Internet wordt in ons taalgebied nog niet erkend als een natuurlijke omgeving voor het uitoefenen van een literaire praktijk. Een belangrijke drempel is voor velen het technische aspect dat in de internetomgeving lijkt te overheersen. Deze afkeer van techniek berust meestal op een gedeeltelijke verbloeming of zelfs een volledige ontkenning van de reële praktijk van alle literaire activiteit. Perceptie is alles, zo luidt het modewoord. Maar laten we hier even de mode voor wat ze is om te trachten via een positieve en verruimende beweging een poort te openen naar wat uiteindelijk toch een enorme potentie is. Misschien is het wel zo dat literatuur en technologie altijd al natuurlijke bondgenoten geweest blijken te zijn.
Voor er enig zinnig antwoord kan gegeven worden op de vraag naar de status of de hoedanigheid van literaire tekst op internet, moeten we even terug in de tijd. Historisch is de ontwikkeling en verspreiding van literatuur via het internet immers pas een tweede essentiële stap in de ontvoogding van de literaire tekst ten opzichte van haar traditionele drager, het papier. Voor het internet was er immers al lang de tekstverwerker, een brok immens invloedrijke software die de auteur en zijn uitgever tijdens het hele productieproces van de literaire tekst ondersteunde.
Lang voor er zelfs maar sprake kon zijn van enige noemenswaardige literaire activiteit op internet was er dus al een beslissende verschuiving in het productieproces van literaire teksten.
Deze verschuiving naar het toenemend gebruik van tekstverwerkingssoftware is allicht vanuit de uitgeverijen naar de producenten zelf afgezakt. Omdat de efficiëntie in de kostenbatenanalyses van de uitgeverijen steeg, en omdat de commerciële druk op de auteur groter werd, werd de ambachtelijke bereiding van het literaire kleinood, de handgeschreven autograaf, of zelfs het gebruik van een geheugenloze schrijfmachine al vlug een nostalgische luxe voor enkele topauteurs.
Of de obstinate voortzetting van een dergelijke praktijk was een welbewuste, eventueel zelfs bewonderenswaardige, zij het ietwat leeg-theatrale, en vooral nostalgische opstand tegen de toenemende automatisering van het contesterende individu dat zich in zijn menselijke waarde voelde aangetast.
Deze opvatting, waarin er een diametrale oppositie is van de techniek t.o.v. het humane, waarbij het machinale als een monsterlijke gom al het traditioneel ambachtelijke en als warm-menselijk voorgestelde natuurlijke dreigde weg te vagen, is in feite een erfenis van een eerder enge visie op het humane, waar het menselijke dreigt verloren te gaan in de toenemende mechanisatie. De techniciteit wordt niet geduid als een natuurlijk voortvloeisel uit de menselijke aard. Het humane is hier echter verworden tot een abstractie, waarvan de realiteit wel heel erg in vraag is komen te staan.
Wat moeten we ons immers voorstellen van een mens ontdaan van zijn techniciteit?
Louis Armand is een vooraanstaand theoreticus die in zijn boek Literate Technologiesi op overtuigende wijze het proces maakt van deze voorbijgestreefde opvatting over het humane. In een ruimere context moeten we wijzen op het werk van Alain Badiou die op soortgelijke wijze het reactionaire en negativistische karakter van het ‘humane’ ideaal in vraag stelt. Verder vermelden we de diepgaande analyses van geschreven/gedrukte tekst als trauma van de vroege Derrida, en zijn verhaal van wat daarmee gebeurt in een geïnformatiseerde wereld in zijn later werk.
Van Gilles Deleuze komt wellicht de meest positieve benadering van de mens-machine problematiek. Ook hij heeft in zijn werkii voldoende gewezen op de noodzaak om het machinale in onze wereld volledig als dusdanig te erkennen. Hij brengt zijn analyse niet vanuit de optiek van de tekst, maar daarom is zijn ideeënbeweging op langere termijn bekeken misschien net iets ingrijpender, dan het toch al pulveriserende effect van Jacques Derrida’s deconstructie.
De kern van zijn idee aangaande de benodigde ontvoogding van het machinale is uiterst simpel: het mechanistische symptoom dat menigeen als een bedreiging ervaart, is inderdaad een kwalijke zaak, maar de oorzaak daarvan ligt niet bij het toenemend machinale verloop van onze informatieverwerking, het schort hem eerder aan de menselijke beperkingen opgelegd aan dat machinale verloop. Wat machinaal gebeurt, gebeurt nog op onvoldoende machinale wijze, met mechanistische uitwassen, en een hinderlijke of zelfs nefaste wildgroei tot gevolgiii.
