Een Ferrari in de Lange Leemstraat
I
Zondag, en Fred had een ventje meegebracht. Draadmager, met een piepklein Kalashnikovje in z'n handjes en een minuscuul groen sjaaltje om: een poppetje van zwart ijzerdraad, dertig centimeter hoog maar geladen met een vreugde die sinister nazinderde toen Marleen het, met een rode nagel, een tikje gaf.
'Waar je het haalt,' zei Marleen.
'In Brussel,' zei Fred. Hij had zelf ook een sjaal om: een blauwe. Die deed hij af en hij legde hem op een stoel. Het was april en buiten scheen de zon nog wat na.
'Dat bedoel ik niet,' zei Marleen.
'Weet ik,' zei Fred. 'Maar als je hem gezien had, zou je 't wél bedoelen. Zo groot, zo pikzwart met zo'n poppetje op het Brouckèreplein, een enorme Lulua diep uit de Kongo. Dat kan alleen in Brussel.'
'Altijd loop jij je te verontschuldigen als je iemand een plezier doet,' zei Marleen.
'Niet altijd,' zei Fred. 'Alleen bij jou.'
'Zo kwaad als hij is. Een krijgertje. Graatmager als de mensen zelf, maar wat een energie!'
'Een heilige.'
Marleen kon er haar ogen en haar rode nagels niet van afhouden. Koperen enkelbanden had het, en ringetjes in z'n oren. Ze kwam er voorzichtig aan.
'Je ziet eraan dat de geest toch door alles heen breekt,' fluisterde ze.
Dat wist Fred nog zo zeker niet, maar daar zei hij niets van.
* * * Het was op een regenachtige woensdagmiddag een paar weken later dat Fred verstrooid de Lange Leemstraat overstak, en weg moest springen voor een snel optrekkende rode Ferrari die in een flits was verdwenen, en een wolk van waterdeeltjes achterliet. Had iets die fooraap, zoals een diep verbolgen Fred het 's avonds tegen Marleen zei, belet om uit z'n ogen te kijken, of was hij er juist op uit om mensen dood te rijden?
In de Lange Leemstraat, la Longue rue d'Argile zoals meneer Schmieder van de krantenwinkel ze in zijn eigen Frans noemde, aan een grauwe, sinds de oorlog niet meer geverfde kant van Antwerpen met balkons op straat en afbladderende loodverf, horen immers geen Ferrari's. OostEuropeanen komen daar de jongste tijd graag in de zwart geworden herenhuizen wonen, zodat de oude joodse families van de wijk weer wat aanspraak hebben in het Pools, maar alles staat er nog steeds klaar om, als het teken gegeven wordt, terug te schakelen naar de oude armoe die de chassidim met hun hoeden en hun lange zwarte jassen ongetwijfeld nog altijd als het enige écht van God gegeven leven van de mens beschouwen. Het spektakel van de welvaart dat na de oorlog zo ogenschijnlijk vanzelfsprekend de wereld overnam, zien zij in principe als plastic: voor hen een handig overtrekje waarmee ze hun hoed tegen regen of ander vallend nat kunnen beschermen.
Met dat al was de krantenwinkel geen sombere plek, maar een vrolijk en polyglot centrum waar de diamantairs uit de buurt in zeven talen hun krant kwamen halen, en anderen uit vier of méér windstreken de weg naar het centraal station of de diamantwijk vragen, en door meneer Schmieder onveranderlijk bediend werden in de taal waarin ze hem aanspraken - zij het met een dik Antwerps accent. Daar stoorde niemand zich aan, de klanten hadden zelf doorgaans ook van die accenten.
En op een mooie zondagochtend, iedereen liep goedgemutst, was dikke Chris Pompier daar ineens ook. Fred was de winkel binnengewipt voor een krant, en stond tussen chassidim met krullen en lange baarden in de rij met een zak broodjes in zijn hand, toen hij een klap op zijn schouder kreeg en iemand luid de naam 'Freddie!' in zijn oor blafte. Fred had Chris Pompier na zoveel tijd liever ergens anders teruggezien. Het eerste wat hem van de boef te binnen schoot, was dat hij ook hier vast zijn beurt niet af zou wachten, net als indertijd op school. Hij zou afgaan op de vreedzame ernst van de chassidim en denken dat die toch niet zouden protesteren, en hij zou bars teruggewezen worden. Waarna zich een vernederende, hoog oplopende discussie zou ontwikkelen die hij alleen maar kon verliezen. Een echte schurk had Fred in Pompier weliswaar nooit gezien, hooguit een bruut en een aansteller met een grote bek - maar hoe dan ook, hij, Fred, zou voor de rest van zijn dagen in de wijk bekendstaan als een kennis van die botterik die voorschoot in winkels op zondagochtend als de zon scheen.
'Chris,' zei hij op een toon of hij de man in zijn ijskast had betrapt, 'wat moet jij hier?'
Maar ongelukkig genoeg was het er Pompier deze keer niet om te doen het eerst bij de kassa te raken. Hij was er voor Fred. Hij had een Stern uit het rek geplukt, een nummer met een vlucht warmeluchtballons op het omslag, en stond daarmee te gesticuleren terwijl hij uitlegde waar hij Fred voor nodig had. Hij droeg een roze blazer en een gestreept hemd, dure schoenen en een duikershorloge van een centimeter dik. Hij zag eruit als een rijkgeworden buitenwipper, maar zijn stem was diep en geschoold, en droeg tot in de verste uithoeken van de winkel.
Wat hij daar deed, was trouwens gauw gezegd. Een blad kopen over luchtballons deed hij, en uitkijken naar de juiste man voor de juiste plaats in zijn plan van actie. Een groot plan, een grootse actie. Zonet nog in de Lange Leemstraat had hij weer een ingeving gekregen. Zijn zesde zintuig had hem gewaarschuwd dat hij moest stoppen en op de hoek een krant gaan kopen. In een wildvreemde winkel waar hij anders nooit kwam. En wie stond daar? Exactly de man die hi
* * * 'Wat ik al zei,' lachte Chris Pompier, 'ballonreclame, precies!'
Ze waren naar een café gereden, en zaten achter pinten bier in hun gepikte Stern te kijken. Binnenin prijkte over twee pagina's een grote closeup van Sterns eigen ballon in diepblauw en rood, de naam van het blad massief wit erop gestencild, zo groot dat het onbetamelijk leek.
'Ballons dragen de boodschap uit,' zei Pompier. 'De boodschap van een gigantische campagne voor Afrika. De balloncampagne. Ballons aan zee en in de stad, wedstrijden op het strand, luchtdopen als prijs, champagne en diploma achteraf in de prijs begrepen. Tien, twintig, ontelbare ballons overal, grote ballons als deze, kleine ballonnetjes aan touwtjes, en geld, veel geld, dat wij verzamelen en dat we uiteindelijk ook met ballons ter plaatse in Afrika af gaan leveren. Weg met de bureaucratie en de tussenpersonen die het geld opslorpen, dat voor de negers bedoeld was. De tv erbij, we zijn geen padvinders meer. In deze tijd is de televisie het machtigste wapen, dat moeten we dus ook gebruiken, wat jij?'
Chris Pompier was een televisieman. Bij de tv had hij, in een literair programma, zijn naam gemaakt en een machtspositie veroverd. Die macht had hij gebruikt om hogerop te komen. Een zondagskind, Pompier. Veel meer dan wat gemompel had Fred er niet tegenin te brengen.
