Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

ADEM EVEN IN, ADEM EVEN UIT

Walter van den Broeck

Mijn vriendjes die op hun veertiende uit werken gingen, hadden na hun eerste werkdag een hele transformatie ondergaan. Ze droegen blauwe werkmanskleren en zwarte werkmansschoenen, snoten hun neus in werkmanszakdoeken ter grootte van een tafellaken, en diepten uit hun broekzak hun eerste pakje Groene Michel op. Van al die statussymbolen was het laatste het meest indrukwekkende. Wie nog school liep, diende in het grootste geheim te roken: achter bomen en struiken, in portieken en fietsenstallingen - afijn, precies op dezelfde plaatsen waar hij vuile manieren bedreef. Zij die uit werken gingen, mochten dat van de ene op de andere dag openlijk doen - roken bedoel ik. Roken stond net zoals de lange broek voor volwassenheid. Roken was zelfs sportief volgens de advertentie van Visa. De relatie roken/gezondheid werd overigens pas voor het eerst begin jaren zestig gelegd in één van Engelands toonaangevende medische bladen.
'Roken ongezond? Wat zullen ze nog allemaal verzinnen?!' riep mijn vader uit, hoestend zijn zesendertigste peuk van die avond uitdrukkend.
Opdat de roker door die jobstijding niet in paniek zou raken, werd door de bezorgde fabrikanten prompt een filter geplaatst tussen hem en zijn sigaret, en klaar was wederom kees. Roken was voortaan weer sportief en zelfs hygiënisch! Maar de harden onder ons, de voortrekkers van de tabaksconsumptie zeg maar, wilden van geen filters weten en dus verscheen naast de Groene Michel de nog zwaardere Blauwe Johnson op de markt. Kwestie van op tijd en stond te voelen dat je een stel longen had, en waar die zich precies bevonden.
Mijn eerste sigaret rookte ik op mijn zesde. Ik had ze gestolen uit het pakje van mijn oudste broer. Ik kreeg er een heel slechte smaak van in mijn mond, maar tot mijn opluchting piste ik niet in mijn broek, zoals mij door velen, onder wie mijn ouders, was voorspeld. Zes jaar later rookte ik uit een stenen pijpje van het schietkraam zowat alle droge bladeren die er in mijn omgeving te vinden waren: eikenbladeren, beukenbladeren, hennepbladeren, varens, noem maar op. Dat smaakte allemaal héél slecht. Op mijn veertiende kocht ik een echt pijpje. Dat vulde ik met halfzware Gloria die ik van vader afbedelde en die ik vervolgens op de drempel ging zitten oproken in de hoop dat de slechte smaak in mijn mond weg zou gaan.
Vanaf mijn zeventiende begon ik sigaretten te roken. Eerst Stuyvesant, daarna Zemir. Dat laatste rook ik nog altijd, hoewel er steeds moeilijker aan te komen is. Je vindt dat merk in geen enkele automaat, en als je in een café komt waar je het wèl kunt kopen, betekent zulks dat ik daar vaste klant ben.
Méér dan een pakje per dag (vijfentwintig stuks) heb ik nooit gerookt. En een ander merk dan Zemir heb ik nooit kunnen verdragen, zelfs niet vergelijkbare merken als Belga, Visa, Tigra of Bastos. Toen de light cigarettes op de markt kwamen, heb ik een poosje Merit gerookt. Dat bevat, in tegenstelling tot Zemir, zeer weinig teer. (Met een slof Zemir kun je een bescheiden landweg macadamiseren.) Na een week kreeg ik keelpijn. De dokter schreef pillen voor maar die hielpen niet. Het spookbeeld van ingewikkelde en vooral pijnlijke keelonderzoeken doemde al op. Voor het zover was, besloot ik een week lang niet te roken. Misschien ging de keelpijn dan wel vanzelf weg. Ze gçng dan ook vanzelf weg. En nu ik toch al een week niet rookte, wilde ik eens testen hoe lang ik dat kon volhouden. Want het idee verslaafd te zijn aan de sigaret, stak mij wel tegen. Tweeënhalf jaar heb ik toen niet gerookt. Toen vond ik dat ik aan mezelf wel voldoende had bewezen dat ik niet verslaafd was, en ben prompt en heel bewust opnieuw beginnen te roken. Later, meestal na een zware verkoudheid, ben ik er nog wel eens een paar keer mee gestopt, een half jaar, twee maanden. Eigenlijk zou ik het roken best kunnen laten, alleen vind ik de gedachte 'nooit ofte nimmer nog te zullen roken' onuitstaanbaar. Dat heeft wat van een veroordeling, vind ik. Als het ooit moet, dan moet het natuurlijk, maar aangezien het voorlopig nog niet moet, waarom zou ik het dan laten? En zo dissoneert ook deze roker zich cognitief het graf in. Ik ben daar heel goed in. Zo denk ik bijvoorbeeld dat niemand ècht stopt met roken. Wie kàn stoppen, is nooit een echte roker geweest, die heeft zomaar wat voor de galerie gepaft. Echte rokers stoppen nooit. Wat zij stoppen noemen, is het zolang mogelijk uitstellen van hun volgende sigaret. Dat kan een uur, een dag, een week, tien of twintig jaar zijn. Maar ze eindigen allemaal met een peuk tussen de vingers.
