J.M.H. Berckmans


De menagerie van de schamele drie



Als hij danst in de maat van Bonie Moronie doet ma het ballet op beide afgehakte handen. Zoals toen pa ma die dag ten huwelijk vroeg in die donkere soldatenkroeg en ma tegen pa zei dat het goed was.

Goden zullen goden zijn.
Koppen zullen rollen.
Ma zegt wat zit ge daar weer allemaal in uw eigen te zeveren.
Pa zegt zit nu eens alle twee stil, 't is penalty.
Ma zegt eerst had ik u nog Willy willen noemen naar Willy van Jos van Marie-Louise van Margriet Mommens van Wies Van der Zeypen. Maar er waren al zo veel Willy's in het Kamp.

Ik laat mijn fakkel zien aan pa en ma en scheur in hun aanschijn mijn voorhuid uit elkaar.
Ma zegt wat gaat ge met die vodden nu weer aanvangen.
Pa zegt ge zult dat moeten laten naaien.
Ma zegt ik zal dat zelf wel naaien, kom hier gij, kom hier, kom hier,dat ik uw voorhuid fiks.
Dan duwt ma de naald in m'n eikel.
Pa loeit tot de pisbloem bloeit.

Toen ik definitief in duigen viel bleek ik niet uit zand te bestaan.
Ik bleek te bestaan uit rotte keutels.
Ma zei ge ligt daar weer ferm te stinken.
Pa loeide tot in het diepst van z'n verbittering nu zelfs de dahlia bloeide.

Onderschat niet wat gij voor mij betekent, zeg ik tegen pa, we hebben de zon zien zakken in de zee en de zee zien zakken in de zon.

Slechts een enkele bil, slechts een halve kont heft pa en loeit tot in de potten van ma plots hevig bloeien de gerania.

Pa zegt dat was wel knap.
Ik zeg wat pa zeg mij wat er knap was.
Pa zegt hoe de hanen kraaiden van kot tot kot toen ik nog een kind was in het Kamp.
Ik zeg pa nu zijt ge een oude pee.
Pa zegt ja de hanen kraaien nu niet meer. Nu jankt alleen nog de moederkoek.
Ik zeg pa.
Pa zegt wat.
Ik zeg niks pa niks.
Pa zegt geef mij eens vuur.
Ik zeg pa m'n aansteker is leeg.
Pa zegt maar uw sigaret brandt nog.
We poepen vuur en vlam, pa en ik, lichtbakens in de poolnacht.

Ik zeg ma ik reken op uw hevige hart als de knekelman komt op z'n ronde.
Ma zegt ik reken op uw mededogen in het uur van mijn diepste smart.
Pa loeit tot de hortensia bloeit. In de stonde van z'n zonde, in het uur van z'n ijselijkste verdriet.

Ma gaat dood. Ik weet. Gij weet ook.
Pa gaat dood. Ik weet. Gij weet het even goed.
Ik weet dat ik zelf onsterfelijk ben vanwege de kosmos aan mineuren en majeuren en sollen kruis die ik kronisch het heelal heb ingehuild, in huil, inhuilen zal.

Ik zeg ma ik zeg pa wat moet ik van ullie gedenken als de vetzakkerij van de dood mij zal hebben bevlekt.
Dat het gemakkelijker gezegd dan gedaan was misschien om ullie te beminnen.