Fidji

Peter Terrin

De hemel was egaal grijs. Emiel kon geen wolken onderscheiden. Zo zwart als een betrokken hemel bij nachte is, zo grijs was hij nu. Hij leunde uit het gekantelde dakraam van zijn zelf ingerichte hobbykamer. Hij draaide zijn hoofd langzaam van de linkse horizon naar de rechtse, in een boog over de lege weilanden en kale akkers. Hij wist bijna zeker dat het vanavond ging sneeuwen.
Hij volgde nog meer dan een halfuur de contacten die een sterk Iers station, EI8H, Echo India eight Henry, op de tienmeterband legde met verschillende radioamateurs van eilanden in de Pacific Ocean. Dat was tamelijk vreemd, want in de late namiddag was voor Westeuropeanen de propagatie in die richting van de wereld meestal onbestaande. Dit was het tijdstip waarop aan de andere kant van de aardbol Texaanse boeren hun eerste werk in het donker hadden verricht, en met de opkomende zon en een uit de kluiten gewassen ontbijt achter de kiezen, hun zenders en versterkers aanschakelden en probeerden om die kleine Europese landjes in hun logboek te krijgen. Emiel keek aandachtig naar zijn azimutale wereldkaart en gaf de rotor onder de zelf geconstrueerde richtantenne met zes horizontale elementen - die op een twintig meter hoge piloon naast het huis was gemonteerd - het commando om naar het noordnoordoosten te draaien, Pacific Ocean. Het nu veel zwakkere signaal van Robin was het enige dat binnenkwam. Hij draaide door over de noordpool naar het westnoordwesten. Hij luisterde naar de diepe stem van Robin maar onderbrak hem niet om even goedendag te zeggen.

In de keuken vulde hij twee kookpotten met water en plaatste de grootste op het gasfornuis, dat hij met een lange lucifer ontstak. Hij legde een zestal aardappels op de watersteen en vouwde een krant open, begon te schillen en spoelde de aardappels één voor één onder de lopende kraan en deponeerde ze in een vergiet. Daarna deed hij alvast een klont boter in de pan en controleerde of de braadworst ontdooid was. Hij zette de braadpan op een van de kleine pitten, maar hij stak het vuur nog niet aan.
Emiel wachtte bij het fornuis op de eerste luchtbelletjes in het water. Af en toe keek hij uit het raam. Het donkerde. In het huis van Cyriel Verstaen, zijn naaste buurman, meer dan honderd meter verderop, werd het licht ontstoken.
Het was de kroonluchter in de voorkamer. Als hij zijn ogen een beetje dichtkneep en door zijn wimpers keek, kon hij de zes fonkelende kaarslampen onderscheiden... Bijna drie jaar terug, op de tweede dag van zijn prepensioen, had hij dat toevallig ontdekt. Daar in de duistere achterkeuken. Het had hem om de een of andere reden bij de keel gegrepen. Alsof hem tot op dat ogenblik nooit iets duidelijk was geweest. Zes onnozele kaarslampen. Hij had staan wenen aan het gasfor­nuis.
Toen hij de helft van de kookpot in de gele wasteil had gegoten en wat koud water had toegevoegd, haalde hij een vers washandje en een badhanddoek uit de kast. Hij sloeg de handdoek over zijn schouder en liet het washandje en het stuk Sunlight zeep, dat in een bakje naast de kraan lag, in het water glijden. Hij liep met de wasteil naar de living en zette die op tafel.
'Het gaat sneeuwen vannacht,' zei zijn vrouw.
Emiel knipte het licht aan.
De eau de cologne was uitgewerkt.
'Heb je dorst?' vroeg hij.
'Nee. Ja, maar ik kan nog wel wachten.'
Hij duwde de rolstoel naar haar bed in de hoek van de living. Hij trok in één haal de sprei, de deken en het laken naar het voeteinde. Midden op de lichtblauwe matrashoes lag het rechthoekige stuk lijnwaad met aan weerszijden een laag bruine caoutchouc. Daarop een zachte, propere dweil. Emiel draaide zich om. Op dat moment van de dag keek zijn vrouw naar haar lamme handen.
Hij maakte de leren riem om haar schouders los. Hij drukte haar met een hand tegen de rugleuning, terwijl hij met de andere het nachthemd losknoopte. Hij legde haar hoofd tegen zijn buik, hief haar een beetje op, rukte het nachthemd onder haar achterwerk vandaan en trok het over haar hoofd. Hij drukte haar weer tegen de rugleun eruit. Daarna veegde hij het schuim weg.
'Fidji,' zei hij, terwijl hij haar afdroogde.
Toen hij haar tenslotte op haar rug draaide, glimlachte ze door haar tranen. 'Menslief', zei ze, 'wat een mooie naam.'

Emiel had haar borst met eau de cologne ingewreven, haar haar geborsteld en haar nachthemd en luier en sokken ververst. Hij had zijn vrouw terug in de rolstoel gezet en vastgegespt.
Hij zat naast haar met een bord dampend eten op zijn schoot. Hij probeerde op elke hap die hij haar toediende wat vlees, groente en aardappel te schikken. Hij sneed haar vlees nooit vooraf, maakte nooit een prakje van haar eten. Hij sneed haar vlees voor haar neus, net alsof ze het zelf zou doen. Wanneer zij kauwde, bediende hij zichzelf. Ze aten tegelijk. Hij dronk tafelbier en zij limonade.
Later die avond keken ze zwijgend naar de televisie. Maar niet één programma boeide hem. Om halftien werd hij ongedurig.
'Ga maar naar de zolder,' zei zijn vrouw. 'Ik ben toch moe, leg me op bed.'
Hij kuste haar op het voorhoofd en maakte de riem los.
'Denk er es over na,' zei ze. 'Meer vraag ik niet.'
Het bed lag nog open. Hij telde af en zoog zijn longen vol. Op een dag zou zijn rug het begeven. Hij mocht er niet aan denken.
Hij hield haar overeind en klopte met een hand het hoofdkussen op. Toen hij haar strak instopte, zei ze: 'Cyriel zou het appreciëren.'
'Godverdomme!' brulde hij.
Ze sloeg haar knipperende ogen neer.
Emiel stond naast haar bed, zijn armen langs zijn lichaam.