'Oké voor de tv, maar...'
'Maar wat? Je doet nog niet mee of je hebt al aanmerkingen.'
'Mm. Je weet toch dat je maar een uur kan vliegen?'
'Jaja, dat zei je al. Je kan maar vliegen zolang je flessen meegaan.'
'Precies, en je kan niet méér flessen meenemen dan de ballon kan trekken.'
Fred knikte hem bemoedigend toe.
'Dan moet je begrijpen dat een ballon niet het enige is.'
De zondagmiddag liep ten einde, Fred had zijn zak broodjes naast zich op de bank gelegd, die zou hij daar straks vergeten.
'Dat weet ik wel,' zei Pompier. 'Er moet een mand aan, met die flessen erin, en er moet een piloot bij, weet ik veel.'
'Ja, en die piloot moet een petje op.'
'Goed, wat dan nog meer?' Sarcastische antwoorden kon Pompier nog steeds niet goed verdragen.
'Heb je eigenlijk al eens met een ballon meegevlogen? Je hebt mensen nodig om de boel op te laten en, achteraf, om hem op te vouwen. Vaak helpen de passagiers daarmee. Hoort bij de pret. Als ze niet bang zijn, zijn ze zo blij dat je ze telkens weer moet tegenhouden of ze zouden dadelijk uit de mand springen.'
'Mogen ze dat dan niet?'
'Nee, dat is gevaarlijk. Als zo'n mand maar net de grond raakt en jij springt eruit, dan maak je de ballast negentig kilo lichter - of zijn het er honderd? - en je ballon is weer weg, de lucht in met een sprong.'
'Dus...' Chris Pompier was al een etappe verder. Dacht hij.
'Maar je hebt dus ook een volgwagen nodig, die achter je aanrijdt. Een Landrover of een goede terreinwagen, met een aanhangwagen of laadruimte genoeg om de hele zaak op te pikken en mee te nemen. Dat krijg je niet in een Ferrari. En hoe groter je ballon is, hoe meer je natuurlijk van alles nodig hebt.'
'Mmm.' Pompier zat te rekenen. 'Dat kost geld.'
'Maar dus,' Fred lachte maar wat, 'over die ballonvloot van jou gesproken, nog gezwegen van wat je ermee aan wil vangen, die heb je nog niet?'
'Jawel,' zei Pompier. 'Eén. Eén ballon heb ik al. Enfin, besteld.'
'En één zot om ermee te vliegen?'
'Maar nee, maar nee.'
* * * Als iemand in de stad bij stilvallende wind een overladen ballon met lege flessen over een stel hoogspanningsdraden en een rij populieren heen naast een vijvertje neer kon zetten en niet erin, dan was Fred dat. Ooit was hij mecanicien geweest, mager en zwart van haar, met onrust in z'n lijf. Garages was hij al lang geleden vervelend gaan vinden, en op een grijze dag in maart was hij ermee gestopt, had verkocht wat hij had en was op weg gegaan, achter de hippies aan met hun kralen en hun shit. De lange weg, die rond de wereld loopt. Hij was nog niet echt lang terug, uit de wereld. Haast per ongeluk was hij in een warmeluchtballon terechtgekomen. Voor hetzelfde geld, zei hij weleens, had het een zeilboot vol cocaïne kunnen zijn. Maar dan was hij allicht nooit op Marleen gebotst, want dat was bij een ballongebeuren geweest. Hij had haar gezien en het was... enfin, hij was naar haar toegelopen als een kind naar z'n moeder.
Sindsdien was hij gebleven en ogenschijnlijk was er niets aan de hand, al zei Marleen weleens dat ze soms, 's nachts als hij sliep, zijn onrust in haar eigen botten voelde knagen.
Maar deze nacht was hij het die op haar neer stond te grijnzen toen ze wakker schoot. De ongedurigheid was, dat voelde ze, niet weg misschien, maar opgeheven. Hij had een gestreepte pyjama aan en giechelde terwijl hij naast haar onder de deken schoof.
'Heb jij nog wat te lachen, zatte aap? Zijn de cafés gesloten?'
'Noem me maar aap zoveel je wil, maar je zou me beter feliciteren. Vanaf heden ben ik er een met een baan en een baas - of was dat gisteren? Een baas die met een Ferrari rijdt nog wel, en die mij vertrouwt omdat ik te stom ben om oneerlijk te zijn.'
'En zal hij je wat betalen ook?'
'Dat heb ik nog niet gevraagd.'
'Mm. Niet dan. Geeft niet, ik hou evengoed van je.'
* * * 'Band Aid,' zei Pompier. Pompier dronk cognac. Het was een donker café op een druilerige dag. De blonde juffrouw aan de tap had een vioolconcert van Bach opstaan dat Fred door z'n merg ging. Hij voelde het heimwee achter de deur, het heimwee naar de andere kant van de wereld, en dacht nog net dat hij daar maar niet te gauw aan toe moest geven.
'Wat?'
'Band Aid,' zei Pompier. 'Zoiets moet het worden. De naam. Iets dat aanslaat bij de jeugd. Dat niet in de slogans blijft steken.'
'De jeugd houdt toch van slogans? Band Aid? Is dat geen kleefpleister?'
'Nee, gek. Een enorm popconcert voor Afrika, met de grote droogte in de jaren tachtig was dat. In '84. Heeft de jeugd van half Europa gemobiliseerd, weet je niet meer? Mezelf evengoed, al was ik toen nog geld aan het vangen. Een popzanger had zich daarvoor gespannen. Enorm succes geweest, massieve hopen goud binnengeharkt.'
'Live Aid,' zei de blonde juffrouw. Ze zette hun verse glazen voor hen neer, vergiste zich niet met de cognac. 'Band Aid is een kleefpleister.'
'Live Aid, Band Aid,' zei Pompier geërgerd, 'weet je nog wel?'
Maar Fred wist het niet meer.
'Jawel, je weet het wèl. En trouwens, wat dat betreft...' Pompier keerde zich een kwartslag op zijn barkruk, naar de juffrouw.
'Bach speel je niet in kroegen,' zei hij, 'Bach moet thuis of in de kerk. In de kroeg moet Rolling Stones.'
'Kijk eens hier,' zei de juffrouw, 'ik had echt wel in de gaten dat jullie het niet over muziek hadden onder elkaar, maar over het binnenslepen van geld. Condomen verkopen in Afrika, wat mij betreft. Doen jullie daar nu maar braaf mee voort, dan zal ik wel naar de muziek luisteren.'
* * * 'Zeg.'
Het was een jonge chassidische jood die hem aansprak, één voet op een pedaal van zijn fiets, de andere op de grond, terwijl hij voor een rood licht stond te wachten. Hij zag er verschrikkelijk uit met zijn sproeten en rood haar op een melkbleke huid, de krullen die van zijn slapen hingen, zijn zwarte Poolse kleren van een eeuw geleden. Hij stond over zijn stuur gebogen alsof hij dadelijk in twee ging breken. Heel zijn lijkbleke verschijning wees erop dat hij al lang ziek en ondervoed was en dat hij het, van pure onhandigheid en onaangepastheid, niet lang meer zou trekken. Fred kende hem van ziens in de krantenwinkel en op straat, en wist dat hij razendsnel kon fietsen, voorovergebogen op zijn zwarte damesfiets, zijn krullen wapperend in de wind.
'Wat is er dan?'
'Ik heet Aaron. Ik heb u zondag met die gast gezien, bij de gazettenvent.'