Een vriend reikte me een andere smoes aan.'Het schijnt dat ge twee jaar langer leeft als ge niet rookt.'
'Dat heb ik ook gehoord, ja.'
'Weet gij wel wat dat kost, twee jaar langer leven?!'
Hahaha. Maar die vriend is inmiddels dood. Niet van het roken weliswaar, maar van het zuipen.
Vader zaliger had er ook een mooie. Toen hij op zijn achtenzeventigste na wat mineure hartproblemen uit het ziekenhuis werd ontslagen, zei de dokter:
'Het beste zou zijn dat u niet meer rookte.
'Waarna vader zaliger vroeg:
'En het tweede beste, meneer doktoor?'
Vader zaliger was een echte kettingroker. Na zijn vijfenzestigste kreeg hij last van rokersbenen. Het begon met kou.
'Zet de chauffage eens wat hoger!'
''t Is hier vierentwintig graden!'
'Dat kan zijn, maar ik heb koude benen!'
Later kreeg hij tijdens wandelingen steeds vaker last van kuitkramp. Om dat niet te laten merken deed hij dan alsof hij aandachtig naar iets buitengemeen interessants in een of andere etalage stond te kijken: een broodrooster, een schemerlamp, een bos andijvie. Toen pas begreep ik waarom rokersbenen ook etalagebenen worden genoemd.
De zwaarste roker die ik heb gekend, was mijn schoonvader zaliger. Die leed sinds zijn tweeëntwintigste aan chronische bronchitis maar dat belette hem niet de ene sigaret met de andere aan te steken. Verstrooid als hij was, liet hij er soms op drie verschillende asbakken eentje oproken, terwijl hij er een vierde tussen zijn bruine vingers knelde. Na twee keer fors inhaleren bevond de vuurstip zich reeds aan de filter. Daarom stelde hij het inhaleren zo lang mogelijk uit en spaarde imposante askegels.
'Uw as!!' waarschuwde mijn schoonmoeder telkens.
'Ik hou ze wel in 't oog!' wedervoer hij dan geïrriteerd. Waarna hij moeizaam overeind kwam in zijn fauteuil, naar de asbak mikte en de as vervolgens op het tapijt tipte. Altijd.
Berucht was hij om zijn homerische hoestbuien. Het geblaf van W.F. Hermans dat na het verschijnen van De laatste roker door dezelve een paar keer op de buis werd gedemonstreerd, verzonk in het niet naast de hoestkracht 12 van schoonpapa. Nadat op een keer een voorstelling van Oom Wanja was stilgelegd doordat de acteurs elkaar niet meer konden verstaan wegens zijn gehoest, heeft hij geen voet meer in een theater gezet.
Wie hem hoorde hoesten, raakte zelf in ademnood, wat overigens niet nodig was, want hijzelf ging virtuoos om met zijn kwaal. Als het gezelschap van ongerustheid al blauw zag in het gezicht, kon hij zo'n hoestbui moeiteloos onderbreken, op doodnormale toon een paar neutrale mededelingen doen - de asbak is vol, mijn aansteker is leeg, mijn sigaretten zijn op - en vervolgens de draad van zijn gehoest weer opnemen. Soms kreeg hij bovenop zijn bronchitis ook nog een eenvoudige verkoudheid. Dan keek ik wel eens naar het plafond, bang dat fragmenten daarvan naar beneden zouden komen. Maar daarbovenop wilde hij zich ook nog wel eens verslikken in een erwt. Dan blikte op de buis Walter Zinzen zorgelijk de huiskamer in, en wachtte geduldig tot de bui over was alvorens zijn berichtgeving te hervatten. Buiten formeerden de eerste ramptoeristen luid claxonnerend een kijk en luisterfile.
