DRIE VORMEN VAN WACHTEN

(1)

Vroeger en langzamer dan de oudste
steen keerde ik terug naar buiten mezelf.
Nu woekert in mij licht dat niet meer
verschrikt, marmer dat weent.

Als tijdelijk twijfelt dat licht - daar
het einde nabij is, misschien: de bijen
uit het paradijs, de mijne niet, mijn
woorden onvolkomen, gelukkig onvolkomen.

(2)

Binnen sta ik klein te wuiven:
de vlinder buiten uitvergroot heeft
niets met mij gemeen. Wat zicht­
baar ongetroost, niet ziende, buiten,
binnen mij geen toekomst heeft.
En dan: de oogopslag van de
geliefde. Oog van een naald.
Die ruimte wordt mij opgespeld.
En ik dan: klein in dat zo grote.

(3)

Jij verdwijnt uit mijn beeld met
de woorden die we niet, met het
gevoel (bij mij): een goede vriend
neemt afscheid, komt toch terug?
De trein vertrekt. Wat in het
landschap ondanks vordert: het kleine
afscheid in het grote overgaat.
Zo ruist in dit seizoen van
licht toch bladerval. En later
zal mijn naam vergaan. En ook
de zijne, later.

© Bart Vonck