Vlaams Fonds

Home > 101 >Samuel Vriezen

Samuel Vriezen

Onaf gepraatte tekst

Ik schrijf dit stuk in de nasleep van de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de overwinning van Barack Hussein Obama, een spektakel dat mij zoals velen heeft meegesleept, en dat ik vooral via internet volgde. Niet alleen kon ik over de vele bizarre wendingen en schandalen op de linkse polemische nieuwsblog Salon lezen, ik zag ook hoe op de netwerksite Facebook steeds meer van mijn 'friends' ('friends' waarvan ik er velen nog nooit ontmoet heb, die soms niet meer zijn dan vage collega's) als tweede naam Hussein gingen voeren. Of ik wilde of niet, ik werd deel van de Amerikaanse verkiezingen. Toen Obama won was het ook mijn overwinning. Het kost me moeite in gedachten te houden dat niet Obama maar Balkenende leider is van mijn land.


Het internet schijnt een fundamentele rol te hebben gespeeld bij de organisatie van Obama's campagne als een grass roots-beweging. Zijn achtergrond ligt in het 'community organizing' - een specifiek Amerikaanse vorm van sociaal activisme - en internet biedt daarin buitengewone mogelijkheden. Zoals Joan Walsh, hoofdredacteur van Salon het in een redactioneel stuk schreef: "The Obama campaign blurred the lines of organizing and media; it activated a new network of people not only giving their credit card numbers but starting blogs; talking back in the comments on anti-Obama stories, wherever they are; evangelizing on Facebook."[1] Twee aspecten wil ik hier uitlichten: ten eerste, dat door op internet mee te doen aan de Obama-beweging je in één geste kunt publiceren en een netwerk kunt opbouwen (de grenzen tussen de media en het organiseren vervagen), en ten tweede dat het publiceren een informeel karakter kan hebben - 'talking back'. In plaats van de vereniging die enerzijds activiteiten ontplooit, anderzijds een tijdschrift uitgeeft dat een ondersteunende functie heeft, verschijnt hier het beeld van een activistisch netwerk zonder centraal orgaan, maar dat is opgetrokken uit - en in belangrijke mate handelt middels - gelinkte informele teksten. Typerend voor dat informele is ook hoe Walsh het citaat hierboven vervolgt: "(But can you all change your names back to your real ones now, without Hussein? I'm looking at you, Dwayne)."


Dichter, criticus en blogger Ron Silliman heeft zich ook op zijn weblog ingezet voor Obama, en over de laatste fase van de campagne geconcludeerd: "Unquestionably the get-out-the-vote effort was the greatest single act of community organizing in this nation’s history." [2] Als je het bij Silliman leest, heeft het woord 'community' (ik zal het verder in de tekst over 'gemeenschap' hebben) een bijzondere lading. Dit omdat hij in zijn kritische opvattingen altijd sterk nadruk legt op de historiciteit van de poëzie, en haar geworteldheid in gemeenschappen van dichters. Een van de consistente verwijten die hij in zijn polemische onderscheid tussen een "Post-Avant"-poëzie en een "School of Quietude"-poëzie (Silliman's termen voor respectievelijk de vernieuwende en de behoudende, op oude Britse voorbeelden geschoeide poëtische tradities in de Verenigde Staten) maakt aan die laatste richting is haar schijnbaar onhistorische karakter: de School of Quietude presenteert ons een kwaliteitspoëzie die als manna uit de hemel lijkt te vallen, en die haar kwaliteit erop baseert dat ze zo treffend lijkt op ons beeld van tijdloze grote poëzie. Ze is niet geworteld in een historische omgeving en neemt geen deel aan een levendige uitwisseling tussen dichters. Zulke uitwisseling vindt wel plaats in de netwerken die je bij de vele vormen van Post-Avant poëzie kunt aantreffen. Model hiervoor staat natuurlijk Sillimans eigen ervaring als één van de centrale dichters van de Language beweging (afdeling San Francisco), die in het pre-internet-tijdperk in de eerste plaats opereerde als een netwerk van kleine gestencilde tijdschriften, waarin zowel primair werk werd geplaatst als discussie werd gevoerd. Hier bouwden dichters hun eigen gemeenschap en, in dezelfde beweging, hun eigen traditie en hun eigen geschiedenis.


