De standbeelden
Voor Meyer Schapiro1
I De sneeuw begon te vallen om vijf uur in de middag van de achtste december. Faber Gottschalk, een dertigjarige tandarts, was op weg naar zijn praktijk, waar hij een afspraak met een patiënt had. Hij sloeg nauwelijks acht op de eerste paar veertjes sneeuw. Hij had net een whiskysoda gedronken en door het aangename vreugdevuur dat drank in zijn hele wezen had ontstoken, lukte het hem zonder het gebruikelijke gevoel van afkeer aan het komende uur te denken. Intimiteit was wat hem de grootste afkeer inboezemde in zijn beroep, de noodzakelijke kennismaking met de binnenkant van de menselijke mond. Het opsporen van bederf en pus, elke dag weer, drong zich voortdurend naar voren in zijn bewustzijn. Deze belangrijke aspecten van zijn beroep stonden hem tegen en hij zou er nooit aan wennen of er anders dan met walging tegenaan kunnen kijken. Dus had hij zichzelf geleerd alles wat zich onmiddellijk voordeed, uit zijn geest te bannen, de maaltijden die hij gebruikte, de straat waar hij doorheen liep, of, zoals vanmiddag, de eerste tekenen van de witte wereld en de zichtbare perfectie van de winter: sneeuw.
Het duurde tot de avond voor de stoepen waren bedekt, en het was middernacht toen het bijzondere karakter van de sneeuw duidelijk werd. Daarom wisten alleen de mensen die 's nachts op waren, de politieagenten, de nachtwakers, de slapelozen en de dronkaards, al voor het weer licht werd, dat er een buitengewone, onverklaarbare en zelfs angstaanjagende gebeurtenis had plaatsgevonden. De sneeuw die was gevallen, had niet alleen wonderlijke en duidelijke patronen gevormd, waarvan sommige bepaald een menselijk karakter hadden; maar ook was de sneeuw zo hard als steen en kon zij niet van de weg worden verwijderd.
De ochtendkrant besteedde op de voorpagina drie kolommen aan deze ongewone gebeurtenis. Er werd vooral ingegaan op de moeilijkheid deze sneeuw te verwijderen, en er waren fotografieën afgedrukt van de 'standbeelden', zoals de sneeuwobjecten al spoedig werden genoemd. De fotografieën waren met flitslicht genomen, nog voor het licht was geworden, wat nog eens bijdroeg aan hun geheimzinnig en schrikwekkend voorkomen.
Al snel daarna, in de tweede ochtendeditie, werd de gehele gebeurtenis als iets eigenaardigs beschreven. Het menselijke aspect werd daarbij niet veronachtzaamd: er waren verhalen te lezen over de manier waarop verschillende mensen hadden gereageerd op de grillige en grappige vormen die de sneeuw had aangenomen, over de verbazing van huisvrouwen, de pret van schoolkinderen en het onvermijdelijke fabuleren van oude mensen, die beweerden dat ze zoiets al eerder hadden gezien, maar dan nog mooier. Desondanks liet men dit gezichtspunt al spoedig varen, omdat de hele bevolking, op verschillende manieren, beïnvloed raakte door de beelden. De stilte die altijd optreedt als er veel sneeuw is gevallen, het gedempt raken en het verstommen van het geluid, het vertragen van stap en beweging, de weelderige, vertraagde gang van automobiel en vrachtwagen - deze veranderingen leken tot in het diepste wezen van de burgers te zijn doorgedrongen, zodat ze zacht en langzaam spraken, zich kalm en bijna geruisloos voortbewogen en met wijdopen ogen langdurig om zich heen keken, waardoor zij eruitzagen of zij droomden, met hun gedachten elders waren of enorm verliefd waren. Het effect had veel weg van het bombastische losbarsten van een straatorgel, waarbij de muziek alle bewegingen van de wandelaars in zijn golvende ritme lijkt op te nemen.
Daarom kreeg iedereen de dag nadat de sneeuw was gevallen, een snipperdag toegewezen. Alle persoonlijke belangen werden opzijgezet, alle taken gedachteloos afgedaan, alle andere zaken opgeschort, terwijl iedereen discussieerde over de bijzondere sneeuwbeelden, ze analyseerde en er een verklaring voor trachtte te vinden. Het was een warme dag, zonnig en schitterend, zoals dat wel vaker voorkomt nadat er een dik pak sneeuw is gevallen, en in de lucht zat iets verrukkelijk puurs en zachts.
