Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

DE LAATSTE ROKER

Johan Vandenbroucke

Het was tien voor half een. Om half negen van huis gegaan, had hij precies drie uur en vijftig minuten niets gerookt.
Willem Frederik Hermans, De laatste roker, 1991

Al een uur en vijftig minuten heb ik niets gerookt. Nog tien minuten, dan zal ik een sigaret opsteken en een streepje zetten in het schriftje dat naast het toetsenbord ligt. Een sigaret om de twee uur. Dat maakt acht of negen sigaretten per dag. Een besparing van meer dan 150 frank.
'Je hebt een rokershoest,' beweerde mijn vriendin laatst toen we de filmzaal uitkwamen. Later, in het café, verslikte ik me en kreeg een hartstochtelijke hoestbui. 'Je begint te hoesten als Willem Frederik Hermans,' zei ze.
Vooral als ik schrijf, let ik niet op mijn rookgedrag. Soms werk ik een nachtje door. Als ik dan de volgende ochtend moegewerkt, doorrookt en gelukkig enkele zinnen na elkaar wil uitspreken, moet ik tussen de komma's even adem happen. Kortademigheid. 'Je begint te piepen als Jeroen Brouwers,' merkte mijn vriendin al eens op. Ze is sarcastisch, en op de hoogte van mijn literaire voorkeuren.
Eigenlijk rook ik permanent. Roken omdat ik gehaast of zenuwachtig ben, roken als ik me rustig en gelukkig voel. Roken terwijl ik werk, lees, praat of niets doe. Inhaleren en uitblazen als ademhalen. Roken als ik verliefd ben, roken als ik verdrietig ben. En soms - meer en meer: altijd - me voornemen: ooit zal ik ophouden met roken.
Nu probeer ik eens te meer mijn rookgedrag onder controle te krijgen. Alvorens een sigaret op te steken, kijk ik er een tijd naar, dan hou ik ze nog enkele minuten vuurloos in de mond. Tijdens het roken doe ik niets, behalve genieten. 'Zeven centimeter nicotine, teer en zaligheid,' schreef Willem Frederik Hermans.
Het is niet de eerste keer dat ik het probeer. Toen ik in Brussel woonde, overwoog ik zelfs te stoppen met roken. Ik overwoog het, maar besloot het niet. Ik was alleen en ongelukkig in de stad waar ik van hield. Op zomerse dagen wandelde ik langs terrasjes en moest dikke brokken wegslikken bij het zien van de meisjes. Weemoed, dacht ik, maar het was slijm. Rokersslijm, altijd een teveel in mijn keel.
Brussel was een hoge, ruime kamer. Op het plafond waren engelen geschilderd. Ik had telefoon, soms belde ik 's nachts oude vriendinnen op en vroeg ik: 'Hou je nog een beetje van mij?' Nooit, of hoogst zelden, belde iemand mij op. Ik had er weinig zin in, in leven. Voor het eerst probeerde ik kruiswoordraadsels op te lossen. Ik was er niet echt goed in.
Soms kwam ik dagenlang de kamer niet uit, tenzij om sigaretten te kopen in de nachtwinkel en smeerkaas waarvan de versheidsdatum net overschreden was. Ik was arm en gebruikte bijna twee pakjes per dag. Soms ging ik moegesuft op bed liggen en keek ik naar de engelen op het plafond. Dan rookte ik niet. Sigaretten in bed mocht niet van mijn moeder, en daar heb ik me altijd aan gehouden.
Op een woensdagmorgen speelde het geldgebrek me weer eens parten. Ik had 's nachts doorgewerkt en alle sigaretten opgerookt. Om half acht 's morgens zat ik zonder. In mijn portefeuille zat nog honderdvijftig frank en bij Bankcontact aan de Beurs zag ik dat mijn saldo nog steeds ontoereikend was. In de krantenwinkel merkte ik dat er een artikel van mij in Knack stond. Maar het was Knack of sigaretten.
In die kamer in Brussel moest ik schrijven, maar ik liep door de stad en zag, zoals het hoofdpersonage uit De tranen der acacia's, alleen maar gedachten voor me, zonder tekst. Inwendig suisde ik als een waterval terwijl ik almaar piekerde en tobde, over geld, vrouwen en stoppen met roken.
Eens per week ontmoette ik in café Au Passage het meisje op wie ik verliefd was. Ze woonde samen met een jongen die mij niet kon luchten. Wekelijks een gestolen afspraakje in een stom doorgangscafé waar forensen tussen de middag een broodje kwamen eten. We praatten dan een uurtje. Ze vond het vervelend dat ik rookte en klaagde over de geur die dagenlang in haar kleren bleef hangen. Een keer zei ze dat ik vieze tanden begon te krijgen. Toen ik haar op de mond wou kussen, bood ze de wang aan.
Ik wist dat Willem Frederik Hermans in Brussel woonde, de stad waar hij al sinds 1938 verliefd op was. Tijdens een interview in 1991 had hij me verteld dat hij van Parijs naar Brussel zou verhuizen. Maar ik mocht het toen nog niet schrijven.
Op een dag dacht ik dat ik hem zag. Ik kwam het huis uit en hij stond te kijken naar de etalage van de boekhandel aan de overkant. Mijn hart klopte meteen sneller. Ik stond minutenlang aan de grond genageld, op ongeveer vijf meter afstand, tot ik besefte dat hij het niet was.