Het internet heeft de mogelijkheden voor het vormen van zulke poëzie-gemeenschappen drastisch vergroot, en het is niet toevallig dat in Language / Post-Avant-kringen al vroeg een levendig gebruik van het internet te zien is, zoals de University of Buffalo POETICS Listserv die door Charles Bernstein werd opgericht in 1993. [3] Ron Silliman zelf heeft zijn bekendheid enorm zien toenemen als gevolg van zijn zeer actieve en vaak scherpe weblog, Silliman's Blog. Het interessante daaraan is dat een discussie, die in de tijd van de kleine tijdschriftjes in kleine kring werd gevoerd, nu makkelijk een groot publiek bereik kan krijgen. De informele uitwisselingen waarmee de poëtische gemeenschap zichzelf opbouwt, worden direct gearchiveerd en wereldwijd publiek toegankelijk gemaakt. Zoals bij Obama's campagne de grenzen tussen community organizing en media vervaagden, zo vervagen hier de grenzen tussen informeel contact en publiek handelen, tussen het opbouwen en het boekstaven van een historische omgeving, tussen praten en schrijven.


Een effect van internet op de cultuur in het algemeen, en de poëzie in het bijzonder, is dus dat het militante, al dan niet marginale tendensen een grotere speelruimte verschaft. Maar wat is het effect van internet op de poëzie zelf? Belangrijke effecten zijn natuurlijk te zoeken in nieuwe genres, die het nieuwe medium mogelijk zou maken. Zulke nieuwe genres zijn erg interessant, maar ik wil me hier beperken tot het effect van internet op de ouderwetse geschreven tekst (een 'gedicht', bijvoorbeeld). Ik geloof dat het belangrijkste effect van internet op de schriftcultuur minder te zoeken is in allerhande multimediale mogelijkheden, maar in dat vervagen van het verschil tussen praten en schrijven, informeel en formeel, of ook: afgerond en onaf.


Twee uiterst belangrijke vormelementen van het internet zijn de hyperlink en de reactie. Hyperlinks hebben het vermogen om alle op internet gepubliceerde teksten onder te brengen in een dicht netwerk van verwijzingen. Ze organiseren het internet volgens het poëtische principe van de associatie. [4] Reacties op weblogs en fora maken dat elke tekst kan worden uitgebreid met nieuwe tekst: de mogelijkheid van het reageren maakt dat elke tekst onaf wordt. Elke tekst was altijd al vatbaar voor commentaar, maar in blogs is dat verschijnsel nog veel pregnanter: onder meer omdat op de meeste blogs reacties verschijnen direct onder de oorspronkelijke tekst, op dezelfde pagina. Reageerders op blogs zijn co-auteurs van een lange tekst, waar ze telkens onderaan nieuwe tekst aan vastknopen. Als zo'n discussie lang genoeg doorgaat, kan het directe verband met de eerste tekst zelfs verloren gaan. [5] Bij de reeks Gedichten van de Week, verschenen in de loop van 2007 op De Contrabas, was duidelijk te zien wat zoiets met een tekst doet. Gedichten worden vaak direct voorzien van interpretaties of leesstrategieën, en die worden onmiddelijk als addendum opgenomen in de oorspronkelijke tekst. Een af gedicht kan zo onaf worden gediscussierd. [6]


Beide technieken zijn instrumenten die maken dat elk schrijven het begin kan worden van gemeenschap, dat publiceren community organizing wordt. Je schrijft iets, en het wordt opgenomen in een web van links, dan wel in een stroom van reacties: een gemeenschap van andere teksten kan zich rondom je tekst gaan vormen en zich direct aan je tekst gaan hechten, op een manier die bij poëzie in een boek veel minder makkelijk mogelijk is. De afstand tussen schrijver en lezer wordt minimaal, en vaak schrijven de lezers zelfs door aan jouw tekst. Die mogelijkheid tot het vormen van effectieve gemeenschappen heeft dus een prijs: het gaat ten koste van de afstand die een tekst kan hebben tot de lezer, van de ruimte om een tekst heen. Zulke afstand kan belangrijk zijn: hij maakt dat een tekst kan gaan werken als een obstakel, een ding waar je niet mee kunt onderhandelen, waar je een confrontatie mee aan moet gaan die productief zou kunnen zijn, een steen des aanstoots voor de productie van nieuwe betekenis: terwijl de mogelijkheid van het 'terugpraten' tegen een tekst, de mogelijkheid een tekst direct van interpretatie te voorzien, die tekst dreigt in te kapselen in een sociale omgeving - de gemeenschap van de lezers.


