in onze darmen, doorgloeien.
'Als het maar niet voor hummes is,' zei Kop van Delden die zondag. Hij wees met zijn sidderende onderkinnen op Robby, die nauwelijks boven de toonbank uitkwam. 'Dat manneke is nog veels te klein.'
Buiten in de steeg, keek ik even later met samengeknepen ogen tegen de rook neer op Robby's weerborstels, waaromheen de rook van zijn eigen sigaret opkringelde. Thjum en ik leunden in de schaduw tegen de zijmuur van de 'Beverly Hills', maar Robby stond in het volle zonlicht. Hij vond het niet nodig het zondagse publiek zijn rug toe te keren. Integendeel. Uitdagend diep inhalerend keek hij naar de voorbijgangers, die zich niet aan ons tweeën vergaapten, zoals we gehoopt hadden, maar aan dat rokende kind met zijn gemillimeterde haar. Een achtjarige die grote rookwolken uitblies, rochelde, en spoog en vloekte als een volwassene, en met zijn duim de rooktranen uit zijn ooghoeken wipte.
Nadien kwam Robby elke zondag terug - tot merkbaar ongenoegen van Thjum, die onze intimiteit geschonden zag, maar er niets van zei, omdat het jongetje van zijn handige stiefvader altijd zoveel zakgeld meekreeg en erg vrijgevig was. Zelf kon ik nooit genoeg krijgen van het uitzicht, van boven af, op dat boze kinderkopje met de onschuldige oortjes, en op die weerborstels van witgoud die nog wonderlijker draaiingen leken te vertonen als de zon erop scheen door een bewegende mist van sigarettenrook.



De laatste sigaret
(uit: Asbestemming, 1994)

Hoewel ik nooit een roker ben geworden, was ik als kind al gefascineerd door het fenomeen van de laatste sigaret - niet de u.s., de ultima sigaretta van Svevo, niet de 'echtdelaatste' van de verslaafde die wil stoppen, maar het saffie dat de ter dood veroordeelde aangeboden krijgt, vaak rechtstreeks tussen de lippen omdat hij gekneveld is. (Zorgzaam bedekt de beul, bij het aanreiken van vuur, het vlammetje van de lucifer met zijn vrije hand, waarvan de palm oranje oplicht in de dageraad van de terechtstelling.) Misschien was 't het trieste mengsel van gretigheid en vergeefsheid... Maakte die uitgerekende dood het genot van die laatste trekjes niet bij voorbaat ongeldig? Sneed er niet al een valbijl of een touw tussen mondstuk en geïnhaleerde rook? Zichtbaar gemaakte laatste adem, die de ochtendschemering nog marmert als het hoofd al van de romp gescheiden is.
Kwam het doordat die korte, witte strohalm, waar mijn vader zich met gevorkte vingers aan overeind hield, de spil van onze wereld leek? Hij trok zich er elke ochtend aan op, zoog zich vol rook (waarbij de geprikkelde longen een half opstandig, half tevreden gemompel voortbrachten), en zo hees hij zich van sport naar sport door de dag, langs een breekbare ladder van askegels. Elke trek die hij nam, schroeide ook door mij heen, tot diep daar beneden. Acht, negen jaar oud was ik al hartstochtelijk, in de grootste ernst, met roken bezig. Een tante bij wie ik logeerde, zag hoe ik stukjes tak van de heg op maat brak en er, als waren het vloeitjes, heggeblaadjes omheen rolde. Ik rookte alsof mijn leven ervan afhing, diep inhalerend, plukjes shag van mijn lip plukkend, de rook door mijn neusgaten weer naar buiten persend. Uit medelijden of uit dommigheid, kwam tante vragen 'of ik misschien een echte sigaret wou'. Geschrokken schudde ik nee. Het maakte geen verschil. Het ging om de gebaren, de gravende sensatie in de longen; om het ritueel dat ik met mezelf opvoerde, en dat zich van buiten naar binnen bewoog, en waarvan ik het holle altaar was. Er hoorde een tweestemmig gesprek bij, dat half in rook en hoest gesmoord werd.
Een roker ben ik nooit geworden, maar er was een eerste sigaret. Elf was ik, net als mijn vader. Een fotograaf die in dichtgetimmerde bioscopen deed, heeft er later zijn voordeel mee gedaan, maar toen was het nog in bedrijf, Geldrops Citytheater, zij het alleen voor de matinee op zondagmiddag. Twee kwartjes en je zag de prachtigste B­films; soms een Elvis. Het harde zondaglicht zou ons na de apotheose van schoten, vuur en kussen vermorzeld hebben, als er niet de verrukkelijke broederschap van het roken geweest was. Eén sigaret ieder, Willy N. en ik, in de steeg tussen bioscoop en sigarenwinkel, meer konden we niet betalen maar het was genoeg voor een kostbaar verpeste adem, de bleekheid van filmsterplaatjes, de roes van vriendschap, kortom, voor onze redding. Eindelijk werd mijn ritueel ingevuld met echte tabak, echt vuur, echte rook, al spande er boven in mijn luchtpijp nog een soort maagdenvlies, dat zich niet zo gemakkelijk gewonnen gaf.