'En wat is daarvan?'
'Ik heb gehoord waar die u voor nodig heeft.'
'Daar riep hij hard genoeg voor, ja.'
'Ik zal maar één ding zeggen. Weet je wel wat voor een vent dat is? Ik zou zeggen van wel want je leek niet al te scheutig, maar...'
Fred wou iets zeggen maar werd, met een handgebaar, teruggewezen.
'Weet ge wel hoe erg het is? Ge moogt met zulke mensen niet meedoen.'
'Waarom niet? Ook zondaars kunnen goed doen.'
'Dan weet ge 't niet. Nee. Dat is een doorslechte mens. Die vertelt van alles over Afrika, maar die heeft nergens respect voor. Niet voor de dood en zeker niet voor armoede, laat staan voor zwarten. Die wil daarvan profiteren. Ik zeg maar één ding: die wordt daarvoor gestraft. Die gaat zijn dood tegemoet zonder dat hij het ziet.'
'Ach...'
'Geloof mij maar. Ik ken u, ik weet dat ge me gehoord hebt. Salut.'
Hij fietste weg, Aaron. Fred keek hem na. Zo breekbaar en onhandig als hij eruitzag, aan zijn rug was te merken dat hij sterk en snel kon zijn. Het verkeerslicht sprong op groen, Fred stapte het asfalt op.
II 'Hoe gaan we naar Soedan?'
Ze zaten in het café aan een tafeltje, Fred had bleekgele landkaarten bij zich met kampen en wegen en hoogtelijnen erop. Ze waren het over hun bestemming eens geraakt op de tijd van drie pinten bier, en Chris had al gezegd dat hij dan maar op huis aan ging. Maar was nog blijven hangen, aan dat ene oog dat aan de barjuffrouw vastzat. En vroeg dan maar iets.
'Met Egypt Air vanuit Caïro naar Khartoum. Landrovers en materieel inklaren in Port Soedan, en dan rijden. Inklaren zal het moeilijkste zijn.'
'Bij de Moslimbroeders. Kunnen we niet uit het zuiden komen?'
'En door drie oorlogen heen rijden? Je mag 't van mij altijd proberen.'
Pompier zat ergens mee, was er zich al zeurend naartoe aan het wrikken.
'Jij bent daar al geweest. Je weet wat er te koop is.'
'Te koop? Bitter weinig.'
'Maken ze niks? Geen kunst? Ze moeten veel tijd hebben nu ze zich niet meer mogen bezatten?'
'Kunst?'
'Van die poppetjes uit draad bijvoorbeeld. Fietsen en driewielers en magere ventjes.'
'Auto's en vliegtuigjes uit sardineblik?'
'Ja, dat is het. Daar zou ik naar uit willen kijken.'
'Dat is Zaïrees, zitten we te hoog voor.'
'Toe. Ik ga er toch naar uitkijken.'
Hij deed maar wat hij niet laten kon. Maar even later keek Fred toch weer op van zijn kaarten. Vanwaar die plotse kunstzinnigheid?
'Waar heb je die poppetjes voor nodig?'
'Voor... niks. Ik zou er graag een hebben, is al.'
'Eén?'
'Wel, één zou ik hier ook wel kunnen kopen, schat ik. Bij de Derdewereldjongens.'
'Mm. Je bent een gat in de markt op het spoor.'
'Als er aanvoer zou zijn, misschien. Maar die is er niet. Het zou iets kunnen zijn, voor hen, dat ze hier konden verkopen. Kleintjes helpen ook.'
Fred kon het zich levendig voorstellen. Een klein fabriekje, een paar kunstarbeiders - zo zou Chris ze wel noemen - die poppetjes maakten aan de lopende band, Chris zou het ijzerdraad en de vrolijk gekleurde blikjes wel leveren. En daarna de verkoop en het tellen van het geld voor zijn rekening nemen. Geen nood dat er hier en daar al ontwikkelingsorganisaties met zulke projecten bezig waren: Afrika was groot genoeg voor iedereen. Mischien kon hij het fabriekje laten financieren door zijn Ontwikkelingsactie, zoals hij de operatie ook al noemde. Of door de Europese Commissie. Wat kon zoiets kosten? Werkte het niet, dan was er nog geen man overboord, voor Chris.
'We moeten maar zien of we er nergens tegenaan lopen.'
'Ik neem er speciaal geld voor mee.'
'Ja.'
Fred dacht even aan de gelovige Aaron, die een ultieme poging gedaan had om hem van deze man weg te houden. Hij had niet willen luisteren, en nu bleek het hoe langer hoe moeilijker om zich van hem los te maken. Als lijm: hoe harder het stonk, des te steviger leek hij vast te kleven.
Dat was een gedachte die hem niet aanstond maar die hij toch niet kon verjagen, en toen, even later, Pompier toch nog in het café bleef zitten, ging Fred maar weg. Het regende toen hij buitenkwam, maar zin om weer naar binnen te gaan had hij ook niet. Ze hadden lang in het café gezeten - Fred had het gevoel dat ze er, sinds die eerste zondagmiddag nu een maand of twee geleden, eigenlijk niet uit geweest waren - en in de winkels was de etalageverlichting al aan. Van tijd tot tijd vielen geïsoleerde, koude druppels water op zijn hoofd, die dan achter een oor langs in zijn nek rolden en hem deden rillen, en ook al had hij niet veel bier gedronken, hij voelde walg in zijn keel opkomen, en een begin van misselijkheid. Hij haastte zich naar huis, eer het erger werd.
Maar naarmate Fred dichter bij huis kwam, begon hij trager te lopen. Het regende al haast niet meer, en hij sloeg een zijstraat in, die naar het park voerde. Daar bleef hij schuilen onder een boom, met zicht op de parkvijver en de zwanen. Druppels tikten op kastanjeblaren. Drijvende vogels op het water. Een houten bank was nog droog en hij ging erop zitten, een lange magere merel op een tak. Waarom bleef hij aan die vogelvanger kleven? Was hij zi
* * * 'Wat je bedoelt, weet ik niet,' zei Marleen, 'maar wat ik je hoor zeggen, is dat het van je gezichtspunt afhangt of de wereld verbeterd kan worden. Of zelfs moét worden. Als je er maar hoog genoeg boven hangt, blijft het allemaal gelijk en treft jou geen schuld. En dat dus omdat merels niet aan politiek doen?'
'Dat is er, denk ik, een stuk van,' zei Fred.
'En dàt,' zei Marleen, 'is een immoreel en opportunistisch standpunt. Ik geloof niet dat jij zoiets meent. Ben jij een merel?'
'Misschien niet,' zei Fred, 'maar wat meen ik dan wèl? Ik geloof niet dat ik schuld heb, of dat jij, of zelfs dat Chris Pompier schuld heeft aan de hongerdood in Afrika. Ook als ik koffie drink, is dat niet het zweet van de uitgeperste plantage arbeider.'
'Niemand beweert dat jij persoonlijk de Derde Wereld leeghaalt.'
'En ik ook niet. Je verwijt een kraai ook niet dat ze aas vreet.'
'Maar...'
'Maar ook mijn onindividuele schuld bestaat niet. Er is geen collectieve schuld. Als Pompier, of één of andere oliemaatschappij, lijken wil gaan pikken, is dat hun zaak. Daar wens ik niet voor op te draaien. En toch is het niet Pompier met zijn ballonnetjes, en geeneens die oliemaatschappij, die de wereld de draai geeft, die ze genomen heeft.'
