


|  |
LUCKY STRIKE (fragmenten )
Gie Bogaart
Zoals Harry het bekeek liep het helemaal niet zo goed met hem. Hij had al een hele tijd het idee dat hij op een nacht in zijn slaap door elkaar was geschud en de volgende ochtend in een ander huis was ontwaakt waarvan hij toch iedere muur en iedere hoek herkende. Hij hield er niet van. Hij dacht erover na en kreeg er een ellendig gevoel van. Misschien - dacht hij - was hij beter niet opgehouden met roken. Misschien had hij de Renault beter overgelaten aan de garagehouder toen die daar nog behoorlijk wat geld voor wilde geven. Misschien was het dan allemaal anders gelopen. Misschien had hij zich dan nu wel gelukkig gevoeld en had hij ook niet dat vage, onbestemde gevoel dat hem steeds vaker bekroop wanneer hij tot lang in de nacht naast AnMarion aan Phillie lag te denken of aan de vrouwen op het werk, of dat hem overviel wanneer hij ergens voor een stoplicht remde en hij bang was niet meer te zullen kunnen ademen. Een man op de serviceafdeling van de kranenproducent waar hij vroeger de verzending organiseerde, had ooit verteld dat zijn haar soms pijn deed. Hij wist dat het niet kon, had de man gezegd, haar kon geen pijn doen, dat wist hij wel, maar hij kon wat hij voelde niet anders omschrijven dan dat zijn haar pijn deed. Hij had geprobeerd ervan af te raken. Hij had het willen genezen. Maar het was hem niet gelukt. Zijn haar deed pijn, zei de man, en er was niets dat de pijn kon doen ophouden, er viel niets tegen te beginnen. Harry had erom gelachen. Hij had zich bij het verhaal van de man toen nauwelijks wat kunnen voorstellen. Maar dat was nu anders. Hij wist dat het iets moet zijn geweest als wat hem nu overkwam. Haarpijn, dat was het. Dat was wat hij had. En hij geloofde dat hij het had omdat hij de kinderen had beloofd nooit meer te zullen roken - NOOIT meer, papa - en omdat hij de Renault uiteindelijk niet had weggedaan omdat hij hem niet meer verkocht kreeg en Phillie hem er een paar maanden ervoor na een avond van praten en drinken de eerste keer in had geneukt.
Harry was achtendertig. Debbie was tien, Maud bijna acht. Maud wilde al drie jaar een hondje om aardig voor te zijn. De kwestie van de hond had voor problemen gezorgd. Harry wilde helemaal geen hond in huis. Toen Henny er nog was, had ze van een markt twee parkieten meegebracht omdat ze vond dat het huis waarin ze woonden wat meer leven en wat kleur kon gebruiken, maar Harry had er een hele dag over gezeurd en ze had de vogels weer weggedaan. Harry had zo zijn ideeën over honden. Hij wilde echt geen hond in huis. Hij was er zeker van dat hij met zo'n dier een hoop ellende zou binnenhalen. De kinderen zagen het helemaal niet zoals hij het zag, en AnMarion probeerde hem ervan te overtuigen dat de ellende er misschien al was en zo'n hond die kon oplossen. Debbie was voorzichtig en mengde zich niet vaak in de discussie. Ze wist dat het een verloren zaak was - ze kende haar vader - en ze had genoeg aan haar twee barbiepoppen en de gestreepte olifant die ze van Harry's moeder had gekregen. Maar Maud deed er alles aan om haar zin te krijgen. Op een ochtend vonden Harry en AnMarion haar op de mat naast hun bed. Ze had daar geslapen omdat ze dacht dat Harry 's morgens toegeeflijker zou zijn. Toen Harry zei dat ook zoiets niet zou helpen, begon ze te mokken. Maar de volgende nachten kwam ze toch weer in hun kamer slapen. Omdat ze boos was, zei ze. En om te laten verstaan dat als ze haar zin niet kreeg, ze erover zou denken bij haar oma te gaan logeren. Harry gaf nog niet toe. Van honden kreeg je huiduitslag, zei hij, en ademhalingsmoeilijkheden. Hij zei dat Maud niet zo moest zeuren. Ze had de kalkoenen van Will, vond hij, en ze moest leren dat de dingen vaak niet waren zoals we wilden dat ze waren. En dat we moesten proberen tevreden te zijn met wat we hadden. En honden brachten ook ongeluk, zei hij.