Terugkomend op onze kijk op de toenemende techniciteit in de praktijk van literaire auteurs, is het misschien noodzakelijk geworden om de oude, fetisjistische nostalgie even opzij te zetten en te erkennen dat in een hedendaagse wereld de literatuur haar toonaangevende functies van weleer enkel kan herwinnen als haar auteurs zich vol bewust meester maken van de technieken die hen in staat kunnen stellen om -actueel relevante tekst aan te maken die mee kan in de media zoals de bevolking die dagelijks raadpleegt. Dat is geen normatieve uitspraak, maar een simpele als-dan redering: als je communicatief ingrijpende teksten wil aanmaken, dan moet je net als vroeger de technè van de huidige schrijfpraktijk beheersen. Een auteur moet nu eenmaal in haar tijd staan.
Momenteel houdt dat m.i. in dat je minstens op de hoogte moet zijn van de implicaties van het gebruik van je pc met betrekking tot de teksten die je produceert. Centraal in mijn visie daarop staat de perceptie van elke vorm van tekst als een instantiëring van code. Tekst is lopende code. Elke tekst is nu eenmaal het resultaat van de werking van een programma. Dat houdt m.i. in dat je die traditionele afkeer ten overstaan van de techniciteit dient te overwinnen, omdat je anders het wezen van je eigen maaksels dreigt te ontkennen. De voornaamste activiteit van de hedendaagse schrijver is immers niet langer het uitschrijven van zinnen tekst op papier, de hedendaagse auteur doet aan tekstinvoer in zijn tekstverwerker, en dat is software, een stuk geïntegreerde machinaliteit. Het schrijfproces kent dus een voortdurende interactie met een lopend programma.
Tekst is dan ook in zijn huidige verschijningsvorm in de eerste plaats code, net zoals grafische bestanden, geluidsbestanden of videobestanden op het digitale platform van je pc enkel ‘bestaan’ als code, zo is de tekst die wij momenteel produceren niet langer prioritair een materiële ingreep op een materiële drager, maar in eerste instantie gewoon een gecodeerd bestand. Elke tekst die je aanmaakt is het resultaat van jouw input (via een klavier, meestal) aan een programma dat jouw input verwerkt tot een leesbaar geheel, maar die blijvende leesbaarheid dankt de tekst enkel aan het feit dat het op valideerbare wijze is omgezet in machinaal leesbare code.
Hier kunnen we bondig en louter feitelijk de verschillen opsommen. Men zal zich misschien vragen stellen bij de relevantie van deze verschillen. Het is evenwel zo dat er voor elk van de verschillen een literaire praktijk aan te wijzen is die dat verschil op maximale wijze uitbuit om tot een vernieuwende ervaring van de literatuur te komen. We kunnen daar in dit bestek helaas niet dieper op ingaan.
Deze opsomming geeft enkele belangrijke aspecten weer die dus sowieso gelden voor zo goed als elke vorm van hedendaagse literaire productie. Voor quasi iedereen dus. Het internet als schrijfomgeving zal deze eigenschappen enkel radicaal versterken en/of zichtbaar maken.
Er bestaat een onderliggende laag van abstractie die deels aan de greep van de auteur ontsnapt. De invoer die de auteur doet, wordt omgezet in een code die ook en voornamelijk door een machine gelezen kan worden.
De ingreep in het materiële door de schrijfactiviteit is niet langer primair zoals vroeger het auteurshandschrift. De codering van de invoer is de primaire staat van de tekst. Elke omzetting naar het materiële veld (afdrukken) heeft een foutenmarge/ afwijkingsmarge die er niet is in de lezing door het programma van de gecodeerde invoer. De papiersoort, inktsoort, soort printer, soort druktechniek zijn allemaal factoren die elke instantie van de tekst verder verwijderen van de autograaf, die enkel in code aanwezig is. De tekst ‘bestaat’ dus enkel in tweede instantie, als leesbare afdruk op een scherm of op papier van de primaire code.
Het bestaan van het literaire werk in gecodeerde vorm ontsluit het ook voor verdere machinale lezing en behandeling. Dit heeft voorname gevolgen zowel wat betreft de commercialisatie van het literaire product, haar distributiepotentieel los van kostelijke materiële dragers als aangaande de archiveringsproblematiek die voorheen enkel autografen en gedrukte werken betrof. Botweg: alles is nu mogelijk, zowel het naadloos stroomlijnen van de literaire productie binnen de entertainment -industrie als het goedkoop of geheel kosteloos verspreiden van al dan niet gelegitimeerde digitale bestanden met de aangemaakte code. Dat alles brengt ook een massa heel specifieke problemen mee die voorheen ondenkbaar waren. De literatuur komt zo immers mee terecht in hetzelfde Pandora-doosje als de muziek of de filmindustrie, hoewel het daar natuurlijk enkel als een zeer marginaal verschijnsel naar voren komt.
Tekst wordt meer en meer ‘ongrijpbaar’. Negatief kan je stellen dat
de tekstverspreiding in codale vorm via internet elke tekst blootstelt aan een agressief machinaal Buiten dat de tekst als object ontwricht, openbreekt, op onherkenbare wijze openrijt en verminkt zelfs. Op positieve wijze kunnen we dat echter vertalen naar de presentatie van tekst als tekstverloop, waarbij het onstandvastige en het veelvormige en het machinaal behandelbare juist kwaliteiten worden binnen een proceduraal doordachte praktijk.