In oktober 1991 interviewde ik Willem Frederik Hermans voor Knack. Het was mijn vierde of vijfde interview, en ik was behoorlijk zenuwachtig. Aan mijn vriendin had ik - drukdoenerig omringd door boeken - verteld over zijn imago van grimmige, norse en chagrijnige schrijver. Ik had citaten voorgelezen uit het boek Schrijvers op de rand van tachtig van de Nederlander Frank van Dijl. Dagboekfragmenten uit de periode dat hij Hermans mocht interviewen: 'Ik was zo zenuwachtig dat ik van tevoren niet eens kon eten.' Aan mijn vriendin zei ik niet dat het overigens maar een melig boekje van een luljournalist was.
W.F. Hermans was zeventig geworden, de verhalenbundel De laatste roker was verschenen, en de schrijver was in Gent voor de opname van het televisieprogramma Wie schrijft die blijft in de Vooruit. Tijdens de opnames rookte ik de ene sigaret na de andere. Achteraf mocht ik met Hermans op restaurant. Daar hadden we een gesprek dat voor een interview moest doorgaan.
Het was al na tien uur toen we in het restaurant kwamen. Ik liet hem het menu en de wijn kiezen. Terwijl hij de wijnkaart bestudeerde, vroeg hij: 'Is het niet te duur voor Knack?' En na het proeven van de wijn: 'Lang leve Knack.' Tijdens het tafelgesprek - ik heb het bandje bewaard - opmerkingen als: 'We moeten die fles niet laten wegpikken,' en: 'Laten we de haring niet warm laten worden. Ah, verrukkelijk zeg, ik heb in een half jaar geen haring gegeten, dat kun je niet krijgen in Parijs.'
De schrijver was vriendelijk, bereidwillig en lacherig. Hij had er geen bezwaar tegen dat ik rookte, maar af en toe kreeg hij een onbedaarlijke hoestbui. Na een opmerking over Renate Rubinstein ('Ach, dat mens is dood, heeft zich een spuit in de arm gedrukt en - ploem - weg was ze') vreesde ik dat hij erin zou blijven. Ik wou hem op de rug slaan, maar durfde niet.
Na het dessert - toen ik dacht dat het échte interview nog kon beginnen - begon hij te praten over een adembenemend mooi meisje dat in het restaurant champagne zat te drinken. Dat doe ik ook wel eens, lullen over mooie meisjes, maar toen wou ik het over Hermans' sadistisch universum hebben, des­noods over Wittgenstein. Ik had niet de indruk dat het een goed interview werd.
Na het gesprek reed ik hem in mijn auto naar het Novotel. Ik hielp zijn tas uit de auto, we schudden handen en ik reed weg. Hij wuifde me na. In de achteruitkijkspiegel zag ik hem staan zwaaien, als een lieve, oude opa. Je zou hem een meisje moeten sturen, dacht ik. Ik moest glimlachen maar was ontgoocheld in het gesprek. Aan Marc Reynebeau van Knack schreef ik later een briefje: 'Ik had ook de indruk dat hij nogal beschonken was op het laatste. Op het bandje is duidelijk te horen dat hij met dubbele tong begon te spreken. Wat van mij niet kon gezegd worden. Dàt was pas uren later, in de Vooruit.'