Om twaalf uur 's middags had de burgemeester een persverklaring gegeven, beelden die overal langs zijn route te zien waren, een nieuwe en zelfs interessantere aanblik boden als je ze voor de tweede keer aanschouwde. Hij deed zelfs een experiment, waarbij hij meteen weer om een huizenblok heen liep nadat hij een beeld voor de tweede keer had gezien, om te kijken of hij er een nieuwe indruk van zou krijgen. En inderdaad, ze zagen er weer anders uit, heel interessant, en het scheen Faber Gottschalk toe dat je op deze standbeelden nooit uitgekeken raakte.
Tegen de avond was hij terug in zijn flat. Hij ging in de woonkamer bij de radio zitten en probeerde de emoties te begrijpen, die hem bij de aanblik van de beelden hadden overvallen. En terwijl hij de dag de revue liet passeren, rookte hij de ene sigaar na de andere, bevredigd door de tabak en toch in staat een duidelijk onderscheid te maken tussen het genot van het roken en het grote geluksgevoel dat hem had overvallen toen hij wakker was geworden en de vreemde sneeuwobjecten vanuit het raam van zijn flat had gezien.
Bij het zoeken naar een verklaring voor zijn emoties dacht Faber Gottschalk na over zijn leven tot dan toe, over het patroon, het lot en het grote aantal toevallige factoren die hem hadden gebracht waar hij vandaag was gekomen. Zijn oom, bij wie hij na de dood van zijn moeder had gewoond, had hem overgehaald tandheelkunde te gaan studeren. Het was oorspronkelijk zijn ambitie geweest atleet te worden en, toen dat mislukte, sportjournalist. Eigenlijk wist hij niet zeker naar welke van de twee loopbanen zijn hart het meest uitging. In ieder geval interesseerde het gesloten wereldje van de professionele atleet hem meer dan wat ook ter wereld, maar omdat hij het talent miste om in enige tak van sport uit te munten, had hij al snel en zonder problemen geaccepteerd dat hij vooral een toeschouwer zou zijn.
Maar een echte toeschouwer zijn is geen geringe opgave, omdat dit een heel intensief supporterschap vereist, een leven van emoties die dag in dag uit meedeinen met successen en verliezen. Wanneer bij honkbal, Fabers favoriete sport, de hoofdcompetitie eenmaal is begonnen, moet een supporter de odyssee van zijn team ruim zes maanden lang volgen, te beginnen met de trainingskampen in het voorjaar en eindigend bij de buitengewone opwinding van het Amerikaans kampioenschap. En hiervoor moet er naar acht steden worden gereisd, steeds weer opnieuw, en de spanning blijft bij elke nieuwe reis aanhouden, omdat het voor een team moeilijker is om een uitwedstrijd te winnen dan voor het enthousiaste thuispubliek te spelen.
Fabers oom had hem erop gewezen dat hij als tandarts een redelijk inkomen zou hebben en zijn eigen tijd zo kon indelen, dat hij zich het hele jaar door kon bezighouden met de sporten die hem interesseerden. Faber had geen reden om er spijt van te hebben dat hij de raad van zijn oom had opgevolgd. Hij was inmiddels dertig geworden en zoals reeds opgemerkt, vervulde zijn beroep hem met een diepe walging, maar hij had alle vrijheid gehad om de gewoontes en genietingen van een echte supporter uit te leven en te bevredigen. Hoewel hij besefte dat zijn leven een zaak was van ikhadnetzogoed, was er geen enkele reden om te veronderstellen dat de zaken beter waren verlopen als hij ambitieuzer was geweest.
Tijdens die lange avond, terwijl hij daar zo zat in het donker van zijn woonkamer en zo nu en dan naar het raam liep om naar beneden te kijken, naar de straten van de stad, waarin de figuren lagen, blauwwit en spookachtig, als in hun doodskleed gewikkelde lijken, slaagde Faber Gottschalk er, nadat hij had nagedacht over zijn verleden, niet in voor zichzelf te verklaren waarom die beelden hem zo emotioneerden.
II Op de grote gebeurtenis volgde een week waarin het prachtig weer was. De sneeuw smolt niet en de beelden bleven onveranderd. Ze bleven stevig aan de weg vastzitten, alsof ze een natuurlijke uitstulping van het asfalt vormden, terwijl de auto's niet anders konden dan er behoedzaam en met een boog omheenrijden.
