Was dit een tekst geweest, waarin ik ontstond uit een waterval en jij oprees uit de aarde en mijn water jouw huid bevrijdde van het steen, de klei, de kleverigheid (noem het stilstaan) (noem het). Tijd verstrijkt. Ik raak aan jouw lichaam. Jij betast mijn droef gelaat. Gezicht vol groeven, als een plaat die (steeds maar) (steeds maar) rond moet draaien.
Terzake!
Een tekst waarin jij naakt en enig voor me staat. De maan is al verdwenen (en ik) (ik tel mijn tenen). Enkel de monnik zonder ogen heeft het lulverhaal geloofd dat je verzon terwijl je sprak tot een voorgestelde menigte die in je fantasie uiteenweek. Er staat nog steeds een paard op de gang en nog steeds bij ons op de keukendeur (gezeur) (gelul) (loos leeg gedram van een sterke zwakke jongeman).
Ik wil met jou wel dansen, maar mijn voeten en mijn schoenen voelen zwaarder (en zwaarder) iedere dag. Ik red het niet tot aan de vuilniszak, die naar de straat gedragen moet (het is al laat) (het is nog vroeg). Borden vuil en glazen dof en een Romeinse ruïne op mijn balkon. En muizen (muizen) onder mijn bed.
Albert Heijn huiswijn.
Lachen, gein, hoofdpijn.
En dan een tekst (een tekst) omdat het moét.