|
J.M.H. Berckmans
De menagerie van de schamele drie
Soms denk ik weh iz mir en doemen de zwartgeblakerde zes miljoen weer op. Bijna moet dan kotsen, kotsebie, kotseboe, kotseblablabla. Dan kots ik bijna op de tafel in de woonkamer en vloeken ma en pa maak dat ge op het schijthuis zijt. Dan ga ik kotsen op het schijthuis. De sjas is niet meer dat, zegt pa, er blijven drollen drijven in het water. Het vruchtwater, denk ik, en denk onverrichterzake (ongevonden tederheid) aan de bejankte hysterectomie van het Kieken Kokodee. En mijn gedachten gaan terug naar den tijd. Maar niet voor lang, niet voor lang.
Ma zeg ik nee schreeuw ik hoe hebt gij mij in u kunnen dragen en mij daarna onmiddellijk voorgoed verstoten. Ik zeg nee brul hoe hebt gij dat ooit kunnen doen. Hoe hebt gij mij het allereerste ogenblik kunnen verdoemen tot het dragen van mijn doornenkroon, ondersteboven, achterstevoren, binnenstebuiten. Het was niet moeilijk, zegt mijn ma, het was gemakkelijk, gij waart alleen maar een soort misbakken bruine nageboorte. Pa loeit tot de azalea bloeit in het diepst van z'n geheimenis.
|
|