(1)
Vroeger en langzamer dan de oudste
steen keerde ik terug naar buiten mezelf.
Nu woekert in mij licht dat niet meer
verschrikt, marmer dat weent.
Als tijdelijk twijfelt dat licht - daar
het einde nabij is, misschien: de bijen
uit het paradijs, de mijne niet, mijn
woorden onvolkomen, gelukkig onvolkomen.
(2)
Binnen sta ik klein te wuiven:
de vlinder buiten uitvergroot heeft
niets met mij gemeen. Wat zicht
baar ongetroost, niet ziende, buiten,
binnen mij geen toekomst heeft.
En dan: de oogopslag van de
geliefde. Oog van een naald.
Die ruimte wordt mij opgespeld.
En ik dan: klein in dat zo grote.
(3)
Jij verdwijnt uit mijn beeld met
de woorden die we niet, met het
gevoel (bij mij): een goede vriend
neemt afscheid, komt toch terug?
De trein vertrekt. Wat in het
landschap ondanks vordert: het kleine
afscheid in het grote overgaat.
Zo ruist in dit seizoen van
licht toch bladerval. En later
zal mijn naam vergaan. En ook
de zijne, later.