Toen de kranten het onderwerp van alle kanten hadden belicht, toen duizenden mensen uit de voorsteden en de afgelegen delen van de stad de nieuwe bezienswaardigheden hadden bekeken, maar gefascineerd en geobsedeerd waren gebleven, had er een brede en scherpe verandering plaatsgevonden in het bewustzijn van de bevolking, bij arm en rijk, bij arbeiders en mensen uit de middenklasse. Overdag liepen velen naar het raam om op de beelden neer te kijken, en tijdens de middagpauze werkten velen hun lunch vlug naar binnen of ze aten helemaal niet, of ze aten hun brood op straat op, zodat ze langer naar de kunstwerken van sneeuw konden kijken. Stakingen die in deze periode plaatsvonden, gingen onverminderd door, maar de postende stakers waren vaak verdiept in de figuren die uitgestrekt op de witte grond lagen; en terwijl ze erbij stonden na te denken, erin waren verdiept, kregen ze vaak gezelschap van politieagenten, die hen ondanks hun gezamenlijke interesse toch gewoon controleerden. Van tijd tot tijd kwam er zelfs een werkgever langs, die even stopte om naar de beelden te kijken en dan weer met onverhulde haat opkeek naar de stakers. In het algemeen deed iedereen wat er van hem werd verlangd, maar op een nieuwe manier, met meer concentratie, meer toewijding, en efficiënter. Op bepaalde momenten stond alles en iedereen stil, roerloos, zoals voor een stoplicht in een brede hoofdstraat; en tijdens deze bewegingloze momenten gaf men zijn aandacht volledig aan de beelden, zoals wanneer er een groot man wordt herdacht.
Uit elke wijk van de stad New York kwamen er berichten over de rijke verscheidenheid van de beelden, en werd er verslag gedaan van de fascinatie van de burgers voor de beelden, een fascinatie die boven de gewoontes en handelingen van het dagelijkse leven uit leek te stijgen, maar deze niet aantastte. Alleen Faber Gottschalk deed volledig afstand van zijn vroegere manier van leven en was opgehouden zijn beroep uit te oefenen, en liep de hele dag door New York in een poging alle beelden te zien.
Veel van deze beelden waren grotesk. Enkele waren monsterlijk. Andere leken op menselijke figuren en hoewel ze in alle andere opzichten volkomen levensecht leken, waren de gezichten soms spierwit en verwrongen als de gezichten van waterspuwers, of obsceen, zoals bij mensen uit bepaalde stadswijken, die zich in een nauwelijks ondubbelzinnig te noemen omhelzing tegen elkaar aandrukken. Maar elders hadden de beelden de rondheid en plompheid van stapelwolken op een zomerdag, de stevigheid en onbeweeglijkheid van mooie gebouwen, of de pure en eenvoudige kristallisaties van bepaalde bloemen. Overal zag je vormen die het oog verrukten, ofwel door de frisse samenstellingen van reeds bekende kristallisaties, of door composities die onuitputtelijk in vorm en afmeting leken. De bevolking raakte steeds meer op de beelden gesteld en vele kregen al spoedig een bijnaam: een werd 'Versailles' genoemd, omdat hij schitterde in de zon als licht dat in vele spiegels wordt weerkaatst; een groot en massief beeld werd 'Caliban' genoemd; en er waren namen als 'Luchtgekte', 'Sestina', 'Kos', 'Hallucinatie', 'Prijspruim', 'Ouwe Gabber' en 'Shelley'.
In bepaalde buurten, en eigenlijk soms overal wel, werd er druk gespeculeerd over de oorsprong, oorsprongen, oorzaak of oorzaken van een sneeuwbui. Men was het er al snel over eens dat alles wat er was gebeurd met de sneeuw, een wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden was geweest, zoals prachtig weer of een rotswand. Een tijd lang spraken sommige mensen over de creativiteit van de natuur; anderen - en dat waren degenen die veel alleen waren - meenden dat dit wellicht de manier was waarop de geplaagde en belaagde levens van mensen vorm kregen, door een onvoorspelbare en voortdurende v deze tijd van goede gevoelens, want meteen nadat ze het nieuws van de petitie hadden vernomen, protesteerden zeer grote menigten die eisten dat er niets zou worden ondernomen. Zo ontstond op den duur het uitgesproken en bewuste gevoelen dat ieder object dat was ontstaan door deze zeldzame sneeuwbui, op de een of andere manier uiterst kostbaar en belangrijk was en met de grootst mogelijke zorg moest worden omringd, koste wat het kost moest worden bewaard en nooit vernield. Faber Gottschalk, die pas tamelijk laat van het verzoekschrift had gehoord, kwam als de vurigste voorstander van het instandhouden van het beeld naar het strijdtoneel gesneld.
III Op een straathoek, bij een lantaarnpaal, stond hij op de achterbank van een automobiel, en hield een gloedvolle redevoering tot de menigte, die het volledig met hem eens was. Toen hij aan het einde van zijn speech kwam en probeerde tot een bepaalde conclusie of resolutie te komen, kreeg hij het vervelende gevoel dat hijzelf niet echt wist wat hij zei.