'Anders gezegd?'
'De schuld is niet individueel en niet collectief ook, maar ze is er wel.'
'Ik kan me voorstellen dat je dààr niet uitraakt.'
'Nee, maar zeker is ze er, en ze is zo groot... Ergens moet ze zichtbaar zijn, in een zo gecondenseerde vorm dat ze magnetisch en dodelijk wordt, als een put, een zwart gat.'
'Hù, dat is allang geen politiek meer! Dat is...'
'Religieus?'
'Puur kerkelijk.'
'Dat zou het best kunnen zijn. Misschien is dàt waar de zwarte vogels naartoe vliegen...'
'Lach er niet om. Want al treft jou dan geen schuld, zogenaamd, je zit toch met een slecht geweten. En in plaats van dan de toestanden aan te pakken ga je maar wat boete doen? Is dàt wat je naar Afrika trekt? Penitentie?'
'Kweetniet. Evenwicht?'
'Evenwicht!'
'Daarbij weet je niet hoe mooi het is.'
'Voor of na de oliemaatschappij?'
Hij kon er niet tegenop. Hij wilde er ook niet tegenop, maar in een stemming als deze belette ze hem de vluchtige ideeën vast te houden, die hem door het hoofd leken te gaan. Aan wèlk evenwicht had hij even gedacht? Voor haar harde blik vloeide het weg als zand uit zijn handen. Hij opende ze, keek naar zijn palmen, lachte.
'Waarom zijn mannen zo sentimenteel?' Marleen was nog lang niet tot vergeven bereid.
Maar wat hij daarvan dacht, kon hij haar écht niet vertellen.
* * * De Ferrari was er ook nog.
'Niet direct passagiersvriendelijk, de Ferrari.'
Ze hobbelden langs de Lange Leemstraat de stad uit om de bestelde ballon in ontvangst te nemen. De auto was te kort voor Fred, hij zat, geërgerd, met zijn knieën tegen het dashboard.
'Ach,' zei Chris, 'het ding is ook niet gemaakt om erin te rijden, moet je maar denken. Een rooie koersauto? Zeg maar dat ik in dat stadium ben blijven steken toen ik de brandweerauto ontgroeid was.'
'Rij je weleens tweehonderd vijftig kilometer per uur?'
'Ben je gek? Ik mag maar vijftig in de bebouwde kom, en ik kom nooit buiten de stad.'
'Lijkt me niet gemakkelijk om in te neuken ook.'
'Dat is heel waar. Daar moet je zeker nooit aan beginnen als je 't nog niet eerder gedaan hebt.'
Pompier, goedgemutst en een beetje gespannen, stelde zich veel voor van de nieuwe ballon. Met één hand losjes op het kleine stuurwiel hield hij de bolide op de weg, die allengs langs kassen en tuinen met witte nimfen en zwartgroene coniferen begon te leiden. Het open dak van de auto liet warme namiddagzon en een klein beetje zoele wind binnen, en het snelle spel van schaduw en licht als ze onder hoge bomen door reden - platanen, die de weerschijn ervan op hun dikke bast droegen, zodat ze zich in Frankrijk konden wanen, bij God en dicht bij de pastis.
et liep tegen vijven toen ze na wat zoeken en vragen op een wei achter een kerkje de leveranciers vonden, en Fred was al gauw te diep in de inspectie van het materieel verwikkeld om nog voor andere details tijd te hebben: dit zou, voorlopig, de grootste ballon van het eskader zijn, met in de mand plaats voor acht man. Die mand moest bekeken worden, de lijnen en kabels, de bevestiging van de flessen en de flessen zelf gekeurd, de grote branders en of die wel zo hanteerbaar waren als Fred wist dat het moest kunnen, en eer hij het wist, was hij druk aan het meehelpen met het opblazen van de ballon. Zodat het uiteindelijk anderen waren, toevallige voorbijgangers, een fietser en een hond, die de Ferrari in de berm hadden zien gloeien en waren blijven gapen op het werk in de wei, die samen met Pompier als eersten het voorrecht hadden zijn aanwinst in volle glorie te zien opengaan. Met een ruk en een sprong ging dat, in het groen van de wei en de vroege zomeravond tussen bladstille, traag vochtig wordende populieren: één ogenblik lang leek het gevaarte een reusachtige neergekwakte peer, dan stond het groot en bol in de lucht, diepblauw en rood weg en omhoog te willen, en konden zij in helgele letters van twee meter hoog en méér, de ware naam van het product lezen, dat daar aangedragen werd, breed, majestueus en plechtig als muziek van Händel: CHRIS POMPIER. Met daaronder, in kleinere letters als in mineur: voor Afrika.
Pompier had aanmerkingen over de afwerking van zijn boodschap, de fabrikant beloofde hem correcties binnen de kortste keren. Fred had veel te verifiëren en na te vragen. Zodat het al een tijd aan het schemeren was toen iedereen ingepakt had en ze weer weg konden. Van de Ferrari waren toen twee banden, niet doorgestoken zoals ze aanvankelijk dachten, maar gewoon ouderwets afgelaten. Door brave mensen dus, of brave kinderen, dacht Fred, terwijl Chris met zijn mobilofoon hulp stond te organiseren. 'Niet kniezen,' zei Pompier even later. Ze hadden een halfuurtje wachten voor de boeg, en Fred begon er allemaal de straf van God in te zien.
'Zie ons hier staan, beste vriend, als twee sloebers die net uit de sloot geklommen zijn, maar denk eraan dat we nog niets gedaan hebben dan geld uitgeven. Nu kunnen we beginnen, en kijk maar even naar wat ik doe met dit ballonnetje! Het moeilijkste is van niks een begin te maken, is dàt eenmaal gebeurd, laat dan de rest maar over aan Chris Pompier.'
* * * En het was waar. Een paar dagen later was de ballon maar goed en wel opgeleverd, of Chris had al een hele agenda met afspraken, toestemmingen, attracties, proefvluchten en luchtdopen. Hij gaf diploma's en getuigschriften weg, petjes en Tshirts, badges en stickers, hij schonk gekoelde champagne in speciaal meegebrachte glazen uit een schokvrij valiesje (waar iedereen de poen in zou vermoeden), hij verdriedubbelde de normale vluchtprijs per hoofd, zodat de verdubbelde luchtdoopprijs voor kinderen goedkoop ging lijken, hij zwaaide met zijn Rolex in brede, genereuze gebaren, en Fred begon in te zien, waar die Ferrari eigenlijk voor diende.
Eén keer weg uit de Lange Leemstraat kwam die ook beter tot zijn recht. In KnokkeleZoute tussen de Jaguars en de vintage Morgans begon zijn rode kleur pas echt diep te glanzen, en als Pompier er dan het nog natte, compacte strand mee opgereden kwam... Het was telkens weer een feestelijke, circusachtige gebeurtenis, waarin Chris zijn beste kanten demonstreerde. En Fred, die nooit van het circus gehouden had, van de aanstellerigheid en het lawaai en de verplichte vrolijkheid ervan, begon er op een zwijgzame manier van te genieten, nu hij er deel van uitmaakte: van de glamour, de euforie en het klatergoud - want zelf was hij de donkere, norse man van de komedie, de magere die ostentatief het werk deed terwijl zijn dikke compagnon in een microfoon stond te lullen, en eigenlijk beviel hem dat opperbest.