Zodra hij zijn ogen opende, zag hij het. Het was de manier waarop het ochtendlicht de slaapkamer bescheen. De ganse slaapkamer, plafond incluis. Niet verblindend, gewoon helder. Helder en gelijkmatig. En ruisloos.
Zijn vrouw gaf aan dat hij haar niet hoefde te verversen. Hij waste haar aangezicht, borstelde haar haar en wreef haar borst in met eau de cologne.
Ze dronken beiden koffie met suiker. Hij at een boterham met jonge kaas, zij een met rabarberconfituur. Ze keken uit het raam. De aanblik van het winterse tafereel maakte de warme living gezellig.
'Trek vandaag maar je gummilaarzen en je Noorse sokken aan.'
Emiel knikte. Hij popelde om zijn gebruikelijke ochtendwandeling te maken, maar hij kauwde langzaam. Na het ontbijt luisterde zijn vrouw naar de radio en bladerde hij vluchtig in de krant.
Van top tot teen ingepakt ging Emiel het huis uit; alleen zijn longen schrokken even van de plots ijzige buitenlucht. Hij wandelde in het midden van het kronkelende straatje. De sneeuw plakte niet goed, daarvoor was het vannacht waarschijnlijk te koud geweest, het poeder knerpte onder zijn voeten en gaf elke bedachtzame stap de nodige houvast. Tot aan de veldweg die rechts afsloeg, volgde hij het spoor van de fiets van de postbode, twee speels strengelende draden. De man had drie keer zijn voeten moeten zetten.
De veldweg sneed dwars door het land van Vanoverschelde. Links op een afstand lag het ondergesneeuwde erf. Het woonhuis vormde het korte stokje van een oude L­vormige boerderij. Daarachter twee nieuwe, naast elkaar gelegen varkensstallen - eigenhandig opgetrokken uit rode baksteen - met aan elk hoofd een grijze voedersilo.
Op een dag toen hij nog zijn wandelingen een uur vroeger maakte, had Emiel boerin Vanoverschelde met een wasemende kruiwagen mest uit de oude koeiestal zien komen. Ze droeg zwarte rubberlaarzen en een bleke jeansbroek. Uit haar opgerolde hemdsmouwen staken vlezige voorarmen. Ze posteerde zich in het verlengde van de twee evenwijdige betonnen muurtjes en reed in looppas een eind de mesthoop op en kantelde toen de kruiwagen voorover.
Voorbij het dennenbosje aan het einde van de veldweg klom hij over de prikkeldraad. De sneeuw had de oneffen ondergrond goeddeels uitgevlakt; hij was dubbel op zijn hoede. Op de rand van een zinken badkuip zat een koppel kauwen hem aan te kijken. De vogels hadden geen zin om op te vliegen. Emiel wandelde door tot aan de knotwilgen en sprong voorzichtig over de bevroren beek. Daarna doorkruiste hij de immense akker die op het einde paalde dat een station uit Sri Lanka hem over de transmissies van Emiel heen aanriep.

Sri Lanka was een begeerd land onder radioamateurs.
'Why don't you have a go, Emiel?'
'I think he wants you more.'
'Hang on.'
Robin vroeg de man of hij België al had gewerkt. Intussen draaide Emiel de antenne in de juiste richting. Heel zwakjes hoorde hij hoe opgewonden de man raakte bij het horen van de ON4­prefix.
'He's all yours,' zei Robin.
'This is ON4ATR, Oscar November four Alfa Tango Radio, ON4ATR, Ocean Nancy four Alfa Tango Radio. Do you copy?
...
'Do you copy?' vroeg Robin.
'Yes, Echo India eight Henry, I copy you. Over.'
'Try again, Emiel.'
'Never mind, Robin. It is no use. He is very weak himself, anyway... I don't know what's the matter lately. Hardly anything comes through, and I'm not getting anywhere either. Maybe something is wrong with my set­up. I don't know.'
'Are you all right, pal? You sound a bit under the weather.'
Emiel schraapte zijn keel. 'I'm fine,' zei hij. 'I'm okay.'
'It's just a spell of bad luck. You know how it is on ten.'
Het bleef even stil.
'Jesus Christ,' zei Robin. 'Did you hear that?'
'No. Nothing.'
'The Pacific Isles are blasting in now. I worked a couple of them yesterday, but they're a hell of a lot stronger today.'
'Look, you go ahead, Robin. I will stand by.'
'Are you sure?'
'I'm sure I'm sure. Don't worry about it.'
'Okay, Emiel, but feel free to break in as soon as you pick something up, right? 'I'll talk to you later, yeah?'
Emiel draaide de volumeknop om. Hij schoof zijn stoel dichter bij de straalkachel. Hij kruiste zijn armen en sloeg zijn gestrekte benen bij de enkels over elkaar.
Hij keek naar de ontvanger. De lichtgroene digits die de frequentie aangaven, de onrustige naald telkens als Robin het woord nam. Daarboven hing de azimutale wereldkaart, met in het centrum de noordpool.


© Peter Terrin