'Daarom zeg ik u,' zei hij, 'dat er alle reden is om te menen dat wij niet het recht hebben iets te veranderen aan deze nieuwe dingen. Degenen die er voorstander van waren om van dit beeld af te komen, omdat het volgens hen obsceen is, zeggen dat het een slechte invloed heeft op kinderen. Ik zal daar niet tegenin brengen dat wij ons niet kunnen permitteren onze levens te laten bepalen door wat kinderen wèl of niet willen zien. Dat antwoord zou al te gemakkelijk zijn, hoewel het waar is. Ik zal niet argumenteren dat degenen onder ons die werkelijk iets van kinderen af weten, en die ze zien opgroeien, heel goed weten dat het niet de kinderen zijn, en ook niet de volwassenen, en ook niet de beelden die verdorven zijn, maar dat ons volwassen leven één lange lijdensweg is en een voornamelijk nietgeslaagde poging om onszelf te bevrijden van de uiterste verdorvenheid van onze jeugd en onze kindertijd en ons egoïsme, dat we al vanaf de moederschoot met ons meedragen. Ikzelf herinner me heel goed iets van toen ik acht was en ik bij mijn tante op bezoek was; ik werd door mijn twee nichtjes, een tweeling, de wc ingetrokken en ze lieten mij bepaalde dingen zien, waarvan ik mij waarschijnlijk wel al een beetje bewust was, want ik was nauwelijks nog verbaasd over wat ze met me deden.
Maar afgezien van deze overwegingen, en afgezien van de kinderen, die zichzelf heel goed kunnen redden, kan ik u verzekeren, wil ik u op het hart drukken, of u aan iets herinneren waarover wij het in zekere zin allemaal met elkaar eens zijn...'
(Hier toonde de spreker de meeste aarzeling.)
'Wij zetten ons in voor het ware, het schone en het goede, hoewel we daarmee ons leven op het spel zetten... Verder...' (Dit laatste woord werd door de spreker op minder overtuigende toon uitgesproken.)
'... aangezien wij werkelijk niets begrijpen van deze buitengewone objecten, moeten we ze dan niet uit nederigheid, voorzichtigheid en uit praktische overwegingen zien als gewijde mysteries, voor zolang ze er zijn tenminste? Wie weet wat ze wel of niet met onze levens hebben te maken? Welke natuurlijke of bovennatuurlijke krachten willen ons door middel van deze beelden iets zeggen? Wie van u is zo hoogmoedig en ongevoelig dat hij vol durft te houden dat hij nu niet méér van de aard der dingen af weet en er meer respect voor heeft dan op zijn vijftiende?...'
Er waren weinig mensen die de laatste bewering hadden begrepen, maar de massa juichte Faber harstochtelijk toe toen hij van de automobiel stapte. Hij had de juiste toon aangeslagen en blijk gegeven van de juiste emoties. In de bar van een nabijgelegen restaurant werd Faber door een toehoorder, een intellectueel, aangesproken. Aanvankelijk had Faber alleen maar zin om te herhalen wat hij zoëven had gezegd, en hij legde daarbij steeds weer de nadruk op het nauwe verband dat hij voelde tussen tanden, sport en de beelden. Er leek sprake te zijn van een eigenaardige en noodzakelijke relatie.
Toen Fabers gesprekspartner vriendelijk suggereerde dat hij moest voorkomen dat deze passie zijn leven overhoop zou gooien, omdat er uiteindelijk ook nog andere belangrijke en noodzakelijke dingen bestonden, antwoordde Faber: 'Als iemand maar voldoende geïnteresseerd is in het een of ander, en daar volledig in opgaat en er volledig door in beslag wordt genomen, dan wordt dat ding of die passie voor zo iemand de hele wereld, zodat de hele wereld zich daarin gaat manifesteren, en wel met een grotere intensiteit en helderheid. Dezelfde moeilijkheden, dezelfde plichten en noodzakelijkheden dienen zich weer aan, vertaald in de termen van dit bij uitstek belangrijke ding. Want als iemand volledig in iets geïntere
Noten
Dit verhaal verscheen eerst in Partisan Review en werd in 1948 in de bundel The World is a Wedding opgenomen.
1. Meyer Schapiro vormde samen met James Burnham en Sidney Hook de redactie van de Marxist Quarterly. Hij was een van Schwartz' docenten op de New York University en werd later een bekend kunsthistoricus.
© Delmore Schwartz