Rolex Explorer

Luc Hanegreefs

Ik bekeek mezelf in de spiegel terwijl ik uit de douche stapte.
Mijn handen en m'n armen zagen rood van het schrobben. Ik had zelfs mijn nagels schoongemaakt. Ik hield mijn gezicht vlak voor de spiegel. Het was nog altijd hetzelfde als voorheen. Het stond me niet erg aan. Veel te grote neus. Te weerbarstig haar. Al een centimeter donker aan de wortels. Ik poetste mijn tanden, maar het gevoel bleef.
'Ik heb er geen spijt van,' zei ik tegen de spiegel. 'Ik heb er geen spijt van. Integendeel.'
Het had me opgewonden. Ik was op voorhand bang geweest voor het gevoel. Maar toen het eindelijk kwam, was het in golven door mijn buik getrokken. Het begin was moeilijk. Ik wist niet goed hoe ik het moest doen. Tot ik voelde dat ik mij gewoon moest laten gaan. Ik was me plots bewust geworden van mijn hele lichaam. Spieren waarvan ik nooit gedacht had dat ze zo sterk waren. Mijn hoofd was ijl geworden. Alsof ik veel te lang mijn adem had ingehouden. Misschien had ik dat ook wel gedaan. Ik herinnerde mij niet alles meer.
Ik haalde diep adem, kneep mijn mond en mijn neus dicht en bekeek mezelf aandachtig. Mijn gezicht liep rood aan. Er begonnen zwarte vlekjes voor mijn ogen te dansen. Het gevoel kwam niet terug, maar ik bleef mijn adem inhouden tot ik duizelig werd en naar lucht moest happen. Ik propte mijn vuile kleren in de wasmand en trok een jurk aan.
Ik voelde mij nog altijd vies.
Michael wachtte me op in de straat. Naast zijn mountainbike. Gloednieuw. Pas gestolen. Hij was ervoor met de trein naar de stad gereden. Had hem aan het station gepikt en was dan de hele weg teruggefietst. Hij vertelde het aan iedereen die het wilde horen.
'Dat heeft lang geduurd,' zei hij. Hij was ongeduldig. Hij zwaaide met zijn arm om op z'n horloge te kunnen kijken. Een Rolex Explorer. Zo één waar duikers en ontdekkingsreizigers mee rondlopen. Als ik de reclame mocht geloven, tenminste.
'En? Wat vind je ervan?' vroeg hij. 'Ik vind dat het bij mij past. Echt een horloge voor mannen die bijzondere dingen doen.'
Ik wilde dat het zo snel mogelijk voorbij was. Ik stapte op mijn fiets zonder te antwoorden.
'Zeg nu niet dat je er spijt van hebt,' zei Michael. 'Je hebt er evenveel van genoten als ik.'
'Hoe kan jij dat weten?'
'Ik heb het gezien,' zei Michael. 'Ik heb je in de gaten gehouden terwijl je bezig was. Je raakte er helemaal opgewonden van.'
'Ik weet het niet meer,' antwoordde ik. 'Kom, we vertrekken.' Michael keek voor de zoveelste keer op zijn horloge. Ik begreep niet hoe hij dat ding om zijn pols kon verdragen. Hij vergiste zich. Zo'n Rolex Explorer paste helemaal niet bij hem.
Juni. De lente kriebelde in mijn neus en mijn keel. De hooikoorts liep in rillingen over mijn rug. Insecten probeerden in mijn mond te vliegen. De zon blakerde op het asfalt. Als ik m'n ogen tot spleetjes kneep, vervaagde de verte. De weg en de velden met koolzaad kringelden gloeiend omhoog. Een wazig gordijn, zoals in de woestijn. Michael fietste naast mij. Hij floot. Nu en dan wierp hij een blik op het horloge aan zijn pols. Ik voelde hoe hij mij vanuit zijn ooghoeken beloerde. Z'n ogen zochten mijn knieën en mijn dijen. Ik haalde een hand van het stuur om mijn jurk omlaag te houden.
'Draai hier maar in,' beval hij.
Een veldweg. De wielen van mijn fiets zakten diep weg in het zand. Het hoge gras aan de kant streelde langs mijn benen. De maïs aan weerszijden van het pad was al hoog maar nog groen. De kolven nog jong en dun. Het zou nog weken duren voor er een boer kwam met z'n tractor. Achter het maïsveld een eikenbos. Aan de rand van het bos een hoopje puin. Bakstenen.
'Stop hier maar,' zei Michael. 'Hier ziet niemand ons. Hier mag je gillen als je daar zin in hebt. Kleed je maar uit.'
Ik liet mijn fiets in de maïs vallen en begon mijn jurk los te knopen. Michael ademde op de Rolex en wreef met zijn mouw over het glas.
'Haast je,' zei hij. 'Zoveel tijd heb ik niet.'