Niet minder dan een verraad was nodig om mij dat broederlijke roken te laten afzweren. Het moet een wel erg dure eed zijn geweest, want afgezien van een korte periode verplicht hasj dampen en een nog kortere van dandyesk panatellagebruik heb ik nooit meer iets met tabak te maken willen hebben. Willy N. pleegde verraad aan onze grootste intimiteit door er meisjes in te laten delen, onder wie mijn kleine geliefde Tonny de G. die ik als mijn eigen zusje beschermde, en dat betekende onder meer: roken ten strengste afkeuren. Dubbel verraad dus. Met de vriendschap kappen was niet voldoende. Had ik op school niet geleerd dat vlinders, door wat ze afscheidden, een geur, een stof, ook op grote afstand iets intiems met elkaar konden hebben? Ieder apart door blijven roken betekende nog te veel intimiteit. De handeling zelf diende vernietigd, bij mij, door mij, en des te grondiger omdat ik wel wist dat de ander door zou gaan. Ondertussen kon ik niet anders dan met mijn vader, diep en ingewandschroeiend, blijven meeroken. Hij joeg zijn hete rook door mij heen.
Ik verbeeld me dus dat niemand beter dan ik de tragiek van de Laatste Sigaret kan navoelen. Mogelijk is mijn eerste romanproeve, in 1972 in huis en tuin van mijn ouders ondernomen, vooral een poging de apotheose van de dodensigaret te bereiken. Een man in cowboyuitrusting door een Hollywoodachtige woestijn op een queeste naar de oermaterie - voor minder deed ik het op m'n twintigste niet. In the middle of nowhere staat een roestig kanon, geen kort pijpje op hoge wielen uit de Amerikaanse Burgeroorlog, maar een soort Dikke Bertha, waardoor de avonturier het niet meteen als geschut herkent. Iets zegt hem dicht bij de waarheid te zijn. Voordat hij zich het duister van de geheimzinnige tunnel in laat glijden, rookt hij, staande in de barre zon, wat zijn laatste sigaret zal blijken te zijn. Uit bijgeloof of onbehagen schiet hij met zijn revolver op een gier die boven zijn hoofd roerloos op de tak van een dode boom zit. Als de warreling van veren is neergedaald, blijkt de roofvogel, nog steeds vastgeklauwd aan de tak, met zijn kop naar beneden te hangen; uit zijn kapotgestoken lijf puilt stro. Nog heeft de held niets in de gaten. In het woestijnzand trapt hij, tussen fletse veren, nauwgezet zijn peuk uit naast het glazen oog dat uit de kop van de gier is gerold. Hij laat zich in de loop van het mortier zakken. Dat het gezochte brok oermaterie een op scherp staande granaat is, kan hij alleen ontdekken door zelf in duizenden fragmenten uiteen te spatten.
Bij mijn vader moesten de ultima sigaretta voor het stoppen en de Laatste Sigaret voor het sterven noodzakelijk samenvallen. Wanneer die gerookt werd, weet ik niet. Toen ik van zijn ziekenhuisopname hoorde, vijzelde ik me tegenover mijn moeder tot grote woede op, omdat hij niet bereid was geweest het roken op te geven. Later stelde ik me voor dat hij het op het eigenste moment van mijn boosheid, die hij niet kon horen maar waarvan hij misschien de gloed kon voelen, had opgegeven. Waarschijnlijker is dat door de vochtaanwas de sigaretten waren verdreven; alleen al technisch kon hij er geen gebruik meer van maken. Sublimeerde hij die laatste weken, in het ziekenhuis, zijn verslaving aan het gebaar door met zijn rokersvingers onophoudelijk de tijd af te lezen? Met de hand waarmee hij gewend was het pakje sigaretten te voorschijn te halen, sleepte hij nu zijn horloge aan. De bruine nagels die vroeger een sigaret lospeuterden, krabden nu een meestal denkbeeldige pyjamamouw opzij. Ogen die hij een leven lang had samengeknepen tegen de rook kneep hij nu samen om de wijzerstand scherp te krijgen. Het was eerder een onzeker tasten naar de tijd dan een aflezen, en hij leek daarmee op de invalide portier aan de ingang tot Nooit meer slapen, met zijn blindenhorloge.
Na de ziekenhuisopname had hij mijn moeder gevraagd een pakje Lexington voor hem mee te brengen, en een wegwerp­aansteker.