Op een avond, bij een biefstuk en een fles wijn, sprak hij het ook uit, van de Ferrari en het circus, het vrolijke gevoel dat de oppervlakkigheid en oogverblinding opwekten, al wist hij beter dan wie ook dat het allemaal maar warme lucht was. Pompier kreeg er zowaar vochtige ogen van en begon zelf ook, over zijn diepe gevoelens, zijn oude moeder en zijn betrokkenheid bij dit project en, bovendien, zijn instinctieve vertrouwen in Fred, zodat die zijn mond maar dichtdeed, en verder niet repte van het perspectief van de zwarte vogel, waar hij eigenlijk aan had zitten denken, maar dat hij toch niet zo goed kon lezen.
'Als je geen vast punt hebt, kàn je de wereld ook niet verplaatsen, Archimedes wist dat al.'
'Wablief?'
Daar had hij het dus toch gezegd.
'Archimedes van Syracuse.'
* * * Dat het daarbij, ondanks Pompiers betrokkenheid en zijn vochtige ogen, met de financiële kant van de onderneming nooit duidelijk werd, kon Fred niet echt verbazen. Eigenlijk vertrouwde hij Chris dàt wel toe. Het bijeenharken van geld. Pompier had hem haarfijn in vertrouwen uitgelegd hoe je een serieuze vis moest kunnen uitgooien om een haai binnen te halen. Of, in termen van geld, dat je maar kon oogsten naar wat je te grabbel gegooid had: reden waarom hij een goede campagneleider nooit in de buurt van een onooglijk auto tje zou zien. Dat dat een waarheid was, die hij padvinders en boekhouders maar niet in het hoofd gewrikt kreeg, omdat padvinders niet in middelen geloven maar alleen in goede wil, en boekhouders niet in goede wil, maar alleen in cijfers. Dat begreep Fred wel, al zou hij nooit weten hoe het te becijferen.
Maar het werk met de ballons, het opzetten van de expeditie, het lezen van kaarten, het kennen van het klimaat, warmte, droogte, heersende winden... Dat, en hoe langer hoe méér, was voor Fred. Pompier was de verkoper, de lijmer, de verzamelaar. Met de campagne die van de grond kwam en zich als een warmeluchtballon in al haar kleurenpracht ontplooide, met het geld dat binnen begon te stromen, werd ook Chris Pompier groter, sneller en overtuigender. De man die voor enkele weken nog schrok van de kosten voor een stuk of wat tweedehands Landrovers in de Soedan, werd merkbaar soepeler in het uitgeven van geld, en ook breeddenkender. Hij stal nog altijd kranten, aanstekers en pennen bij het leven, maar Fred had er al minder moeite mee hem voor zijn eigen eten te laten betalen. Dat was een goed teken voor de toekomst, zei hij tegen Marleen op een avond dat hij voor het eten thuis was, want al waren ze nog steeds de put aan het vullen, die door het opstarten van de campagne geslagen was, tegen dit tempo zat het erin dat ze algauw met positieve cijfers zouden gaan rekenen.
'Misschien,' zei Marleen, 'kan je ook al uitrekenen wanneer aan het bijeenschooien van jouw salaris voor de afgelopen maanden begonnen kan worden? En aan je eigen geld dat je erin gestoken hebt?'
Daar schrok Fred van, want dat was iets wat hij niet belangrijk had willen vinden. Was Marleen jaloers?
'Een ballon zo duur als die van vandaag,' zei hij voorzichtig, 'heb ik van heel m'n leven nog niet gezien.'
'Hoe dan?'
'Een nieuwe Pompier voor Afrika, maar écht groot deze keer, op de maat van Afrika. De Rolls Royce onder de ballons!'
En Marleen die met een groot mes soepgroente stond te snijden, en die dat mes als op een gegeven teken met een klap op haar snijplank neerlegde: 'Zoals jij je met ballons laat inpakken!'
En Fred, verrast, maar toch niet al te zeer: 'Zeg dan ineens wat je denkt.'
'Fredje toch, zie je dan zelf niet dat die man niet geïnteresseerd is in ballons? Als jij niet aan die ballons verhangen was geweest maar aan wat anders, dan was die campagne van jullie nu over iets anders gegaan! En als die dag Afrika niet in de krant had gestaan, dan waren het de walvissen geweest.'
'Je bedoelt dat...'
'Ik bedoel dat die schoolvriend van jou geen man zocht voor zijn plan, maar een plan voor zichzelf. En wel een plan dat hem een bron van inkomsten zou bieden, want die had hij dus niet. En dat de hele onderneming waar jij zo braaf mee bezig bent, met je ballons en al, er niet is voor Afrika maar voor Pompier. Afrika voor Pompier. Ha!'
Marleen lachte, op een manier die hij niet bij haar aard vond passen.
'Je denkt dat hij het geld in zijn zak steekt?'
'O, hij zal er wel wat van naar Afrika brengen.' Ze was alweer kalm. 'Dat hoort bij de productiekosten. Jouw salaris, de ballons, een schone reis naar Afrika, het geld... Maar waar het hem om te doen is, is zijn winstmarge. En als je denkt dat dat niét zo is...'
Ze aarzelde.
'Wat dan?'
'Waarom rijdt hij dan niet in een BMW of zo? Een Mercedes voor mijn part?'
Maar Fred - had hij Pompier niet bezig gezien met de Ferrari, en was dat geen vertoning geweest een kunstwerk gelijk? - Fred
* * * Toch bleef hij ermee doorgaan. Hij bekeek Chris Pompier nu met andere ogen - maar zo anders waren die ogen ook niet - maar zag daarin geen reden om af te haken. Eerder nog een vreemde opluchting, alsof nu de drang verdwenen was, bij hem, om Pompier tegen zichzelf te beschermen, en alsof die drang bestaan had, waar hij toch nooit wat van gemerkt had. Zodat hij nu vrij was. Vrij om de ballontocht, die hij toch al als van hèm beschouwde, naar zijn eigen doel en inzichten weg te zwenken van de koers, waarvan Chris Pompier meende dat hij ze bedacht had. Het verschil, dacht hij, zou niet met het blote oog merkbaar zijn. Het materieel was klaar, de piloot had geen lamme excuses meer nodig om te vliegen. Of hij nu véél of weinig naar Afrika zou brengen, dat maakte nu helemaal niets meer uit: wat hij ook bijhad, hij zou de regen niet brengen, en het continent niet veranderen. Een zwarte vogel maakt de lente niet. Wat telde, was naar Afrika te gaan. Maar hij zei hier niets van tegen Marleen, hoezeer hij ook gewild had dat ze dit zag.
Zodat hij haar, op een middag, meenam voor een tochtje, een uurtje testvliegen boven Antwerpen, waar hij naar neerkeek of het de laatste keer zou zijn. Het was zijn bedoeling geweest, ook al had Marleen al vaker in ballons meegevlogen, haar nog eens heel duidelijk te laten zien en voelen hoe het zou zijn, daarginds, en de bijna abstracte glorie die de échte reden was waarom hij dit deed. Maar toen ze weer de grond raakten, wist hij dat hij de hele tijd zichzelf had staan demonstreren, zichzelf en zijn geheim, met elk gebaar, met elk klopje op de mand, tot het aan een kind duidelijk moest zijn dat hij iets achter de hand hield.
Maar gewoon zeggen wat het was, dat kon hij niet.