Slim was de verstandigste van onze groep. Daarom had Michael een hekel aan hem. Maar Michael was de knapste. Daarom bewondering begon langzaam plaats te maken voor verontwaardiging. Weigerachtig.
De opwinding in mijn buik bleef. Dat Slim het slachtoffer zou zijn, had ik al van in het begin begrepen. Michaels plannetje was doodeenvoudig. Simpele plannetjes hebben het meest kans op slagen, meende hij. Hij vertelde wat hij van plan was terwijl we naar huis reden. Alsof het om een huiswerk ging.
'We wachten hem onderweg op. Achter de spoorwegbrug sleuren we hem van zijn fiets. De kans dat er nog iemand op die weg is, is klein. We nemen hem mee het bos in. Daar maken we hem dood. Daarna leggen we hem op de spoorweg. Als de trein over hem gereden is, zal niemand nog kunnen zien dat hij al dood was. Dan blijft er toch alleen maar moes over.'
Toen hij alles verteld had, wist ik dat ik mee moest doen. Ik had geen keuze. Ik durfde geen vragen te stellen. Ik wilde niet dat hij zou denken dat ik bang was. Er was één vraag die op mijn lippen brandde, maar ik hield mijn mond. Het antwoord zou ik later vanzelf wel krijgen. De weg die onder de spoorwegbrug liep, was verlaten. Slim liet zich verrassen. Hij was een gemakkelijke prooi. Hij was zo al geen vechtersbaas, en toen Michael hem van zijn fiets trok, botste hij met zijn hoofd tegen het betonnen fietspad. Hij was zo versuft dat Michael zonder moeite zijn arm op zijn rug kon wringen. Er liep een dun straaltje bloed uit zijn neus.
'Snel! Die fietsen weg voor iemand iets ziet!' riep Michael. Hij sleurde Slim het bos in. Slim kon amper op z'n benen blijven staan maar hij strompelde verder. Nadat ik de fietsen achter de brug tussen de struiken had verstopt, liep ik achter hen aan. Slim verzette zich amper. Eén keer probeerde hij zich los te rukken, maar Michael sloeg met zijn vuist in zijn buik en hij vouwde dubbel. Ik keek toe hoe Michael Slim tegen de stam van een boom zette. Het was spannend. Het was net zoals in de film. Ik was zo opgewonden dat ik ervan moest plassen, maar ik durfde het niet te vragen. Ik durfde niet weg te gaan. Ik wilde niks missen.
'Sta daar niet zo te gapen,' snauwde Michael. 'Help mij liever.' Hij had touwen meegebracht en we maakten Slim vast aan de boom. Zijn handen bonden we samen achter de stam. Hij stribbelde tegen maar met ons tweeën konden we hem gemakkelijk de baas. Een derde touw ging rond zijn nek en de boomstam. 'Hou ermee op!' riep Slim. 'Ik vind dat jullie spelletje lang genoeg geduurd heeft.' Michael ging op zijn hurken voor hem zitten. 'Spelletje?' vroeg hij. 'Welk spelletje? Dit is geen spelletje, Slim.' Daarna wandelde hij rond de boom om zijn werk te bewonderen.
'Oké. Hij kan niet weg,' zei hij. 'We beginnen eraan!' Hij trok het bos in en kwam even later terug met een dik stuk tak en een steen. Slim haalde diep adem toen hij de tak en de steen zag. Hij wilde roepen, maar Michael gaf hem opnieuw een schop. Tegen z'n borst, deze keer. Slim kreunde van de pijn. Zijn gezicht werd er helemaal wit van. Het duurde een hele tijd voor hij weer iets kon zeggen. Hij begon te beseffen dat het menens was.
'Laat me met rust. Alsjeblief. Ik heb jullie toch niets misdaan?' Hij was bang. Ik kon aan zijn gezicht zien dat hij bang was. 'Dat heeft er niks mee te maken,' zei Michael. 'Ik heb gewoon zin om eens iemand van kant te maken.'
'Maar waarom mij?'
'Omdat ik een hekel aan je heb,' zei Michael.
'Maar waarom?!'
Michael haalde zijn schouders op.
'Goh,' zei hij. 'Er zijn zoveel redenen. Om te beginnen ben je veel te slim naar mijn zin. Jij denkt dat je beter bent dan ik omdat je slimmer bent. En dan die keer dat je met je fiets voor mijn wiel begon te rijden. En bovendien. Ik kan je gezicht niet uitstaan.'
Hij ging achter de boom staan en rukte aan het touw dat rond Slims keel zat. Slim kokhalsde en begon dan te hoesten. Michael lachte.
'Wat ga je met mij doen?' vroeg Slim na een tijdje. Zijn stem klonk hees en hij had moeite met slikken.
'Ik zei het toch al,' zei Michael. 'Wij gaan je doodmaken. Wij willen weten hoe dat voelt. Tot hiertoe vind ik het best leuk.'
