12

Luit, deelgenoot van mijn rampzaligheid,
Onwraakbare getuige van mijn smachten,
Trouw boeker van mijn treurige gedachten,
Je hebt zo vaak samen met mij geschreid,

En zo ontstemde jou mijn snik van spijt
Dat als ik opgewekte klank verwachtte,
Je die opeens veranderde in klachten
En vol geluid verkeerde tot gekrijt.

Als ik van jou iets anders wil verkrijgen,
Ontspant je snaar en dwingt me zo te zwijgen,
Maar als je mij aandoenlijk smachten ziet

En luistert naar mijn zo droefgeestig klagen,
Dan moet ik blij mijn treurig lot verdragen
En hopen een zoet eind van zoet verdriet.


© vertaling Paul Claes