Misschien had het met de kwestie van de hond te maken dat Maud net voor de nieuwjaarsdagen ervoor zorgde dat Debbie kwam vertellen dat ze niet meer wilde dat Harry rookte. Debbie en Maud hadden naar een reportage gekeken waarin foto's en prenten en tekeningen van aangetaste longen waren getoond, en de man die het programma presenteerde had verteld dat het vaststond dat je van roken doodging. De meisjes zaten daarna de hele avond bij Harry op de bank en ze wilden hem laten beloven dat hij nooit meer zou roken. Harry stemde tot zijn eigen verbazing toe en hij gaf wat nog overbleef van zijn pakje sigaretten aan Debbie. Een paar dagen later kwam Maud vragen of zij zijn polshorloge kon krijgen wanneer hij dood zou gaan.
De hallucinaties gingen ongeveer zo. Harry zag plots een meterslange sigaret verschijnen. Hij wist niet waar ze vandaan kwam. Ze was er plots en altijd was ze er even ervoor niet geweest. Ze zweefde soms achter de bar in het café waar Phillie werkte en ze werd dikker terwijl hij ernaar keek; de sigaret zwol op en Harry werd bang dat ze zou gaan ontploffen. Iedere keer begon hij te zweten. Hij voelde erbij een angst die hij niet kende. Hij voelde een angst waarvan hij wist dat hij die nog niet eerder had gevoeld. Ze overviel hem, en ze liet hem niet meer los, tot de sigaret even plots weer was verdwenen.
Deze keer was het niet anders. Harry was opgelucht toen het voorbij was en voelde dat alles weer normaal werd, dat de dingen weer in een patroon vielen dat hij kende, dat ze in een werkelijkheid terechtkwamen die hem vertrouwd was. Het was een geruststelling. Hij probeerde aan wat anders te denken. Hij dacht aan de betekenis van wat Phillie had gezegd toen ze zei dat zij alleen maar rookte wanneer ze dacht dat ze werd verleid. Hij dacht aan de rokende mannen en vrouwen die hij kende, en hij probeerde erachter te komen of ze iets gemeen hadden, iets dat met verleiden te maken had, of met hartstocht of liefde. Hij herinnerde zich dat hij ergens in een blad had gelezen dat rokers lichamelijker waren dan andere mensen. En hij dacht: misschien roken mensen wel omdat ze willen worden begeerd.
Harry probeerde zo goed en zo kwaad als het kon zonder sigaretten te leven. Eerst vond hij dat het hem aardig lukte, maar toen in april de Renault hem in de steek liet, kreeg hij de pest in. Het begon met het ontstekingsmechanisme dat niet meer werkte. Hij kreeg de wagen niet meer gestart. Hij haalde er de garagehouder bij en die nam de auto op sleeptouw en herstelde hem bij hem thuis. Dan ging er wat fout met de stuurinrichting. De Renault bleek niet meer baanvast, hij ging slippen in de bochten, en wanneer Harry op rechte wegen reed, moest hij het stuur stevig vasthouden om te vermijden dat hij de auto de berm in zou rijden. De garagehouder zei dat zoiets met de ophanging van de wagen te maken had en dat hij ernaar zou kijken. En toen begon ook het oliereservoir te lekken, eerst niet veel, en niet iets om je meteen ongerust over te maken, maar toen de garagevloer beneden in hun huis vol oliedruppels lag, wilde AnMarion dat Harry de auto weer naar de garagehouder bracht. De garagehouder laste een afdekplaat tegen de onderkant van het reservoir en die stopte het lek, maar Harry had toen al beslist dat hij de wagen weg zou doen en uit zou kijken naar een andere. AnMarion maakte niet veel bezwaar tegen het plan, ze wilde alleen een goede prijs voor de Renault, en ze overtuigde Harry ervan dat hij best kon uitkijken naar een tweedehandswagen, want ze geloofde dat, zoals de zaken toen stonden, ze zich geen nieuwe wagen konden permitteren.