'Je bent gek. Nou nog roken?'
'Niks roken. Om in m'n kastje te leggen.'
Zij protesteerde niet verder, en bracht de volgende dag het gevraagde in haar handtas mee. Hij sloot het pakje, ongeopend, samen met de aansteker in zijn nachtkastje weg. Voor mijn moeder was het verleidelijk te denken dat hij, in zijn wroeging om wat hij bij zichzelf had aangericht, de sigaretten binnen handbereik wilde hebben om zichzelf te tarten, om zichzelf en anderen in die laatste dagen van hoop te bewijzen dat hij - vrijwillig - zonder kon. Ook al was het te laat, dan zou hij ons in ieder geval zijn goede wil nalaten.
Misschien had zij gelijk.
Toen geen middel meer hielp tegen de inwendige overstroming, tegen zijn brakke binnenzee, en hij al had gesuggereerd dat ook zijn mogelijkheden uitgeput waren en hij het einde onder ogen zag, opende hij het kastje. Hij overhandigde mijn moeder het nog steeds ongeopende pakje Lexington en de aansteker.
'Hier, dat heb ik nu niet meer nodig.'
Het is mijn uitleg tegenover die van mijn moeder. Niet om alsnog de strijd aan te gaan met de verlokkingen van het tabaksmonster had hij die sigaretten in zijn ziekenhuiskastje gelegd. Wat hem zijn leven lang, vanaf zijn elfde, het intiemst begeleid had, wilde hij in die laatste dagen koesteren - door het dicht bij zich te hebben, samen met het snel te onsteken vuur waardoor het altijd zijn dampen prijsgegeven had. Dit gold voor mij als een veel groter heldendaad, en liet bovendien, door een kier, zien dat in de man poëzie school. Van het middel dat hem langzaam naar de dood had gevoerd, kon hij in zijn laatste weken niet zomaar scheiden. De geruststellende aanwezigheid zo vlakbij... Als het hem dan niet gelukt was zich ervan te ontdoen, het te verstoten, af te zweren, ervan te genezen, dan moest hij zijn liefde maar tot het uiterste rekken.
Daar, in dat kastje, lag ook iets te sterven, samen met hem; iets wat zijn adem bezield had, en zijn adem nodig had gehad om zelf bezield te raken. De man en zijn hartverwarmer - zo waren ze allebei minder eenzaam. Toen hij sterven ging, gaf hij het middel terug aan mijn moeder.
'...dat heb ik nu niet meer nodig.'
Hij wilde niet dat het hem in diezelfde kamer zou overleven.



Inhaleren
(uit: Onder het plaveisel het moeras, 1996)

Een mespuntje. 'Sommigen worden er de eerste keer misselijk van,' had Ali gezegd, maar het deed wonderen. Niks engs met naalden en bebloede watjes. Gewoon een ijl walmpje dat van een verhit stukje aluminiumfolie opsteeg, en dat dan via een hol pijpje inhaleren. Ali, die hem de hele avond niet had zien roken, informeerde eerst bezorgd of hij wel kon inhaleren. Albert stelde hem gerust.
Bij het zondagse roken met Thjum en Robby in de steeg tussen de sigarenwinkel en de Beverly Hillsbioscoop had hij van meet af aan al over de longen gerookt, zonder de eerste keer ziek te worden, al bleef Alberts neefje Robby, toen acht, de twee dertienjarigen voorhouden dat ze, alvorens een sigaret op te steken, 'beter eerst hun broekspijpen dicht konden binden'. En tegen Thjum, toen die inderdaad een keer verdacht wit wegtrok en zelfs een beetje begon te loensen: 'Hendig, he, als ge zo met oe rechteroog in oe linkerbroekzak kunt kijken. Vooral als ge oe zakcenten wilt tellen.' Na het verraad van Thjum, die de intimiteit schond door er - uitgerekend hij - meisjes bij te halen, had Albert het roken zo grondig uit zijn leven gebannen dat hij zeven jaar later, toen de noodzaak van inhaleren zich pas weer voordeed, niet meer wist hoe daar zijn longen bij in te schakelen.
'Flauwekul,' zei Flix op een septemberavond in '70, terwijl hij met een combinatietang een blokje hasj in een kaarsvlam hield. 'Er zijn drie dingen die je nooit verleert: fietsen, zwemmen en roken. Probeer me dus niet voor de gek te houwen. Ik heb nou wel iets anders aan m'n kop. We kunnen Jimi niet laten stikken.'
'Hoeft ook niet meer. Hij is al gestikt. In zijn eigen kots.'
'Heb je hem weer met z'n braakseltheorie. Jongen, hou daar toch eens over op. Het was een overdosis lsd. Geen slaaptabletten.'
'Jij weet meer dan de lijkschouwer.'