Die nacht dronk ik me zat in de Vooruit: ik had verdomd anderhalve week Hermans bestudeerd om over mooie restaurantmeisjes te praten. Herman de Coninck probeerde me te troosten door anekdotes uit zijn interviewtijd te vertellen. Maar hij was ook zat.
Bij de verwerking bleek het interview al bij al nog mee te vallen. Het verscheen in Knack van 6 november 1991, en werd zelfs publicitair aangekondigd, iets waarop ik toen nog trots was. 'Ik ben heel rein,' was de titel. Uit de inleiding: 'Een avondje Hermans: hij spreidt gelijkhebberig enkele meningen tentoon en droomt tussen sardonisch gelach hardop van een toekomstig romanpersonage.'
Dat toekomstige personage was het bloedmooie meisje in het restaurant. Hermans: 'Wat is dat een mooi meisje, die champagnemeid! God, ik zie toch wat in Gent, hoor!' En later: 'Maar ik ben nogal afgeleid door dat knappe meisje. Is ze niet prachtig? Aan haar wijd ik mijn volgende roman. Hoe heet dat restaurant hier? Is dat geen goed slot voor uw verhaal? (plechtig declamerend:) Gefascineerd keek hij naar het meisje. Er was geen redelijk antwoord op een vraag meer uit hem te krijgen. Hij zei: Over haar gaat mijn volgende roman.'
Toch ging het gesprek nog even door. Het meisje kreeg ondertussen gezelschap van een jongen, door wie ze zich liet kussen. Hermans: 'Kijk nou, die vieze kerel. Dat kan niet, dat is niet eerlijk. Meid, je weet niet wat je mist. Neemt u me niet kwalijk, ik word zo afgeleid door dat meisje.'
Ik vroeg hem: 'Zal ik u aan haar voorstellen? Vragen of ze boeken van W.F. Hermans gelezen heeft?' Waar op hij: 'Zo'n meisje is dom, dat leest geen boeken. Je kunt niet alles hebben.'
Dat was het slot van het gepubliceerde interview. In de versie die ik ter goedkeuring naar W.F. Hermans stuurde, kwam er nog meer: terwijl de jongen en het meisje elkaar opnieuw kusten, zei hij: 'Je kunt hier in België toch gemakkelijk een pistool kopen? We schieten die jongen dood en dan gaan we met een snelle auto naar Zaventem en hup, met haar lekker naar Zuid­Amerika. Op mijn ouwe dag.'
Vraag: 'Wonderlijke plannen voor een zeventigjarige schrijver, misschien de grootste nog levende schrijver van Nederland?'
'Haja, wordt het niks, dan kan ik er nog altijd een boek over schrijven. Zal ik je eens iets vertellen? Liever dan de grootste Nederlandse schrijver was ik de grootste Nederlandse minnaar geweest.'
De laatste zin had hij me in de auto gezegd, ze staat dus niet op het bandje. Ik vond het een aardige slotzin, in de geest van het gelul over het meisje tijdens het drinken van dure wijn op kosten van Knack. Ik stuurde de tekst naar Parijs en kreeg een antwoord uit de Avenue Niel, gedateerd op 9 oktober:

