|
Vital Baeken
Een geschrift over de oorsprong van de levitatie
Ik wandel in mijn jeansbroek (in bijkans al mijn verhalen die ik opschrijf, komen jeansbroeken voor), onze nauwe, met ijzeren latten betimmerde trappen af. Het regent en het waait een beetje, maar omdat De Nieuwe Linde zo dichtbij is, valt het uiteindelijk natuurlijk mee. Ik kom nog voorbij Den Hilaire die hier woont en ik stap al naar binnen in het café. Er zitten drie mensen. Twee zitten er aan de ingang en de derde zit er wat meer vanachteren, aan een tafeltje met een koffie. Die aan het tafeltje zit, ken ik trouwens; een Hollander. Hoe gaat het? wil hij het te weten komen. Vrolijk, zeg ik hem zoals een antwoord. Ik voeg daar wat later het volgende aan toe: maar ondanks het feit dat ik dus opwinding uitdraag, ben ik toch ook heel beheerst. Heel rustig zelfs. Het is nog maar voormiddag... Ik bestel een koffie en ga op een kruk zitten. Aan Ginette geef ik mijn paar muziekjes die ik heb meegebracht, en wat later loop ik terug naar huis.
4. Op die manier, zoals ik het hierboven zo goed mogelijk heb beschreven, zit mijn hele dagschema in mekaar. Iedere dag hetzelfde: ik sta op, ik hang wat rond, ik kijk wat naar de mensen en ik ga weer naar het Dromenland. Om mij te kunnen omkeren over de warme, gloeiende matras tegen mijn reusachtige Ginette. En de mensen die ik ben tegengekomen vandaag, of die ik in de gaten heb gehouden vanop een zekere afstand, of met wie ik misschien zelfs kort, in het voorbijgaan, een babbeltje heb geslagen, waren allemaal, juist zoals in eendere dagen, en juist zoals altijd, druk, gespannen, overspannen bijkans, in de weer met iets. Het zal nooit anders met ze worden ook niet. Zoals insekten lopen ze voorbij, zoals wriemelende insekten over de andere toch rustgevende, bijkans landelijk aandoende kasseien van de pleintjes die hier liggen, en over de bijkans even brede, krijtachtig bijgelichte straten hier op het Zuid. Hoe gaat het? vragen ze. Met mij? is het antwoord. Met mij gaat alles goed, zeggen ze. Met mij eigenlijk ook, ik ben, zeggen ze, onderweg naar Den Alain. Maar als ge wilt moogt ge mee, ik ga met de Volvo. Maar ik wil liever nog wat in het ronde wandelen. Misschien, zeggen ze, kom ik straks nog wel en neem ik een paar vrienden mee? Als dat mag tenminste... Ik wil eerst nog naar het wassalon. En naar Den Harold die in het Quadrivium tegenover het Museum zit. Hopelijk tot straks dan! Tot straks! Ze nemen afscheid van mekaar door nog eens te wuiven. Daarna vervolgen ze, moeizame, kromme insekten gelijk, hun weg... Wanneer ik erover nadenk: een soort van een kevers, waarschijnlijk, zoals ik die soms, toen ik nog een kind was, tegenkwam op een zomeravond, met zwarte, perfekt georganiseerde vleugeltjes en met kruipende pootjes en met kromme, zware, geharnaste ruggen tussen het gras en tussen de zandkorrels.
5. De nacht nadat ik geleviteerd had, - (maar ik verwerp het woord: de levitatie!) -, kwamen Ginette haar Moeder en Vader naar hier. Haar Vader was in een breed, kamgaren kostuum (terwijl hij anders, normaal, een overall draagt),en Lea in een paarse, over haar ceintuur vallende blouse, met grote, kasjmir motieven. Wat Ginette aanhad, weet ik niet meer omdat ik het vergeten ben. Het was 31 augustus. Allez, zei Ginette haar Vader. Hij was uitgestapt om mij een hand te komen geven. Dat was de eerste keer dat wij mekaar zo een echte, indringende hand gaven. Verzorgt ze goed, zei Lea, terwijl Ginette haar nog een omhelzing gaf en haar Vader, ineens, begon te snotteren heel efkens, en dat werd het einde: ze reden weg terwijl ze nog claxoneerden. We stonden voor onze voordeur. Hoe hebt ge geslapen? wilde Ginette het van mij weten. Goed, zei ik. 's Morgens reden er wel, vanaf heel vroeg al, camions voorbij. Maar voor de rest was het rustig, ik denk dat we eindelijk een rustig, rustgevend appartement hebben gevonden. Ik legde het aan haar uit wat voor een rare, ontzettende droom ik had gehad. Maar zeker geen nachtmerrie! zei ik erbij. En ik vertelde haar nog meer over 's morgens, over de mist
|
|