De garagehouder bood te weinig voor de auto en Harry zei dat hij hem zou proberen te verkopen op de automarkt. De dag voor de markt haalde hij alle dingen uit de wagen waarvan hij wilde dat ze niet mee werden verkocht. Hij deed nog een laatste inspectie en toen hij daarmee bezig was, vond hij een halfopgerookte sigaret in de asbak achterin. Eerst wist hij niet hoe die daar was gekomen, want toen hij was opgehouden met roken had hij de kinderen alle asbakken laten leegmaken, ook die van de auto. Maar misschien waren de meisjes deze asbak vergeten. Hij herkende vlakbij de filter van de halve sigaret de naam van het merk dat hij had gerookt. En toen herinnerde hij zich dat hij, niet lang voor de meisjes waren komen smeken dat hij zou ophouden met roken, op een plein in de binnenstad achterin de auto was gaan zitten omdat hij er een idee van wilde krijgen hoe het zou zijn wanneer hij iemand anders was en die iemand met hem meereed, en wat zo iemand dan van hem zou vinden. Hij had een Lucky Strike opgestoken en hij had daarna nog nagedacht over hoe het leven was.
Harry zat een tijdje naar de sigaret te kijken. Hij viste ze uit de asbak en even had hij de neiging ze weer recht te maken en ze met de autoaansteker op te steken en verder op te roken, maar toen bedwong hij zich en hij schoot de peuk tussen zijn vingers over de straat weg. Hij dacht erover hoe vaak hij mensen zag roken. Hij had aan Phillie verteld dat hij soms overal rokers zag. Dat het dan leek of iedereen rookte behalve hij. Dat hij de rook ook overal kon ruiken. Dat hij hem rook op plaatsen waar er helemaal geen rook kon zijn en dat hij dan dacht dat het nog in zijn kleren zat, of dat het in zijn huid zat, of eronder, en dat zijn huid die geur maar heel langzaam en in kleine hoeveelheden wilde loslaten. Hij had ook verteld dat hij dacht dat het was als wanneer je stopte met seks. 'Je ziet dan overal alleen maar vrouwen,' had hij gezegd, 'zelfs wanneer je je ogen dichtdoet, en je geilt je aan alles op.' Maar daar had Phillie om gelachen.
Harry strekte zijn benen onder de tafel in het café en legde zijn handen achter zijn rug. Terwijl hij dat deed, overviel hem opnieuw het verlangen naar een sigaret. Het was het laatste dat hij op dat moment verwachtte. Hij voelde het van ergens onderin zijn buik komen. Het verplaatste zich snel naar zijn hoofd en hij had de tijd niet om te beletten dat het zich meteen daarna verder over zijn hele lichaam verspreidde. Het leek wel of er wat met zijn bloed gebeurde, of het plots sneller begon te stromen of van plan was te beginnen koken of zoiets, en hij kon er niets tegen doen. Hij kreeg zo'n trek in een sigaret dat hij er een moord voor zou hebben begaan. Het was een drang, een opstoot binnen in hem die hij niet de baas kon en die hem onderuithaalde. Het was iets dat maakte dat hij daar op dat moment een fortuin zou hebben willen beloven aan de eerste de beste man of vrouw die het heerlijke geluk had een sigaret voor hem te hebben. Hij zag hoe de twee vrouwen aan de tafel wat verderop zaten te roken en hij zou ze hebben gesméékt om een trekje aan hun sigaret, om één inhalering. Hij zou ook nog veel meer dan een fortuin hebben willen bieden. Hij zou op dat moment alles voor een sigaret hebben gegeven, zelfs Phillie en AnMarion, čn de kinderen. Hij trok zijn benen onder de tafel weer terug omdat hij hoopte dat daarmee de lust voorbij zou gaan, maar hij kromp in elkaar toen hij een nieuwe kramp door zijn maag voelde trekken. Hij sloeg dubbel. Hij duwde met zijn handen op zijn buik, maar de pijn bleef. Ze zorgde ervoor dat hij begon te beven. Even dacht hij dat zijn hoofd zou gaan exploderen en hij hapte naar lucht. Hij dacht erover om naar buiten te rennen of om luid te beginnen schreeuwen dat het op moest houden, en toen hij dat wilde doen, was de pijn weg. Ze was plots en even snel verdwenen als ze was gekomen.
Harry keek op alsof hij niet geloofde dat het kon, maar de pijn was echt weg, en ook het verlangen naar een sigaret was er niet meer. Het volgende moment leek het wel alsof ze er niet eens waren geweest. Hij voelde zich opgelucht dat het voorbij was. Hij zuchtte. Het was alsof hij net een hele lange inspanning achter de rug had.
De man die tegenover hem zat, had gemerkt dat er wat aan de hand was. Hij kwam op de tafel leunen. 'Is alles in orde?' vroeg hij. 'Bent u oké?'
Harry ontspande zich en zuchtte nog eens. 'Het is in orde,' zei hij. 'Het is oké. Het is alweer voorbij.' Hij zei dat het hem wel vaker overkwam. 'Spasmen, geloof ik,' zei hij. 'Het is oké.'