'Geachte heer Vandenbroucke,
Hierbij het interview terug, waarop ik niet veel heb aan te merken.
Ik krijg de indruk dat er hier en daar dingen in staan die ik u niet verteld heb, maar die ik u had kunnen vertellen, als ze me te binnen geschoten waren. Daar is niet veel bezwaar tegen, dus dat kan zo blijven.
Maar het slot moet eraf.
Ik ben NOOIT van plan geweest Nederland's grootste minnaar te worden.
Eigenlijk ben ik fanatiek monogaam.
Maar omdat mooie meisjes nogal zeldzaam zijn, kijk ik niet een andere kant uit als ik er een zie.
Ik kan, als ik een roman schrijf, niet ALLES uit mijn duim zuigen.
Ik heb het slot nu maar eigenmachtig veranderd, in de mening dat u dit wel goed zult vinden.
Met vriendelijke groeten
W.F. Hermans'

Het slot had hij doorgekrast. Met een zwarte balpen had hij de nieuwe vraag geschreven: 'Zou u niet liever de grootste minnaar in plaats van de grootste schrijver zijn geweest?' In het blauw het antwoord: 'O nee. Ik ben fanatiek monogaam. Maar omdat echt mooie meisjes zeldzaam zijn, kijk ik niet een andere kant uit als ik er een zie. Als ik een roman schrijf, kan ik niet ALLES uit mijn duim zuigen.'
Na de brief belde hij me nog op, en vroeg hij of ik wel rekening zou houden met zijn opmerking. Maar Knack besliste om het interview te laten eindigen voor de bewuste paragraaf.
Het bloedmooie restaurantmeisje rookte. Op het bandje: 'O, ze heeft ook een rokershoestje. Meisje, je rookt te veel, luister naar mij en rook wat minder.'
Zelf rookte hij al maanden niet meer. In het verhaal 'De laatste roker' is roken bij wet verboden. Vroegindewey, de oude hoofdpersoon, ziet er het nut niet van in 'zo kort voor zijn dood nog op te houden met roken': 'Ik rook sedert mijn veertiende jaar. Ik ben nu bijna vijfentachtig en kerngezond. Ik heb geen kanker, wat bewijst dat kanker niet door roken wordt veroorzaakt. Duizenden mensen die ooit gerookt hebben krijgen kanker of een hersenbloeding. Zelfs als ik ziek word, zal ik het roken niet laten. Ik heb lang genoeg geleefd. Ik acht mij gerechtigd aan mijn eind te komen op de manier die ikzelf het prettigst vind.'
De dominee wil Vroegindewey overtuigen om toch te stoppen met roken: 'Je moet het proberen en blijven proberen. Je rookt bij voorbeeld elke dag een sigaret minder dan de vorige dag. En als je denkt: nu kan ik het niet meer laten, steek je een stukje kauwgom in je mond.' De repliek: 'Bah. Te lopen kauwen als een koe. En wat een laffe methode.'
Willem Frederik Hermans schreef het verhaal tussen 14 april en 11 juni 1990. Toen rookte hij nog. Hij moet gestopt zijn op 22 december 1990. Dat leid ik af uit wat hij op 31 december 1991 schreef aan Lien Heyting van NRC­Handelsblad: 'Vandaag rook ik precies een jaar en negen dagen niet meer. Het is geen genoegen, vooral niet voor schrijvers. Maar ik begin er toch niet meer aan. (...) Tijdens de eerste weken zonder sigaretten at ik Nicoret (nicotinehoudende kauwgum), maar dit is weinig bevredigend, want het smaakt vies en niet naar tabak. Ik had nog een paar blikjes overheerlijke Davidoff­pijptabak. Die heb ik opgegeten vermengd met gewone kauwgum. Maar dit begon ik ook vies te vinden. En tenslotte deed en doe ik maar helemaal niets meer als de trek in sigaretten sterk wordt. (...) Ik kan mensen die willen ophouden met roken maar één raad geven: houd er NIET mee op als je er niet bepaalde voordelen van verwacht. Luister niet naar de praatjesmakers die eerst dachten dat het paradijs in Sovjet­Rusland, Oost­Duitsland en Cuba was opgericht, en nu, nu ze noch de verdovende middelen, noch het misbruik van alcohol in het verkeer, noch het toenemende analfabetisme van de lieve jeugd de baas kunnen worden, maar kabaal zijn gaan schoppen over de onschuldigste zonde van alle: roken.'