Toch moest hij nu wel een aanwijzing geven, terwijl ze bij de ingepakte ballon - niet meer het hoge luchtschip dat zei: hier ben ik, wij gaan samen weg, maar een zware mand vol opgerolde nylon - naar de avond stonden te kijken, Marleen met een traan achter haar ogen, en daarom vertelde hij haar van Aaron, en de waarschuwing waar hij geen acht op had geslagen. En waarom hij dat dan nu vertelde, vroeg Marleen meteen.
'Eigenlijk zou hij gelijk moeten krijgen, als jij juist zit.'
'Want God zou moeten straffen?'
'Nee. Het is de misdaad zelf die zou moeten straffen. Hoe schandelijker de misdaad, hoe duidelijker de straf. Dat is, denk ik, een overtuiging die alle echte gelovigen gemeen hebben. Die weten immers dat God niet straft.'
Daar was Marleen even rustig mee.
'Nu had ik nooit gedacht dat jij in zoiets geloofde.'
'Nee.'
Hij praatte niet graag over zulke dingen.
'Maar ik weet wel hoe het werkt.'
Het werk was gedaan, en het werd nu snel donker. Er kwamen sterrencombinaties aan de hemel te staan, die hem Afrikaanse nachten in de geest brachten, zoveel zwarter, zoveel helderder.
'Het is het verwoeste paradijs,' zei hij zacht. 'Afrika dan. Daar is reden volop om woedend te worden, omdat er nog stukken van overblijven, zodat je kan zien hoe het geweest moet zijn. Woede, dat is wat ze gemeen hebben.'
'Hè?'
'De gelovigen. De chassidim en de moslimbroeders van deze wereld. De activisten en de militanten met het grote ideaal en de oogkleppen op. De helderzienden, die de oplossing kennen en die neerkijken op alle anderen, omdat zij hun leven voor de waarheid over hebben, en zeker dat van anderen, en omdat ze nu eenmaal meer gelijk in huis hebben. Daar valt meestal niet eens op af te dingen...'
'Waarom niet?'
De vraag klonk half ingehouden, bijna achteloos uit het donker.
'Ach.'
'Waarom niet?'
Tegelijk wou ze een antwoord horen.
'Omdat ze naar de wortel van het kwaad willen. Of omdat ze in rechtvaardigheid geloven, en ook in schuld. Ik heb daar weinig tegenin te brengen. Daarbij zijn ze niet af te kopen, met ballonnetjes of met papiergeld, met spiegeltjes en kralen, met compromissen die hun leven zullen redden. En alle anderen zijn dat wel, zijn redelijk, en wèl te koop. Daarom zijn ze zo kwaad, omdat het onbegonnen werk is, en ze er
III Vanuit het raam van zijn hotelkamer kon Fred de berg zien. Hij had nooit geweten dat er zulke bergen bestonden. Het zag eruit als een enorme platte kei, een vreemd, afgerond lichaam dat uit de ruimte naar beneden gedonderd was, en hier was blijven liggen. Of het kon een stenen walvis zijn die uit de diepten van stof en zand naar boven gekomen was om adem te halen, en die later, op zijn eigen ritme, weer onder zou duiken. Dat die berg ademhaalde, leek hem ver van uitgesloten.
'Voor alles is er een moment waarop je het voor het eerst kan zien,' zou hij later tegen Marleen zeggen. 'Als je 't tevoren voor ogen krijgt, kijk je erdoorheen, en je merkt het niet.'
Zo merkte hij nu voor het eerst de berg van Kassala. Zeker had hij al eerder zulke rotsen gezien, ook al waren die zo reusachtig niet, en zelfs ook déze steen, de vorige keer dat hij rond de wereld gedraaid was, maar hij had er nooit De Berg van Kassala in gezien. Een berg van schuld. Het zou niet eenvoudig zijn die te voldoen. Erachter was de zon aan het ondergaan, die de massa op een vredige manier rood kleurde. Misschien de mooiste zonsondergang uit zijn leven. Onderaan de steen, wist hij, zouden de mensen in het kamp dezelfde kleuren zien, voor hen was het moment allang gekomen, zij konden er niet meer naast kijken.
Het plan was dat ze voor de nacht in karavaan naar de rots zouden rijden, om de ballons uitgepakt en bij het eerste licht opgeblazen en vertrekkensklaar te hebben. Dan konden ze gebruik maken van de rustige, koude ochtendlucht om hun eskader in de lucht te jagen en boven de steen te ontplooien in het bijna even rode licht van de opkomende zon, de ballon van Pompier in het midden, het reddende geschenk uit Vlaanderen, enfin, van Pompier. Ondertussen moest de karavaan naar de vlakte achter het kamp rijden: als de wind, zoals Fred berekend had, in de juiste hoek zou zitten, konden ze daar vrij precies neerkomen. De ballons zouden zeker veel aandacht trekken bij de kampmensen, maar in ieder geval waren de lokale chefs in het project gehaald, die zouden met de Lands meerijden naar het centrale punt, dat toch nooit exact te voorspellen viel, om daar uit de handen van Pompier en de notabelen het Geschenk in ontvangst te nemen.
'En vergeet niet, beste vriend,' zoals Pompier zei, 'voor ons kan dat Geschenk niet veel voorstellen, voor hen betekent het het verschil tussen leven en dood.'
Fred twijfelde daaraan. In de manden zou niet veel zitten, buiten Pompier zelf, dat echt eetbaar was. Alleen maar papieren, cheques en beloften: zelfs als die uitzonderlijk gauw ingelost werden, zouden de ergste kampklanten dat niet meer meemaken. Aanvankelijk had Pompier het wel over een konvooi met voedsel gehad, dat zo goed als gelijktijdig aan zou komen, maar dat idee was gestikt in de praktische moeilijkheden, en de laatste tijd werd er niet meer over gesproken. De Lands waren ook omzeggens leeg. Wat ging Pompier aan die mensen vertellen? Hij dacht er liever niet meer over na. Wist Pompier zelf waar zijn eerlijk gemeende bullshit ophield, en waar hij de kluit begon te belazeren? Het bleven mysteries van de natuur, zoals de berg van schuld hier. Fred bleef er nog een tijd op zitten kijken, en ging dan slapen.
* * * Hij droomde van Kassala zoals hij er allereerst van had horen spreken, de plek waar de dood was. 's Avonds in verduisterde guerrillakampementen, veilige haltes en pleisterplaatsen had hij, buiten de lichtkring van wat kampeerlampen, de boodschap horen doorgeven, gefluisterd, gedempt, onder vier ogen en niet voor hém bestemd: niet naar Kassala gaan, tenzij je dood wil. Zesduizend kinderen waren in een week tijd gestorven in het kamp bij Kassala, waar sindsdien de geur van de dood rondhing. Uitgehongerde skeletten die door het stof voortstrompelden met niets dan een doek om hun lijf en kinderen met hongerbuikjes aan hun hand, die de lege dood van de honger en de oorlog in Eritrea ontvluchtten, begonnen gelijksoortige uitgemergelde spookverschijningen te kruisen die van de andere kant uit de trillende stofwolk tevoorschijn stapten, op de vlucht voor de zekere dood in het kamp van Kassala, zo dichtbij, zo lokkend, een paar kilometers over de grens. Dat met dat al een onmiskenbare, magnetische aantrekkingskracht gekregen had, als de ogen van de boa constrictor, en zijn slachtoffers net zo hard riep als het ze afstootte.