Maar het meest beangstigende was als schoonpapa een hoestbui kreeg achter het stuur. Die ging steevast gepaard met een onrustwekkende deviatie naar links. De God van de Tegenliggers moet een boontje voor hem gehad hebben, want kettingbotsingen zijn er gelukkig nooit van gekomen.Van mij moet niemand dus een Ode aan de sigaret verwachten. Roken is dom, vies en ongezond. Punt. Je zult mij ook nooit iemand een sigaret zien presenteren. Je weet maar nooit of hij er zopas mee opgehouden is. En het gelul over inspiratie die uit de tabak te puren zou zijn, is al evenmin aan mij besteed. Stellen dat de literatuur heel wat meesterwerken zou moeten ontberen als de sigaret er niet was geweest, is nogal dom, omdat het bewijs van het tegendeel niet kan worden geleverd.
Waarom schrijvers en journalisten dan meer roken dan anderen? Omdat ze verkeerd ademen. U kent het fenomeen. Bij het leveren van grote lichamelijke inspanningen zoals het losschroeven van een verroeste moer of het opheffen van veel te zware dingen bijvoorbeeld, krijgen we een rooie kop omdat we onze adem inhouden. Dat is natuurlijk fout. Krachtsporters weten dat je moet blijven doorademen. Barende moeders ook. Op die manier voorzie je je spieren en hersenen van het nodige zuurstofrijke bloed.
Schrijven is verwant met het leveren van dat soort krachtsinspanningen. A.F.Th. Van der Heijden vergelijkt het terecht met topsport. Ons hoofd is een fles vol woorden die elkaar bij de hals verdringen. Ze moeten natuurlijk eerst keurig in het gelid voor ze de bottleneck die onze pen is, in en uit mogen. Dat gaat niet vanzelf. Sommige woorden moet je echt met geweld het gelid in schoppen; andere, de meeste zeg maar, moet je er met evenveel geweld weer uit schoppen. Daarbij houden we dus voortdurend onze adem in, zodat op den duur onze spieren totaal verkrampen en onze hersenen te weinig zuurstof krijgen. We worden dan nerveus, kregelig, onrustig, duizelig, verward, suf. Weg concentratie! Gauw steken we dan een sigaret op en inhaleren een paar keer alsof ons leven ervan afhangt. Nicotineverslaving? Teerverslaving? Nee, zuurstofverslaving! In feite halen we een paar keer heel diep adem, en dat is een heel juiste reflex. Rokers menen ten onrechte daar een sigaret bij nodig te hebben. Zonder die sigaret zou dat inhaleren uiteraard veel meer effect sorteren. Het roken van schrijvers en journalisten berust dus op een misverstand. Als het werk stokt, dan moet je 't gewoon even onderbreken. Iedere kruiswoordpuzzelaar weet dat. In plaats van te blijven zoeken naar dat ene vermaledijde woord gaat hij iets anders doen: afwassen, neuken, fietsen. Na afloop dient het ontbrekende woord zich moeiteloos aan.Mijn eigen sigarettenverbruik heb ik in de loop van de jaren teruggeschroefd van vijfentwintig tot twaalf à dertien stuks per dag. Ga ik uit, dan rook ik uiteraard veel meer, maar de volgende dag rook ik dan automatisch veel minder. Twaalf à dertien sigaretten zijn er natuurlijk nog steeds twaalf à dertien te veel, maar ik beschouw het als een compromis tussen roken en nietroken. Om mezelf niet te bedriegen laat ik mijn vrouw mijn sigaretten kopen. Op is op. Ik hoop ooit de sigaret helemaal te ontgroeien, zonder pleisters of therapieën evenwel, maar gewoon, zoals je het nagelbijten, neuspeuteren of smoelen'trekken'voor'de'spiegel ontgroeit. Want ik wou echt dat ik nooit met roken was begonnen. Helaas, in de naoorlogse jaren werd op de jeugd zoveel sociale druk uitgeoefend dat vrijwel niemand aan de sigaret ontkwam, ik dus ook niet.