De week nadat ik meende W.F. Hermans te zien in Brussel, besloot ik te stoppen met roken. Ik had in Humo een artikel over rokersbenen gelezen en voelde het meteen in de kuiten. Ik wist plotseling zeker dat mijn bloedaders aan het dichtslibben waren, en dat er ooit een bloedklonter naar mijn hart zou opschieten en ik dood zou neervallen. Morgen misschien. Ik herinnerde me ook ergens gelezen te hebben dat iemand die twintig jaar passioneel rookte, en dan ophield, nog helemaal gezond kan worden. En ook wou ik eindelijk weer eens een frisse neus.
Ik kocht een schriftje met ruitjespapier, waarin ik mijn gedachten, werkregeling en rookgewoonten zou noteren. In dat schriftje zette ik streepjes. Per sigaret. Soms overdacht ik een half uur wanneer ik een volgende sigaret zou aansteken. Gecontroleerd roken. Het had meteen al enig effect.
In april 1995 was ik half depressief. Ik moest dringend weer wat geld verdienen. In het schriftje: 'Besloten om positief te zijn en te werken.'
Streepjes op 26 april 1995. Tussen half vier en half zes had ik een sigaret gerookt. Tussen half zes en half zeven ook een. Daarna, tot half negen: geen enkele. Ik had gegeten (brood met Boursin) en was daarna zonder sigaretten gaan wandelen. Volgens het schriftje had ik die dag maar vijf sigaretten gerookt. Al had ik nauwelijks iets anders verricht die dag, ik was tevreden over mezelf. Ik nam me voor om de volgende dag, mijn verjaardag, helemaal niet te roken. Wel had ik sigaretten, zelfs een extra pakje op de schouw, want zonder sigaretten in het bereik proberen niet te roken, leek me helemaal een ondraaglijke gedachte.
's Nachts kon ik niet slapen. Ik bladerde Humo en Knack door. Om 3 uur besloot ik volledig te stoppen met roken, het was niet voor niets mijn vierendertigste verjaardag. Het schriftje: 'Nu is het half vier. Ik heb de asbakken in de keuken gezet, en dit opgeschreven. In de keuken had ik plotseling zin om af te wassen en mijn tanden te poetsen.' Om vijf uur: 'Twee uur niet gerookt, al minstens 18 frank uitgespaard. Ondertussen afgewassen. Asbakken uitgewassen, tanden gepoetst.'
Om half zeven ging ik de krant halen en keek ik bij de zoekertjes of er een boodschap voor me in stond. 'Weer heeft er niemand aan me gedacht.' Ik las de krant, tobde nog wat, becijferde hoeveel ik zou besparen als ik inderdaad niet meer rookte en ging pas om acht uur slapen.
Op mijn verjaardag bleef ik in bed liggen. Ik dacht eventjes: dit is een dag om zelfmoord te plegen. Ik dacht het, maar overwoog het niet. De telefoon rinkelde een keer of tien, maar ik nam niet op.
Om half zes stond ik op. Even later opnieuw telefoon. Het was mijn vriendin. Terwijl ik chagrijnig deed, vroeg ze of ik al wist dat Willem Frederik Hermans overleden was.
Toen het radiomagazine Actueel om kwart over zes een overzicht bracht van W.F. Hermans' leven en werken, zat ik achterovergeleund rook uit te blazen. In de asbak lagen al vier peuken.
Nu, na dit stukje, tel ik er negentien. Ik veronachtzaamde het om streepjes te zetten.

© Johan Vandenbroucke