|
Arabische nachten
In het sappige oranje van de woestijn wordt het slikken versterkt en ziet de wind er korzelig uit. Nur-ad-Din vindt zijn slavinnetje niet en werpt zich voor een toevallige leeuw in de buurt. De arme jongen smeekt om met huid en haar opgegeten te worden, maar houdt er geen rekening mee dat een been kan volstaan voor de leeuw. Die is van de oude stempel, vindt het kinderachtig, gromt, keert zich om en wandelt naar Mekka, waar God juist hierom vrouwen sluiert.
|
|