Een ander, maar verwant effect is dat met die gemeenschap (van min-of-meer gelijkgestemden) iets heel anders wordt opgebouwd dan een publieke ruimte - en dat tast de mogelijkheid van internet om als middel voor interventies op te treden aan. Onder publieke ruimte versta ik iets als een ideale agora: een plek buiten, buiten de gemeenschappen waar de samenleving uit bestaat, waar iedereen - of ze nou gelijkgestemd zijn of niet - elkaar treft. De plek waar je winkelt, maar ook waar je tegen dingen kunt oplopen waar je niet naar op zoek was: tegen een demonstratie, tegen iemand die je in het geheel niet kent, tegen het onverwachte. Buiten is waar mensen en gemeenschappen zich kunnen manifesteren. Waar dus ook fricties kunnen plaatsvinden, die nieuw denken afdwingen. Publieke ruimte stel ik dus tegenover gemeenschap. In het geval van poëzie kun je dan denken aan het verschil tussen een gedicht op een poster of in een algemene krant, en datzelfde gedicht op een weblog dat alleen de gemeenschap die in dat specifieke blog geïnteresseerd is, leest.


Zulke publieke ruimte is natuurlijk nooit ideaal, nooit helemaal zo neutraal als zou moeten. Hij is altijd al georganiseerd volgens stelsels van identiteiten en herkenbaarheden, en die grondstructuur van de publieke ruimte heeft de macht om aan elk verschijnsel dat zich kan voordoen zo'n identiteit toe te kennen. Daarom is het mogelijk dat een echt spannende kunst (of politiek, of denken...) kan worden ervaren als werkend op het niveau van die structuur van die publieke ruimte zelf. Dan werkt zulke kunst als interventie. Dat kan bijvoorbeeld op een negatieve manier: een kunstwerk onttrekt zich aan bekende bepalingen, het 'doet niet mee' - en kan door die weigering als een provocatie worden ervaren. Of juist door direct die publieke ruimte zelf als materiaal te nemen, de publieke ruimte zo grondig te verkennen dat zijn eigen tegenspraken zichtbaar worden. Dat is wat bijvoorbeeld de language-dichter Bruce Andrews (op wiens poëticale ideeën ik in deze alinea leun) lijkt te proberen met zijn extreme meerstemmige poëzie. [7] Of te denken valt aan zekere projecten van de beeldend kunstenaar Jonas Staal, die middels ingrepen in de publieke ruimte (zoals het plaatsen van rouwmonumenten voor de anti-islamitische rechtse populist Geert Wilders), in de media en zelfs in de rechtzaal aan de structuur van die publieke ruimte probeert te raken. Een ander prachtig voorbeeld van een kunstwerk dat de publieke ruimte als zodanig als materiaal neemt, is de performance Reality Soundtrack van de Sloveense componist Tao Vrhovec Sambolec, waarin hij een gemeenschap van mensen met ghettoblasters door een stad laat lopen - op die ghettoblasters is muziek te horen die zeer lokaal wordt uitgezonden, en die vooral uit betekenisloos, maar niet onaangenaam, electronisch geluid bestaat. Die gemeenschap vormt zich rondom wat hij een "semantische stilte" noemt - ze draagt geen herkenbare boodschap uit - maar manifesteert zich maximaal, en vermengt zich met de realiteit van de publieke ruimte - en laat daarbij, in de zeer uiteenlopende (en soms extreme) reacties van de mensen op straat, een verborgen structuur van die publieke ruimte aan het licht komen.


Biedt internet, dat meer in gemeenschappen denkt dan in publieke ruimte, misschien toch vergelijkbare interventie-mogelijkheden? Ik durf het nog niet te zeggen. De poëzie van de Flarf-dichters (die vaak werken met collages van google zoekresultaten) lijkt een voortzetting te zijn van het ultra-meerstemmige project van Bruce Andrews, maar, zoals ik heb betoogd in mijn artikel in Frame [8]: Flarf heeft de neiging om meer te werken met links, met verbanden, dan met dissociaties en botsingen - waardoor een effect bereikt wordt dat ik corruptie van het tekst-oppervlak heb genoemd (in tegenstelling tot disruptie). Een zeer recente conceptuele grap van Stephen McLaughlin en Jim Carpenter wijst mogelijk in een andere richting. Ze verzamelden anderhalf duizend namen van (voornamelijk levende) dichters - veelal dichters die actief zijn in de Engelstalige poëziegemeenschap op internet - en een even grote hoeveelheid computergegenereerde gedichten, en bracht deze verzamelingen samen in een "tijdschrift" met "nieuw werk" van al die dichters. [9] Niet iedereen kon er om lachen. Ron Silliman, die uiteraard in de lijst voorkwam, in het bijzonder niet: hij postte er op vijf oktober van dit jaar een nogal bitse blog over [10], waardoor een lawine van reacties op het project op tal van poëzieblogs op gang kwam - die lawine werd met name zo groot omdat Silliman de complete namenlijst van McLaughlin in zijn post had opgenomen, waarna vrijwel alle (nog levende) dichters op die lijst meteen door een Google Alert op het voorkomen van hun naam in de discussie werden gewezen. Deze ene post van Silliman leverde een ongeprecedenteerd aantal reacties op zijn blog op (waarvan de meesten zich vrolijk maakten over Silliman's gebrek aan humor in dezen). McLaughlin was er zo, met hulp van een woedende Silliman en Google Alerts, in geslaagd om de poëzie-gemeenschap zelf als materiaal te nemen.