Wat niet belet dat ik de hetze tegen de toch al fel afgezwakte reclame voor sigaretten bijzonder hypocriet vind. Die reclame zou jongeren tot roken aanzetten. Is dat zo? Zijn jongeren dan ook door de reclame aangespoord tot het gebruik van drugs? Nee, natuurlijk niet, en toch zitten we met een levensgroot drugsprobleem! Hoe komt dat dan? En waarom een verbod op tabaksreclame en niet op bijvoorbeeld alcoholreclame en autoreclame? Want geef toe, zowel de alcohol als de auto, om nog maar te zwijgen over de combinatie van beide, kost de staat handenvol geld. In plaats van de reclame te verbieden, zou men dus beter het product zelf verbieden. Waarom dat nog steeds niet is gebeurd? U mag één keer raden.
Nog hypocrieter vind ik de stigmatisering van de roker. Uiteraard kan een beetje beleefdheid nooit kwaad. In gezelschap vraagt de roker gewoon of het niet hindert als hij een sigaret opsteekt. Dat lijkt mij logischer dan dat het gezelschap hèm vraagt of het niet hindert als het ademt. Maar voor de sociale klopjacht op de roker en het steeds sterker inperken van rookruimtes is geen enkel serieus argument aan te voeren. Enerzijds laat men niets onverlet om de roker te culpabiliseren, maar anderzijds int men zonder enige gêne de 55 miljard accijnzen die hij jaarlijks richting schatkist blaast. Want laten we niet vergeten dat 75% van de winkelprijs van elk pakje sigaretten voor de fiscus is. Dat is pakweg 100 frank. Dat is voor iedereen die één pakje per dag rookt, 36.500 frank per jaar. Als de staat een soort aparte 'rokerskas' zou oprichten en die accijnzen gedurende veertig jaar zou kapitaliseren à 10%, dan was er aan het eind van de rit voor de verzorging van elke doodroker zo'n 16.154.645 frank ter beschikking. Zestien miljoen honderd vierenvijftigduizend zeshonderd vijfenveertig frank dus. Nee, dat is geen fabeltje, ik heb het door een specialist laten uitrekenen. Rokers moeten zich dus nooit ofte nimmer laten wijsmaken dat zij de staat miljarden aan gezondheidszorgen kosten. Van wat een roker in zijn eentje qua geld bij elkaar paft, kan naast zijn eigen verzorging ook die van heel wat andere zieken worden bekostigd. Zo bekeken verdient de roker een standbeeld. Hij offert vrijwillig en geheel belangeloos zijn gezondheid op aan het algemeen belang. Van welke andere bevolkingsgroep kan dat nog worden gezegd? Ik pleit dus voor de oprichting van zo'n rokerskas, ook al omdat de staat dan uit de hypocrisie zou treden. Want enerzijds fulmineren tegen de sigaret en anderzijds stilzwijgend 100 frank per pakje beuren, dat kan natuurlijk niet. Dat getuigt van een veel te hoog, in deze tijd absoluut niet meer kunnend OPCgehalte!*
Ach, wat. Die rokerskas komt er natuurlijk nooit. Ook niet in het zogenaamde NPCtijdperk.* Men mag daarboven hypocriet zijn, gek is men er niet. En die 55 miljard 's jaars spendeert men liever aan andere dingen dan aan de volksgezondheid, sla er het Belgische Blunderboek maar op na. Dat ze er nog nooit aan gedacht hebben een beroep te doen op de roker om door middel van de verdubbeling van zijn tabaksverbruik het begrotingsgat dicht te roken, is mij een raadsel.Rokers zijn in elk opzicht slachtoffers. Ze verknoeien hun gezondheid. Ze betalen 100 frank per dag te veel voor hun sigaretten. Ze worden steeds meer behandeld als paria's. Rokers zijn altijd opnieuw de sigaar, ook schrijvende rokers. Eigenlijk zouden ze eens flink moeten staken.


* OPC: Oude Politieke Cultuur; NPC: Nieuwe Politieke Cultuur

© Walter Van den Broeck