Melopee voor een meeloper


Paul Claes




Er is een tijd geweest dat ik erg gecharmeerd was van de gedichten van Paul Valéry. Toen ik zijn symbolistisch voorbeeld, Stéphane Mallarmé, ontdekte, was die betovering voorbij. Ook de Nieuwe gedichten van Martinus Nijhoff bewonderde ik, totdat ik bemerkte hoeveel beter de Neue Gedichte wel zijn en hoe schaamteloos de Nederlandse interbellum-auteurs, van Slauerhoff tot Simon Vestdijk, Rilke plagiëren. Ooit vond ik Paul van Ostaijen een hoogst origineel dichter. Maar die illusie vervloog, toen ik constateerde hoe schatplichtig hij is aan Franse modernisten en Duitse expressionisten. Van Ostaijen mag dan in de Vlaamse literatuur als een pionier beschouwd worden, in internationaal perspectief is hij een epigoon. Een gedicht als 'Boerecharleston' (1927) lijkt zo sterk op 'Hornpipe' (1922) en 'Country Dance' (1923) van Edith Sitwell omdat beide dichters putten uit dezelfde modernistische traditie. Het citeren en monteren van de actualiteit is een van de procédés van het modernisme. De vraag is of Van Ostaijens kunst die 'zich met de tijd gelijkwaardig (sic) dynamies beweegt', wel zo visionair is als zijn bewonderaars vinden. Het meest verouderd bij Van Ostaijen zijn immers die passages waarin hij het heeft over de allermodernste fenomenen in de grootstad van zijn tijd: de stomme film, de zeppelin en de grammofoonplaat van schellak. Zijn Bezette stad is vandaag onleesbaarder dan een antiek epos, omdat de contemporaine zinspelingen voor ons onnaspeurbaarder geworden zijn dan mythologische allusies. Alleen via de drie deeltjes 'zakelijke toelichtingen' van de amateur Robert Snoeck (niet in de handel) is er nog iets van te achterhalen. Daartegenover zijn de werken van Franz Kafka, die in een droomachtige ruimte en tijd gesitueerd zijn, na zoveel jaren nog perfect navoelbaar. Van Ostaijen moet dit zelf hebben ingezien, toen hij zijn 'multimediale' typografische experimenten liet varen voor de absolute lyriek van zijn laatste gedichten. Maar zelfs in Het eerste boek van Schmoll bleef hij de onverbeterlijke plagiator. Laat ik dat aantonen voor zijn bekendste gedicht. De themaregel van 'Melopee' is: 'Onder de maan schuift de lange rivier'. Als we Van Ostaijens voorkeuren kennen, duurt het niet lang voor we het model van dit vers ontdekken. Apollinaires beroemdste regel luidt: 'Sous le pont Mirabeau coule la Seine.' De ontlening blijkt duidelijk bij het tellen van de lettergrepen: in beide gevallen gaat het om een decasyllabe. Het veelgeprezen weglaten van het vraagteken aan het eind van het gedicht is eveneens een Apollinairiaans procédé: bijv. 'Comment voulez-vous que j'oublie' (Alcools). Het beeldmateriaal van het gedicht (maan, rivier, boot) is kennelijk ontleend aan de Chinese poëzie, die met zulke taferelen ontelbare keren de vergankelijkheid van het bestaan illustreert. Ook in dit opzicht is Van Ostaijen weer hoogst modieus. Door de Duitse vertalingen van Hans Bethge en Klabund was de Chinese lyriek in die jaren bijzonder populair geworden. In een kritische recensie van A.W. Grauls, die via het Duits bewerkingen uit het Chinees vervaardigde in zijn Oosterse lyriek (1925), toont Van Ostaijen aan hoe vertrouwd hij met die matière is. Zijn eigen kompaan, Gaston Burssens, had overigens in De Yadefluit (1919) al soortgelijke bewerkingen gemaakt. Ook het 'hoogriet' (bamboe) verraadt dat hier een oosters tafereel bedoeld is, al denken sommigen wellicht aan een Scheldelandschap. Duits expres- sionistisch zijn in elk geval de adjectivale samenstellingen 'hoogriet' en 'laagwei' (vgl. Hochland - Flachland). Het woord 'kano' klinkt vreemd in deze context. Wat komt dat Indiaanse vaartuig hier doen? De oplossing voor de anomalie is dat Paul van Ostaijen net als de meeste van zijn Vlaamse tijdgenoten in het Frans dacht. De 'kano' is dus eigenlijk een 'canot', een roeibootje. Rest alleen de titel 'Melopee'. Er schijnt nog niemand opgemerkt te hebben dat die ontleend is aan de Franse pionier van het vers- libre, Gustave Kahn. Die schreef in het tijdschrift La Vogue (1886) niet minder dan vier 'Melopées' in de vrije ritmische verzen die Van Ostaijen hier nabootst. Toeval of niet, de dichter onthult de naam van de geplagieerde in de klank en de betekenis van het woord 'kano'. Kahn betekent in het Duits immers roeiboot.



© Paul Claes