Vliegen doorstak je met een naald,
zo kon je ze gemakkelijk plukken
als trage appels uit de lucht. Mieren
plakte je aan je eerste sigaret en pieren
vermenigvuldigde je met een twijgje:
jij was leerling-tovenaar.
Toen nam je grootvader je mee
naar het nog oudere fort van B.
Hij las er plechtig In een brief
aan mijn lief schreef'k met stront
da'k gesneefd was aan 't front
uit eigen laatromantisch werk.
Dat vond je mooi als een vlinder
en jou vond je lelijk als een rups.