Diana nam diep in een bospartij,
Waarin ze tal van wilde dieren velde,
Rust met de Nimfen die haar vergezelden.
Ik liep zoals zo vaak in dromerij
Verzonken, toen opeens van heel nabij
Een stem me riep: Hoe komt het toch, ontstelde
Nimf, dat je niet weer naar Diana snelde?
En toen ze boog noch koker zag bij mij:
Wie ben jij, gezellin, tegengekomen
Die jou je boog en pijlen heeft ontnomen?
Ik plaagde, zei ik haar, een wandelaar,
Op wie ik tevergeefs mijn pijlen richtte
En toen mijn boog. Hij nam ze bij elkaar
En wondde keer op keer me met die schichten.