J.M.H. Berckmans


De menagerie van de schamele drie




Ik schreeuw ma nee ik schreeuw pa ik ben nabij de armoegrens nee ik schreeuw pa ik ben de pijngrens nabij.
Pa loeit tot de boterbloem bloeit.
Ik zeg pa zijt gij een beest.
Pa zegt ik ben de veest van de heilige geest;
Pa zegt een scheet is een planeet hij wordt door God geschapen en door de mens gelaten of nee een scheet is een telegram uit het station van Darmstadt om te zeggen dat er een wagon stront op komst is.
Ma zegt ge zijt een vetzak, ge zijt altijd een vetzak geweest en ge zult altijd een vetzak zijn.
Plots vallen mijn allerlaatste drie tanden uit mijn bakkes. Hoe nu te vreten.
Met van de ogen gevallen schellen.

Ma wat vreten we vandaag.
Vandaag vreten we gebakken drol.
Pa wat zuipen we vandaag.
Vandaag zuipen we gepasteurizeerde hondezeik.
Geketend aan de keukenstoel verteer ik zwijgend het pinkstermenu zonder protest, zonder grimas, zonder walg.

Zelfs al kon ik vluchten uit het stikhok, steeds zou ik tot het stikhok moeten weerkeren.
En zelfs al kon ik het stikhok verlaten,niets zou ik zien dan grijnzende maskers van vrienden van vroeger.

Elke dag en elke nacht hoor ik hen schreeuwen, zie ik de angst hun gelaatstrekken vermorzelen.
Pa en ma hebben helemaal geen nagel om hun gat te krabben.

In het zwarst van mijn ziel houd ik voor pa en ma een dodenwake.
Omdat ze nooit nog tot leven zullen kunnen worden gewekt, nooit nog zullen kunnen terugkeren tot het naakte bestaan, eeuwig opgesloten zullen blijven in hun bitterste vergeetputten.
Maar somtijds, als ik diep in hun ogen kijk, zweer ik dat ik hun ziel kan zien en bid voor hen tot weet niet wie, weet niet wat, weet niet, niet meer.

Ik zeg pa ga daar zitten zodat ik een spijker door uw krop sla.
De krop in uw kankerkeel. De aangekoekte krop verdriet. Het beslag op uw schreeuw. De moka op de roomsoes van uw definitieve verpijning.
Ik zeg ma, ma zeg ik, schuimbekkend van wrok bijt ik de misbakken nageboorte uit uw etterende schoot en knip de harige streng.
En weet pas nu hoe gij vanonderen geschoren zijt zoals ik zelf geschoren ben vanboven.

Al drie uur lang zit ik hier op het schijthuis te bidden tot de alwijze, voor de hond z'n kloten weliswaar.
Ma heeft hoge pis en pa heeft grote kak.
Op den duur komt pa op de deur van het schijthuis kloppen en vloekt wat zit gij daar godverdzju al de hele dag te doen.
Ik zeg pa ik bid voor uw zielheil en het zielheil van ma.
Pa zegt kunt ge godverdzju niet voor ons zielheil bidden in de keuken of in de eetplaats.
Luttel zijn mijn woorden, lutteler nog dan de alwijze machtig is.

Ik schreeuw nee brul ma kent gij mijn naam nog.
Ma zegt ja van mijn zoveel kinderen zijt gij snottebel.
Ik brul nee tier pa weet gij wie ik ben.
Pa zegt ja gij zijt Hanneke Lekkertand.
Dan en dus zeg ik ma gij zijt de trezebees gij zijt de kakkewiet.
Pa zegt kent ge de mop van de kakkewiet.
Ik zeg nee pa ik ken de mop van de kakkewiet niet.
Ik zeg ma hoe laat is het en ma zegt kwart voor mijn drol kus mijn hol.
Ik kus het hol van ma en moet net niet kokhalzen.
Pas nu, al likkend, begrijp ik de mop van de kakkewiet.

Komt een einde aan deze pijn.
Wanneer komt een einde aan deze pijn hier.
Nog kind was ik toen ik het vroeg aan pa en ma.
Ze wisten het niet. Al wat ze wisten was dat ik pas een gratis replay zou krijgen bij tweehonderdvijfenveertig miljoen. En ik ben nog maar aan 41.
Nooit nog zal ik zingen, ook geen zelfgeschreven rondo.

Ma gij hebt mij gekregen maar ik heb u nooit bezeten.
Pa gij hebt mij verlaten maar ik ben nooit van u weggegaan.
Omdat ik u niet kon krijgen ma.
Omdat ik u niet in de steek wou laten pa.
Nu bespeelt uw kind al jankend de luchtgitaar en zingt z'n strottenhoofd aan
flarden groen als groene inkt, kikkerdril, stront van spruiten.

Maak mij Heer oh maak mij Heer meer dan ik ben.
Maar bespaar mij Heer de Hakker.