Maar misschien is het zo dat de links en de reacties van internet op een andere manier spanningen kunnen produceren dan de interventies in de publieke ruimte. Netwerken kunnen bijvoorbeeld overlappen. Op de randen van netwerken komen onbeslisbare, instabiele elementen voor. In de nieuwsgroepen van Usenet bestaat het verschijnsel van de cross-post: een discussie wordt in de ene nieuwsgroep begonnen, maar op een gegeven moment worden er andere groepen aan de discussie toegevoegd, waardoor onverwacht verschillende discussie-gemeenschappen met elkaar worden geconfronteerd. In het algemeen kunnen discussies flink meanderen, op drift raken, en daardoor op onverwachte plekken uitkomen. Het ideale internet-gedicht is dan misschien wel een gedicht dat, op een of andere manier, zijn eigen mogelijke reacties bij voorbaat accepteert en anticipeert als oncontroleerbare extensies van zichzelf - een gedicht dat deels wil bestaan uit zijn reacties. Een gedicht bijvoorbeeld waarvan elke regel begint met de woorden "Naar mijn mening" [11].


Verschijnselen van drift en overloop zijn mogelijk omdat de gemeenschaps-netwerken van internet nooit helemaal strak gedefinieerd zijn. Internet-publicatie leent zich niet het beste voor het produceren van de Buitens van de afstand of van de ideale publieke ruimte, maar, in de woorden van Erik Spinoy: 'Er is / een buiten buiten / en / een buiten binnenin.' [12]
De netwerken hebben geen kern: vaak op zijn best hebben ze een thema, dat in zichzelf de paradoxen en onbeslisbaarheden bevat, die tot drift en overloop kunnen leiden. Om terug te gaan naar de Amerikaanse verkiezingen: wat is eigenlijk het motiverende thema van Obama's campagne? Change, Yes we can, terugtrekking van de troepen uit Irak, de middenklasse - maar uiteindelijk was het in hoge mate Obama's persoon. Maar die persoon bevatte onbeslisbaarheden: meest opvallend, natuurlijk, zijn gemengde raciale afkomst. Daarbij was hij niet zozeer tegelijk zwart en wit - niet bezig om twee bestaande identiteits-doelgroepen tegelijk te behagen: hij is eerder noch zwart, noch wit, iemand voor wie de hele rassentegenstelling niet meer bestaat. McCain probeerde mensen bang te krijgen voor het onbekende in deze figuur ("Kennen we de echte Obama?") , daarbij ook verwijzend naar zijn islamitische tweede naam - en prompt ging half Facebook zichzelf Hussein noemen. Het netwerk identificeerde zich juist met deze moslimnaam van een niet-moslim kandidaat. Met een onbeslisbaar woord.

[1] http://www.salon.com/opinion/walsh/election_2008/2008/11/06/obama_honeymoon/

De campagne van Obama deed de grenzen tussen community organizing en media vervagen; ze bracht een nieuw netwerk van mensen in stelling die niet alleen maar hun credit card nummers hebben afgegeven, maar weblogs hebben opgestart; die hebben teruggepraat in de reactie-secties onder tegen Obama gerichte verhalen, waar die ook voorkwamen; die de boodschap hebben verspreid op Facebook. (Maar kunnen jullie nu allemaal je naam weer terugveranderen naar je echte naam, zonder Hussein? Ik bedoel ook jou, Dwayne).

