Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

WAT TAAI EN ZUIVER TAAL IS...

Frank Adam

Het weze duidelijk vooraf: een verrader ben ik niet.
Ik ben voorlopig een quasi­ex­roker (ik zondig nog op redactievergaderingen van De Brakke Hond, Boekenbeurzen, trouwfeesten en andere gelegenheden waarop ik mezelf toewenste dat ik nooit het levenslicht had gezien), maar ik wil hier, en ook elders zo u wil, altijd nog een vurig pleidooi houden voor de al te vaak verketterde sigaret.

(Zoals bijvoorbeeld: tabak is in wezen niet veel gevaarlijker dan atoomenergie, het komt erop neer ze niet ten kwade aan te wenden. Misschien krijgen rokers wel kanker omdat ze hun hele leven verkéérd hebben gerookt? Op de verkeerde manier hebben geïnhaleerd? Op het verkeerde ogenblik ook, bijvoorbeeld in combinatie met te hoge ozonconcentraties, te veel zonlicht, of in het gezelschap van te weinig fervente antirokers? Misschien is de doorsneeroker er bovendien te laat mee begonnen? Misschien heeft het lichaam tegen de puberteit al zo'n onuitwisbare niet­rokersidentiteit ontwikkeld, dat bij de eerste sigaret de firma Kanker en Co sowieso een contract krijgt toegestuurd voor binnen veertig jaar.
Willen we dat deel van de menselijke soort dat rookt, immuun maken tegen kanker, dan zullen we het tijdstip van de eerste sigaret ongetwijfeld moeten vervroegen. Desnoods tot in de wieg, desnoods tot in de baarmoeder. Misschien zal immuniteit zelfs nooit worden bereikt, zolang de moeder niet op haar beurt haar hele leven al heeft gerookt?
Het tragische bij deze hele veronderstelling is echter dat niemand de roker het roken ooit echt heeft geleerd. Ik bedoel, er bestaan afkickcentra, overheidscampagnes, doktersbrochures, en zelfhulpgroepen voor niet­rokers in spe, maar hebt u ooit al van een Vrije Universiteit X Afdeling Fumorologie gehoord? Of al was het maar een Volkshogeschool Roken, werd die ooit al ergens opgestart? Rokers, hoe afwijzend ze ook tegenover zo'n initiatief zullen staan, hebben dringend nood aan een erkend instituut, waar iedereen in de leer kan gaan, met gepopulariseerde doch degelijke colleges, als daar zijn 'Inleiding tot de Filosofie van het Roken', 'Historische Fumorologie', 'Rokersanekdotiek' - 'Van den verslaafden seventiende­eeuwschen joodt die op den sjabbath niet mochte roken en daaromme bij sijne islamitische vrienden gingck sitten alwaar hij binst de wijl passief konste roken' of 'Van den pastoor die tabac in sijne soep ghedraaid kreegh' -, en vooral met voldoende colleges praktijk. 'Roken: hoe, wat, waar, waarom?' en zo, dat soort dingen. Heel concreet.
Voorlopig echter wordt de roker overgelaten aan zijn eigen proefondervindelijke, vaak puberaal geïnspireerde geklungel, dat hem - net als zijn besnorde grootmoeder, maar dan veel vroeger - zonder pardon een rochelend levenseinde bezorgt.
Het is een magere troost te moeten vaststellen dat niet de sigaret, en niet de roker maar de Maatschappij Zelve voor zoveel rokersleed verantwoordelijk is. Zij schreeuwt moord en brand als er aan het kindergeld geknabbeld wordt, doch kijkt de andere kant op als er geld vrijgemaakt moet worden voor constructief rokersonderzoek of een degelijke rokersopleiding.
Het is godgeklaagd.
Ik dank u allen zeer.)

Wat de relatie roken­literatuur betreft, wil ik toch graag het volgende kwijt. Het probleem met schrijvers is - en ik pleit mezelf van dit euvel helemaal niet vrij - hun koppige voorcopernicaanse manier van redeneren. In hun wereldbeeld zijn alle zijnden, alle dingen, en alle handelingen - ook het roken dus - op het middelpunt van hun concentrisch gecon­ strueerde persoonlijkheid gericht. Alsof roken een exclusieve bezigheid van het schrijversambacht is.
Volledig in de geest van de Cameren van Rhetorycke, wordt de sigaret tot een waar schrijversembleem gepromoveerd, en wordt ze maar al te graag van een leus int sotte of int vroede voorzien: bijvoorbeeld 'Ic schrijve gelijk da'k rook' (laat­negentiende­eeuws), of 'Als ik rook/Bedrijf ik een fellatio met het Niets/Wat anders dan Niets/Kan ik dan kotsen/Wanneer ik schrijf?' (laat­twintigste­eeuws), of 'Er zijn te veel woorden, te weinig moorden/Met de rook van één simpele sigaret/vergas ik haast mijn hele woordenschat/Wat taai en zuiver taal is/En nadien nog ademt/krijgt de kogel op het blad' (naziperiode).
Ik bedoel, iedereen doet maar. Iedereen heeft het volste recht om de sigaret omineuze of inspiratoire krachten toe te schrijven maar dat soort beschouwingen is aan mij niet besteed. Ik vermoed dat - als er al van enig oorzakelijk verband tussen roken en schrijven sprake kan zijn - het louter een kwestie is van kanaliseren van stress en zo. Dat kun je ook door je lazarus te drinken of door je vol te vreten of door eens stevig aan lichaamsvereniging te doen.
En bovendien...
Ik heb vier jaar van mijn leven het ware genoegen gekend op collegiale basis in het gezelschap van bouwvakkers te mogen vertoeven, en zowel uit de observatie van hun gewoonten als uit de verfijnde, diepgaande gesprekken die ik met hen heb gevoerd, heb ik kunnen opmaken dat ook zij de sigaret - zij het met minder verbale omhaal - beschouwen als hun exclusief ambachtsembleem. Dus waarom daar zo interessant over doen?
Zo spuwt een immer rokende opperman een groene fluim waaraan een sponsachtig stukje long is blijven hangen, in de betonmolen in de bijgelovige veronderstelling dat zijn mortel daardoor meer zal schuimen en minder aan zijn truweel zal blijven plakken.
'Ja, maar,' zult u een beetje pontificaal opmerken, 'de opperman spuwt die fluim niet omdat hij er als roker nu eenmaal mee zit, nee! Hij rookt opdat hij die fluim zou kunnen spuwen. Hij rookt, net als een schrijver, in functie van zijn artefact!'
Ja, als u zo begint, zeg ik, geef mij een sigaret en laten we er dan in godsnaam over zwijgen.

© Frank Adam