'Hendrix had gezegd over zijn muziek: "Deze cirkel heb ik volgemaakt. Nu kan ik of dezelfde cirkel overnieuw beginnen, of een heel nieuwe cirkel rondmaken." Nou, wat doet zo iemand dan? Hij zoekt het in de lsd. En veel. Ook 's nachts.'
'Hij is nu inderdaad aan een nieuwe cirkel begonnen, of het nou op de acid is of op de tranquillizers. Een mooie ronde trip.'
'Nou, komt er nog iets van die nachtwake, of hoe zit dat? Rot anders maar op.'
'Ik wil wel aan een eredienst meedoen, maar dan moet ik eerst een beetje ordentelijk over de longen leren rukken.'
Uit Flix' speakerboxen kwam de gitaarintro van The wind cries Mary.
'Twee minuten stilte,' zei Flix. 'Hij zingt.'
Flix, in kleermakerszit (lotuszit, zou hij in die dagen zelf zeggen) op de vloer van zijn zolderkamer met tangen, messen en builen tabak om zich heen, begon in een koperen bakje van zijn oude weegschaal de verhitte hasjiesj fijn te maken, waarbij het andere bakje met de tegengewichten luid kletterend op en neer bewoog.
'Twee minuten stilte,' zei Albert. 'Hij zingt.'
Flix vulde een gewone pijp met lichte shag, en liet Albert er net zo lang aan lurken tot hij het inhaleren weer machtig was.
'Weet je zeker,' vroeg Flix, 'dat de rook de goede kant op gaat? Want straks met die stuff, als dat de maag in trekt, dan weet ik zo net nog niet wie er stikt in zijn eigen kots.'
Albert verzekerde hem dat het zwaardere dampen een aanvang kon nemen. Flix' waterpijp wilde niet meewerken aan de eredienst, wat volgens hem kwam 'doordat ik er vorige keer een paar flessen Griekse wijn van Samos in gegoten heb, in plaats van water...' De gewone pijp dan maar. And the wind... whispers... Mary. Naast elkaar uitgestrekt op het karpet, dat meer touw dan kleed was, gaven ze onderling de pijp door, en luisterden naar de nummers van Electric Ladyland. Flix' arm opereerde volledig los van zijn lichaam. Door zijn oogharen zag Albert hoe de arm zich als een cobra, draaiend met zijn kop, van de grond verhief om de pijp tussen zijn naaldscherpe giftanden te nemen. Flix hield de rook zo lang in zijn longen vast dat er bij het uitademen nauwelijks meer iets van te zien was.
'Koffie...!' klonk de stem van tante Maya uit de intercom. Flix wilde opstaan om de knop in te drukken en te antwoorden.
'Niet doen,' zei Albert. 'Het is de stem van je moeder, maar het zit in de muziek. Het hoort erbij. Ze hebben het in de plaat geperst. Een verwijzing van Jimi Hendrix naar het "Come in!" uit Finnegan's Wake. James Joyce dicteert een passage aan Samuel Beckett. Er wordt geklopt. "Come in!" zegt Joyce. Beckett, een en al concentratie, noteert het. Sindsdien is het onderdeel van de tekst. Met de werkelijkheid heeft het niets te maken...'
Flix bleef liggen, ook toen later zijn moeder gejaagd in hetzelfde luidsprekerstemmetje zei dat ze 'hevige bloedingen' had gekregen. 'Blijven jullie maar zo lang zitten kaarten als je wilt... maar als het erger wordt, Flixje, moet je het ziekenhuis voor me bellen. Ouder worden is een kruis.'
'Niet opstaan,' zei Albert. 'Het zit in "Voodoo Chile". Het is de persing.'
Later, naar huis lopend, werd Albert gevolgd door iets wat zich ritselend door de struiken in de wegberm verplaatste - ook verderop nog, waar geen begroeiing meer was. De ontdekking dat het geritsel afkomstig was van zijn eigen haar, dat in de wind langs zijn oorschelp streek, betekende nog niet dat hij niet meer gevolgd werd. Het was trouwens een manoeuvre om hem af te leiden van een veel ernstiger aanslag op zijn leven: door de ochtendmist, en verblind door rode en groene stoplichten op het kruispunt bij de kathedraal van Geldrop, had hij hem niet zien aankomen, de eerste van de drie massief bronzen kanonskogels die hem werden toegeslingerd door de klok hoog daarboven, om drie uur precies, en die hem vol in de maagstreek trof. Hij klapte dubbel, en was meteen zonder adem.
En nu leerde hij, van een Duitssprekende Turk die hij nog maar net kende, voor de derde keer in zijn leven inhaleren. Albert ving de draak, en de vermoeidheid gleed als een mantel van hem af, en daarmee ook de dubbele voering van de angst.

© A.F.Th. Van der Heijden