[2] http://ronsilliman.blogspot.com/2008/11/one-great-irony-last-night-was-that.html

Zonder twijfel was de actie om mensen op het laatste moment tot stemmen te brengen de allergrootste daad van community organizing uit de geschiedenis van dit land.

[3] Zie hierover ook The Secret History of the Equal Sign van Barrett Watten, in zijn boek The Constructivist Moment: from Material Text to Cultural Poetics,Wesleyan University Press, 2003.Hierin gaat Watten in op multi-auteurschap (dus, 'community'-schrijven), waarbij hij een lijn traceert van de kleine tijdschriften van de vroege Language-beweging tot de POETICS Listserv.

[4] Over de poëtica van netwerk en hyperlink schreef ik eerder in mijn bespreking van de bloemlezing Bay Poetics, History 2.0, in: yang 2007 nr. 1; en ook in Totale Verbinding - Flarf en de mogelijkheid van disruptie in een futloze wereld, in Frame 2008 nr. 1. Beide teksten staan, in overeenstemming met mijn strenge vormbewustzijn, online, te vinden vanaf mijn website: http://www.xs4all.nl/~sqv.

[5] Je kunt misschien zeggen dat zoals de associatie de poëtische logica van de hyperlink is, het cadavre exquis de poëtische logica van de comment box geeft.


[6] Zeer interessant vond ik de beslissing van Gerrit Komrij om op zijn weblog Lucifer in het Hooi geen reacties toe te staan. Het lijkt me dat het ding waar hij goed in is zulke reacties ook niet verdraagt. Zijn faam als polemist berust op een grote beheersing van een zeer specifieke vorm, waarbij die afstand veruit het belangrijkste element is: zijn toon van absolute verhevenheid, van ironische superioriteit, van waaruit hij alles en iedereen kan aanvallen zonder zelf iets te hoeven verdedigen. Hij kan meesterlijk sneren, maar moet niet gevraagd worden waar hij dan zelf precies voor staat. Daarom mag hij ook als auteur sowieso niet bereikbaar zijn voor de lezer. In de praktijk leidde dit tot een curieuze symbiose met het weblog van De Contrabas. Telkens als Komrij allerlei wilde uitspraken postte, postte De Contrabas een link naar Komrij's blog, waarop de Gemeenschap zichzelf op afstand, op het reactie-gedeelte van De Contrabas mocht gaan organiseren (met reacties als "Als ie boos is is ie boos. Heerlijk" - LTerHeide, 3-2-08 om 21:53)

[7] SV: Now what I’m curious about is that, since you write this way, I read your work and I see that it suggests this infinity of voices, some are hideous and some are funny and some are left-wing, some are right-wing, some are apolitical, all sorts of sexual orientations, etc.

BA: Well that’s language-centered. You see language is that collective voice, it is that multiplicity of voices and not just me, the sensitive person.

(SV: Maar wat me nieuwsgierig maakt is dat, zoals je schrijft, ik je werk kan lezen en zien dat je een oneindige hoeveelheid stemmen weet op te roepen, sommige afgrijselijk en sommige grappig en sommige links, sommige rechts, sommige apolitiek, allerlei sexuele orientaties, ga zo maar door.

BA: Tja, dat is taal-gericht. Kijk, taal is precies die collectieve stem, is die meervoudigheid van stemmen en niet alleen mijzelf, de gevoelige persoon.)

(Bruce Andrews in gesprek met Samuel Vriezen: ook te vinden op mijn website)

Zie ook Andrews' essaybundel,Paradise and Method: poetics & praxis, Northwestern University Press, 1996.

[8] Zie noot 4.

[9] Issue 1, onder redactie van Stephen McLaughlin en Jim Carpenter. Zie http://www.forgodot.com/2008/10/issue-1-release-announcement.html

[10] http://ronsilliman.blogspot.com/2008/10/one-advantage-of-e-books-is-that-you.html

[11] Flarf-dichter Jeroen van Rooij schreef met Zeg eens: wat in je mond ligt een dichtbundel die iets soortgelijks doet. Veel van de gedichten in de bundel zijn samengesteld uit reacties op gedichten op www.dichttalent.nl - waarbij uiteraard diezelfde gedichten weer werden gepost op dezelfde site, en de reacties op die gedichten ook weer gebruikt werden voor andere gedichten,
enzovoort. Zie: http://jeroen.damarkus.nl/?p=42

[12] Erik Spinoy, Boze Wolven (Meulenhoff, 2002), p. 10.


© Samuel Vriezen


inhoudsopgave nr. 101


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com