* * * Fred die wakker schoot, uit zijn bed kwam en weer uit het raam ging kijken, waar de berg zo goed als onzichtbaar geworden was in de pekzwarte, maanloze nacht, en zich alleen nog verried door de massieve, tastbare kwaliteit die hij aan het zwart gaf.
De droogte had in dit land niet alleen de planten maar ook de grond vernietigd, die, waar hij niet uit schoongewaaide rotsbodem bestond, was herschapen in een immense vlakte van stof, een onafzienbaar droog moeras van drijfzand, waar de voertuigen van de organisaties in wegzakten, en waar ook de vijand niet meer probeerde te komen. Die viel alleen nog aan vanuit de lucht, met Migs en dure brandbommen tegen hutten van leem en van stro, vergeten onder halfverdroogde acacia's, en liet verder het terrein aan de guerrilla over. Die in de onbeweeglijke, droge hitte van het dode land mannen op mehari's had uitgestuurd waar de Toyota's niet meer rijden konden, naar dàt dorp of naar een ander waar ze de noodsignalen van opgevangen hadden, om te kijken of er nog overlevenden waren in dit tempeest van zon en stof.
En dan kwamen ze terug met drie, vier levende lijken, of, als ze niets méér gevonden hadden, een uitgemergeld en stervend kind naar wie hij, Fred, met grote starende ogen kon zitten kijken terwijl zij het met suikerwater en verdunde pap aan het ademen trachtten te houden. Bon, we gaan allemaal dood, en dit was lang geleden gebeurd, aan de andere kant van de grens. De berg zweeg erover, hij kon er ook over zwijgen. Hij ging weer liggen.
* * * Later was hij natuurlijk toch naar Kassala gegaan, dat kamp gaan bekijken, die stad van hutten en tenten waar de dood vrij spel in had, volgens de verhalen die er in de brousse over de grens met de oorlog verteld werden. Het was een soort hallucinatie geweest. Omdat het zo groot was, want als kamp was het precies eender als andere kampen die hij in de buurt bezocht had. Omdat het zo groot was, zei de dokter die hem rondleidde, konden er ook zoveel doden ineens vallen, als de bevoorradingsketen van wat dan ook ergens onderbroken werd. Te veel mensen en te zeer verzwakt: een paar maand geleden waren er in enkele dagen bij de zesduizend doden gevallen aan mazelen, een besmettelijke en verschrikkelijke ziekte. Naar de kanten van het kamp toe werden, zoals meestal, de mazen van het net breder. De hutten kleiner, gemaakt steeds vaker van takken en boomblaren met schaduw als enige functie, de mensen magerder, zwakker, armer, allener. Een lange vrouw zat opgevouwen onder een drievoet van ruwe stokken, urenlang gehurkt in de schaduw van één enkel, maar groot, droog blad daarbovenop. De vliegen waren alom, de stank maar hier en daar: hier was zo weinig, ook rottigheid was er snel op en weggeteerd in het uitgepuurde, steriele stof. Alles verdween hier, ook mensen, als water in het zand.
* * * En nu was hij er weer. Zeker zou de toestand minder dramatisch zijn dan toen. De structuren stonden op poten, de hulpverleners hadden de tijd gehad om hun vak te leren. Il n'y a pas de sots métiers, zoals de andere zei. Maar toch was de droogte teruggekomen en het stof, en de hongersnood was weer groot genoeg om noodhulp in het geweer te roepen. Dat was voor Pompier de kans geweest, die hij aangegrepen had. Hoeveel waren er nog, zoals Chris Pompier? Die van gevoelens die ze niet hadden, een broodwinning hadden gemaakt en dachten dat de slachtoffers daar niets van merkten - of dat die hoe dan ook blij mochten zijn met alle hulp die ze konden krijgen? En hoeveel waren er nog zoals hij, Fred dan, die met hun bittere, spottende ogen het hele spel wel doorzagen maar die toch mee bleven rijden, zogenaamd omdat ze niet anders konden? Ze verdienden gestraft te worden, hoorde hij zich denken. Hun dood tegemoet te lopen zonder ze te zien.
* * * 'Waarom was je hier toen, die vorige keer?'
Vreemd genoeg was het de eerste keer dat Pompier het vroeg. Had te veel werk met zichzelf gehad om er eerder aan te denken.
'Da's een veel te lang verhaal.'
'Vertel het maar even, we hebben nog tijd.'
Dat klonk als een bevel en hij had zijn mond al open om te beginnen, maar deed hem weer dicht. Was hij al zo diep gezakt dat hij een meesterenknechtrelatie aan het kweken was met die gast? Was hij dat wel, Fred, die eigenhandig zijn Landrover vol medicijnen naar de Eritrese guerrilla had gereden en niet eens een spiegeltje en een handvol kralen als aandenken had gewild? Zat hij nu een patser naar zijn ogen te praten?
'Nee,' zei hij. 'Vertel zelf maar wat.'
'Met iemand als jij kan een mens ook niet werken,' zei Pompier. Toen brak de nacht, en algauw scheen er een lichtstreep door de barst aan de horizon. De werkdag was begonnen.
* * * Het was koud ineens, bij het opstaan, en dus moest hij bewegen, regelen, wijzen en orders geven, gedempt, hoe ze het nylon omhoog moesten houden, hoe ze zich niet moesten branden, ook al wisten ze dat allemaal wel, wie niet alles afwist van warmeluchtballons was niet hier, uitgenomen Pompier, maar lui en goedgemutst lieten ze zich doen, in de blauwe ochtendkou terwijl er nog sterren aan de hemel stonden, want ze voelden zich allemaal een beetje net als Fred nu, voor het altijd geheimzinnige stijgen onder de koepel, het altijd toch een beetje gevaarlijke, en dit keer voor de moeilijkste, de mooiste, de vlucht van hun leven. Fred bleef rondlopen tot alle ballons half bol opgeblazen lagen, dan ging hij naar de zijne. Enfin, die van Pompier.
* * * In de rode dageraad gingen ze omhoog. Onstuitbaar. Het loeien van de brander, het suizen van de wind in zijn oren accentueerde de wezenloze stilte van het laatste duister. Omdat het zo moest zijn, had Fred Pompier mee in zijn mand, maar voorlopig hield die zijn kop. Het was koud en ze stegen snel. De wind zat goed. Pompier, spektakelman, had gewild dat de vijf ballons bij zonsopgang van achter de berg naar de vlakte van het kamp zouden gezeild komen. Of dat toch in de ogen van de mensen in dat kamp. Fred keek achter zijn vlam aan, die uit de brander met zoveel geweld naar boven spoot, de ronde, met touwen bij elkaar gehouden hemel van zijn ballon in. Het waren geen touwen en zijn ballon was het niet maar, achter zijn vlam, gaf hij daar niet om. Het was zijn hemel wel, het holronde uitspansel van doek daarboven, de lichtblauwe koepel waar hij de vlam in joeg en die hem meetrok, naar de sterren.
Vanuit de nacht, hoog in de lucht boven de berg, zagen ze de zonsopgang komen. Het schitterende oranjerode segment dat ineens boven de woestenij uitstak, de grens van licht die over de vlakte snelde en de schaduw verjoeg, de bomen, ver weg, die zwart in het licht uitgesneden stonden, het ontwaken van Afrika, het doek dat opging voor een nieuwe voorstelling in het licht, geelachtig al, van de grote schijnwerper die langzaam, maar toch zo snel dat ze zijn voortgang met het oog konden volgen, omhoog werd getrokken in zijn baan.