'Je weet niet wat je doet,' zei stapte naar de boom en sneed de touwen los. Toen hij de armen van Slim losmaakte, viel het lichaam met een plof op de grond. Michael trok de mouw van de linkerarm omhoog en klikte het horloge los. Hij deed het om zijn eigen pols. Ik wilde iets zeggen, maar ik zweeg. Tenslotte was mijn vraag al beantwoord.
'Binnen tweeëntwintig minuten komt de trein hier voorbij,' zei Michael. 'Dat is nu het voordeel van zo'n Rolex, zie je. Die loopt nooit achter.' We droegen het lichaam van Slim door het bos. Het moeilijkste stuk was de steile helling van de spoorwegberm. Michael had zand over het hoofd gestrooid om te beletten dat er onderweg bloed uit zou druppelen. Terwijl Michael Slim op de rails legde, wiste ik onze sporen uit.
Ik had op mijn lip gebeten terwijl ik met Slim bezig was. Ik proefde het bloed. Ik rook de bomen en het zand en de dorre bladeren die onder mijn voeten knisperden. Ik hoorde vogels. Een specht en een koekoek. De wind in de bladeren. Onder de dorre bladeren en het struikgewas ritselden muizen en hagedissen. In de verte veranderde een wagen van versnelling. Het leek wel of alle geuren en klanken stonden te dringen om mijn hoofd binnen te kunnen.
Slim lag met zijn nek en zijn benen op de rails. We hadden nog zo'n tien minuten. Een honderdtal meter verder maakte de spoorweg een bocht.
'De machinist kan hem onmogelijk zien,' zei Michael. 'Zelfs als hij probeert te stoppen, rijdt de trein nog over 'm heen.' We holden over de rails tot aan de spoorwegbrug waarachter we Slim hadden opgewacht. We haalden onze fietsen uit het struikgewas en reden langzaam de weg op. Er was niemand te zien.
De trein probeerde nog te stoppen. Er leek geen einde te komen aan het getoeter. We hoorden de wielen krijsen. De wagons bonkten tegen elkaar. De locomotief kwam in het midden van de brug tot stilstand.
'Zie je wel,' zei Michael. Zelfvoldaan. 'Iedereen zal denken dat hij zich van kant gemaakt heeft. Ik heb het allemaal perfect uitgekiend. Vind je niet?'
Ik had geen zin om iets te zeggen. Nu het voorbij was, begon ik mij vuil te voelen. Er zaten bloedspatten op mijn broek en mijn T­shirt. Mijn handen hadden enkel de tak en de steen aangeraakt, maar ze voelden aan alsof ik ze in het bloed van Slim had gewassen.
'Zo voelt het dus,' zei Michael. 'Dat weten we dan ook weer. Iemand doodmaken is nog gemakkelijker dan ik dacht.'
Hij kwam dichter bij mij rijden en wreef met zijn hand over mijn dij telkens als mijn rechterbeen omhoogkwam.
'En nu mag je met mij naar bed gaan,' zei hij. 'Dat heb je wel verdiend, vind ik.'
Ik voelde hoe mijn lichaam verstijfde. Ik had mij al dikwijls afgevraagd waar het bleef. Michael had al zoveel van mij geëist en ik had hem nooit iets durven te weigeren. Maar zover was hij eerder niet durven te gaan.
'Nee,' zei ik. 'Alsjeblief niet, Michael. Dat niet. Niet nu. Nadat...'
'Juist wel,' onderbrak Michael mij. 'Ik heb vandaag iets heel bijzonders gedaan. Ik heb mijn grenzen verlegd. Nu wil ik dàt ook doen. Ik wil het!' Ik begon sneller te peddelen. Michael kwam weer naast mij rijden.
'Dus je wil niet?' vroeg hij.
'Ik wil eerst naar huis, Michael,' zei ik. 'Ik voel mij vuil. Ik wil mij eerst wassen en andere kleren aantrekken.'
'Wil je daarna?' vroeg hij. Gretig.
'Goed,' zei ik. 'Daarna zal ik jouw grenzen nog eens verleggen.' Het klonk belachelijk toen ik dat zei, maar ik had het gezegd zonder erbij na te denken. Pas daarna besefte ik zelf wat ik ermee bedoeld had.
Ik lag op een smalle strook gras tussen het maïsveld en het bos. Michael had gelijk. Hier kon niemand ons zien. Hij had het horloge aangehouden, zag ik. Toen hij zich tegen mij aan wilde vlijen, ging ik rechtop zitten.
'Wat is er?'
'Niks,' zei ik. 'Wacht even. Ik ben zo terug.'
Ik verdween in het struikgewas. Michael lag naar de lucht te staren. Ik kon zien dat hij ongeduldig was. Ik denk niet dat hij mij terug hoorde komen. Hij schrok toen ik schrijlings over hem ging zitten. Ik leunde omlaag tot mijn gezicht boven het zijne hing. Mijn haren een gordijn dat onze ge

© Luc Hanegreefs