Maar de man bleef bezorgd naar Harry kijken. Het leek erop dat hij hem niet geloofde. Hij keek om zich heen om te zien of nog iemand had gemerkt dat er wat met Harry was gebeurd, maar iedereen was bezig met zijn eigen leven. Een man die aan de bar stond vertelde iets belangrijks tegen een oudere man die een leren muts op zijn hoofd had en in ieder oor een oorring droeg, en die met toegeknepen ogen luisterde. En ook Phillie had het niet gezien. Ze droogde glazen af en keek ernaar in het licht van de lamp die in het midden van het café tegen het plafond hing en waarvan een stuk ontbrak, en daarna zette ze de glazen op het rek achter de bar.
Harry draaide van de kade weg en reed langs de oude stapelhuizen naar de ingang van de tunnel. Hij zocht op de radio naar een andere golflengte van het station omdat er storing was en het duurde even voor hij de zender had teruggevonden. 'Hé, Phil,' zei hij, 'ik wil wat van je weten. Ik wilde het al een hele tijd aan je vragen. Waarom hangt er in dat café van jullie niks tegen de muren?'
Phillie zette de zonnebril van AnMarion af. Ze deed hem weer in het handschoenkastje en klapte het dicht. 'Er hangt wat tegen de muren,' zei ze. 'Er hangt een schilderij achter de bar en er hangt een foto van Chet Baker.'
'Dat bedoel ik niet,' zei Harry. 'In elk café hangen er een heleboel affiches. Aankondigingen. Van concerten en theaters en zo. Alleen bij jullie niet. In dat café van jullie hangt geen enkele affiche tegen de muur.'
'Ze hangen in het toilet,' zei Phillie. 'De baas wil niet dat er affiches in het café worden gehangen, maar in het toilet mag het wel, daar heeft hij niks op tegen. Daarom hangen we ze in het toilet. Het hele toilet hangt vol.'
Het klopte wat Phillie zei. Harry had er niet aan gedacht, maar hij wist dat de affiches daar hingen. Hij had ze de eerste keer gezien toen hij in het café naar het toilet was gegaan en er tegen de sigarettenautomaat was aangelopen. Hij herinnerde zich ook dat hij een tijd naar de automaat had gekeken en dat hij er zijn handen op had gelegd en er zijn hoofd naartoe had gebracht en dat hij aan de automaat had geroken.
'Ik ben vanavond bijna doodgegaan,' zei Harry. Hij keek naar Phillie maar Phillie was er niet kapot van. 'Ik ben bijna doodgegaan omdat ik een sigaret wilde en er geen had,' zei hij. 'Ik zou een moord hebben begaan voor een sigaret. Alleen, dat kon niet, want ik kon niet meer bewegen. Mijn maag wilde uit mijn buik en ik dacht dat mijn hoofd ging ontploffen en toen dacht ik ook dat ik zou stikken.' Hij schudde met zijn hoofd. 'Je zou nooit denken dat zoiets je na zoveel tijd nog overkomt,' zei hij.
'Arme jongen,' zei Phillie.
Harry verlegde zijn handen op het stuur. 'Jij hebt het niet gezien,' zei hij. 'Jij was glazen aan het drogen. Maar de man die tegenover me zat had het gezien. Hij vroeg of hij wat voor me kon doen.'
Phillie legde haar hand op de dij van Harry en schoof ze daarna wat hoger. 'Het spijt me, schat,' zei ze. 'Het moet heel erg voor je zijn geweest.'
Harry minderde vaart en schakelde over naar een lagere versnelling. Hij schudde opnieuw met zijn hoofd. 'Het is oké,' zei hij. 'Het is best in orde,' zei hij. 'Het is helemaal goedgekomen.' Hij nam de bocht naar de tunnel zonder de banden van de Renault te laten gieren en terwijl hij de auto onder het water stuurde, probeerde hij zich te herinneren waarom hij was opgehouden met roken. Het was niet omdat de kinderen het hem hadden gevraagd. Dat wist hij. Het was niet omdat hij dacht dat hij ervan dood zou gaan. Hij was opgehouden met roken om zichzelf iets te bewijzen. Dat was het. Dat herinnerde hij zich. Maar hij herinnerde zich niet wat het was geweest dat hij wilde bewijzen. En hij kon op dat moment ook niets zinnigs bedenken.
|
|