Zolang mijn ogen tranen kunnen plengen
Van spijt om ons geluk dat is vergaan,
Zolang mijn stem haar snikken kan weerstaan
En in haar zuchten woorden uit kan brengen,
Zolang mijn hand de snaren nog kan strengen
Der zoete Luit, die jou bezingen gaan,
Zolang mijn geest met jou slechts wil volstaan
Zonder zich met een ander nog te mengen,
Begeer ik nog altijd niet dood te gaan,
Maar als ik ooit mijn ogen droog zie staan,
Mijn stem hoor breken en mijn hand voel beven,
En als mijn geest op aarde niet vermag
Eén enkel liefdesteken nog te geven,
Bid ik de Dood: maak zwart mijn klaarste dag.