Het is beter een verrekijker bij zich te hebben in een ballon die hoog gaat, en daar keek Fred door, speurend naar het kamp en de toegangswegen, naar ontvangstcomités en het altijd mogelijke onraad dat in de plooien kon schuilen. Hij kreeg al snel het kamp in het oog, waar mensen om water begonnen te lopen en potten klaarzetten om zoveel mogelijk werk gedaan te krijgen voor de grote hitte van de dag zou toeslaan, binnen een uur of drie, vier. Ze hadden nog wel wat tijd. Op zijn gemak tastte hij de randen van het kamp af, zag er voor het eerst de meetkundige structuur van, en genoot van de stilte, zo hoog, en van de frisse bries op zijn gezicht en zijn handen.
'Weet je nog, die draadpoppetjes?'
Pompier zat zich al even te vervelen.
'Waar je me naar gevraagd had?'
Fred antwoordde automatisch, bijna verstrooid.
'Je hebt er niet naar gezocht.'
Dat klonk al beschuldigend. Fred keek niet op van zijn verrekijker.
'Dit is islamgebied. Moslims maken geen poppetjes.'
'O, nee? Gisteren heb ik er een ontmoet, die ze voor me wil maken.'
'Een Soedanees? Anders, als je er genoeg van bestelt en je levert er een tekening bij, kan je ze volgens mij in Mechelen ook wel laten maken.'
'Praat jij nu maar niet over dingen waar je geen verstand van hebt. In Mechelen! Dat zou niet authentiek zijn, en daarbij zou het veel te veel kosten, per eenheid.'
'Je zou geen transportkosten hebben, en geen douane om moeten kopen.'
'Je hebt er écht geen verstand van. Weet jij wel hoeveel arbeid in België mij per uur zou kosten? En dan hebben ze nog maar net hun boterhammen opgegeten, na een uur.'
'Oké dan. Hoe zou je ervan afraken, van je authentieke poppetjes?'
'Gemakkelijk. Ik heb ze in Amsterdam zelfs al in de Bijenkorf gezien. Al die winkels voor eigentijdse woninginrichting, decoratie, binnenhuisarchitectuur en nepkunst, die zitten te schreeuwen om zulke dingetjes. Daar kan ik nog behoorlijk veel voor vragen ook. En bij het publiek groeit het bewustzijn voor Afrika, dat het niet altijd assegaaien en maskers moeten zijn.'
'En daarmee draait je andere business ook.' Fred klopte met zijn hand op de rand van de mand. Pompier lachte.
'Wat goed is voor Pompier, is goed voor Afrika!'
'Mm.'
Er was beweging in het kamp. Waren de naderende ballons al opgemerkt? Ze moesten, van beneden gezien, nog zo goed als onzichtbaar zijn, maar Fred wist hoeveel lawaai de branders maakten, ook als men hun vlam niet zag, en voor deze mensen zou dat een nieuw en waarschijnlijk onheilspellend geluid zijn.
'Daar beweegt wat.'
Fred keek rond. De ballons vlogen mooi in formatie, lan hongerbuikjes. En die brachten een grote kalmte over Fred, die dit als oplossing nog zo slecht niet vond omdat er een soort stille poëzie in zat, om het woord gerechtigheid maar wat te laten rusten. Dat dacht hij, terwijl hij automatisch een hand uitstak naar Chris, om de kijker aan te nemen, die Pompier nu niet meer nodig had.
'Ja,' zei hij. Op zijn gezicht stond verder niets te lezen. Geen opwinding, geen angst. Een beetje bang zal hij wel geweest zijn, voor de impact, want hij was geen held, maar tegen de flank van deze berg aan, zo klein, leek doodsangst hem, in deze situatie, een kinderachtige en egoïstische reflex, als huilen om de welverdiende straf die het nog moet krijgen, het kind, en voor hem mocht zijn verhaal dan wel zo aflopen.
Bijna liet hij het hendeltje van de brander wegglippen. En daardoor misschien zag hij, als wakker schietend, dat Pompier dingen uit zijn canvas tas aan het opdelven was: metalen stukken, onderdelen, laders. Dat was dan de andere optie. In een hoek van de mand hing in een lus zijn lange schroefsleutel, die hij altijd meenam om er dronkelappen mee van de mand te meppen. Hij reikte zijn hand, hij kon er net aan.
'Vind jij dit het moment, Fred, om je gereedschap te gaan afstellen?'
Pompier stond als bevroren naar beneden te staren, waar zijn ballon een grote ovalen schaduwvlek op de donkerrode aarde wierp, een zwart ovaal dat naar het westen gleed, en daarrond, niet erin, de gewapende menigte die daar bijeen was om hem te vermoorden en die meeliep, die de snel zakkende ballon te voet gemakkelijk bij kon houden.
'Die klootzakken willen ons te pakken nemen!'
'Daar ben je dus al achter,' zei Fred.
Hij hield de sleutel in zijn hand.
De ballon zakte naar boomhoogte, had nog twintig seconden te gaan voor hij de grond zou raken.
'Laat ons toch maar weer omhoog gaan. Stoken maar!'
'Daar is het nu rijkelijk laat voor,' zei Fred. Hij probeerde het toch, want Pompier was de baas, gaf een lange vuurstoot in het holle binnenste, maar de ballon reageerde niet. Achter hen, merkte hij opeens, volgde de rest van het eskader ook niet meer. Die waren al lang geleden omhoog gegaan. Hij bleef nog wat stoken, maar het haalde niets meer uit. Hij zag een acacia rakelings voorbijglijden, draaide zich naar het gebeuren om, zette zich schrap voor de bons.
De ballon sleurde hen nog enkele meters hobbelend voort en bleef dan mooi recht staan met z'n mand nauwelijks de grond rakend. Rondom sloten boze mannen met stokken en kapmessen de cirkel. Fred zag geen geweren, en vroeg zich nog af waar die naartoe waren. Stilte viel om de ballon, die rond stond te trillen in de lucht. Achter hen opende de kring zich om een Landrover door te laten.
'Kom er maar uit!' riep iemand uit de Land, in 't Engels. 'Jullie kunnen het verder wel voor bekeken houden!'
Het kon zijn, dacht Fred, en het kon niet zijn. Hij was er heel zijn poëzie en gerechtigheid bij vergeten, en hoe dan ook, voor één keer nam Chris Pompier de beslissing. Die had een klein Uzimachinepistool in elkaar geknutseld, en klikte daar nu een lader in.
'Vooruit!' riep hij, terwijl hij opsprong. 'We pakken die Land, en we zijn naar de stad. Voor dit dingetje zullen ze wèl respect hebben!'
Hij klom op de rand van de mand en gaf een salvo, als in de film, over de hoofden heen.
'Hé! Niet eruitspringen!' riep Fred nog.
Maar hij was al weg. Zodat de ballon ineens negentig kilo lichter was en met een schok omhoog schoot, vijf meter per seconde, en strategische hoogte won terwijl de boze mannen beneden afgeleid waren door Pompier en zijn Uzi. Fred stookte als wou hij ermee naar de maan. Vaag hoorde hij van beneden het pistool nog wat knallen, maar toen hij wou kijken, was die andere daar, een magere vent met lang grijs krulhaar en een warrige baard, die met een groot kapmes aan boord geklauterd was en hoog op de rand van de mand balanceerde, breed grijnzend met één hand aan een kabel, de andere geestdriftig zwaaiend met zijn mes. Fred kantelde in een reflex ee
* * *
© Sus van Elzen