Meer en meer worden aan de tekstproductie zelf vereisten opgelegd die rechtstreeks of onrechtstreeks te maken hebben met de vereiste om maximaal te renderen via machinale lezing. Net zoals pen en papier het soort geproduceerde tekst in hoge mate bepalen, bepaalt het gebruikte programma, de configuratie van de schrijfactiviteit in hoge mate de restafval van het proces, de tekst.
Zo gauw de auteur zich bewust geworden is van haar codeproductie , kan zij zich misschien ook beter vinden in de nieuwe mogelijkheden geboden door het internet zoals wij dat nu kennen.
Zoals menigeen ondertussen wel zal weten is ‘dit’ internet meestal omschreven als de tweede versie van het Web. Waar het WWW bij de eerste versie beperkt bleef tot een rommelige en ongecontroleerde uitwisseling van vaak incompatibele bestanden, heeft de verdere ontwikkeling van eigengereide protocollen (SOAP, webservices, Peer-to-Peer technieken) en aan het globale netwerk aangepaste coderingsmethoden (XML, XHTML, CSS, DHTML) ervoor gezorgd dat er zich een hele industrie heeft kunnen ontwikkelen die zich uitsluitend bezighoudt met het stroomlijnen van informatieoverdracht via het Internet. WWW-2 is dus in eerste instantie een macro-economisch gegeven, maar de literatuur kan er net zoals de eindgebruiker zelf, mee van profiteren.
Naast de explosieve ontwikkeling van allerlei sociale netwerken (Myspace, Facebook) waarbinnen auteurs kunnen gaan ‘netwerken’, contacten en opportuniteiten uitwisselen los van hun geografische situatie, is er al vlug een hele blogcultuur ontstaan waarin omtrent het literaire wordt ‘gepost’ zoals dat dan op verfoeilijk metaforische wijze heet. Er wordt helemaal niets naar een bestemmeling verstuurd. Wat er in feite gebeurt, is dat diverse individuen op virtuele locaties achter diverse URL’s (Uniform Resource Locator) tekstuele bestanden in een database invoeren en openstellen voor eenieder die daar middels zoekopdrachten vanachter zijn terminal kennis wil van nemen. Bestandsuitwisseling, niet meer maar vooral ook niet minder dan dat.
Ook hier merken we dus dat door de literaire gebruikers het wezen van de gebruikte publicatietechniek aanvankelijk niet als dusdanig herkend wordt. Dat geldt uiteraard voor zo goed als iedereen. Vertel aan een willekeurige blogger dat zijn praktijk eigenlijk neerkomt op invoer in een publiekelijk raadpleegbare database en je maakt veel kans om op een verwilderd beoogde “Huh?” te stranden. Voor een gewone blogger maakt dat allicht ook niks uit. Maar voor iemand die uit hoofde van haar passie met tekst bezig is?
Heeft het, met andere woorden, dan wel nut om die (bloggende) auteur met dat eigenlijke van zijn productie te confronteren? Wel , misschien heeft dat toch zin als je merkt dat er in de praktijk eerder tegen de aard van het beestje wordt ingeschreven dan dat de potentiële voordelen ervan worden uitgebuit, dat een beter begrip misschien voor een meer vruchtbare praktijkiv kan zorgen, en dat er hier en daar misschien een nieuw besef kan groeien. Het besef namelijk dat we misschien de statische referentieerbaarheid en het objectmatige van het Boek als bruikbaar idee dreigen kwijt te raken, maar dat we ondertussen wel de onmetelijke rijkdom van het dynamische tekstverloop , onder meer via Internet, kunnen winnen.
Deze tekst, die we hier hoognodig moeten afsluiten, wil alvast de deur naar die onmetelijke potentie op een kiertje zetten en enkele ideeën aanreiken die misschien wel vanzelf tot een positieve evaluatie van de mogelijkheden kunnen leiden. Want van die negativiteit ten opzichte van het prominent hedendaagse karakter van literatuur bedrijven via internet, een negativiteit die zoals we hier menen te hebben aangetoond au fond enkel teruggrijpt op een totaal verstarde beleving van het humane en de functie van het auteurschap daarin, daar moeten we met zijn allen nu toch wel hoogdringend vanaf.
i Louis Armand. Literate Technologies. Language, Cognition, Technicity, Litteraria Pragensia, Praag 2006. ISBN 80-7308-138-5
ii Zie o.m. in Gilles Deleuze. Le Pli. Leibniz et le Baroque. Parijs 1988, ISBN 2-7073-1182-0, waar hij het monadisme van Leibniz als uitgangspunt neemt voor o..m een indringende kijk op het machinale.
iii We kunnen momenteel het fundamentele gelijk van Deleuze in die analyse merken in de alom aanwezige praktijk van de extended programming techniek, waarbij met een sterke input van artificiële intelligentie techniek de foutenopsporing en correctie in de programmatie zelf mee wordt ingebouwd, en in de sterk opkomende generische programmeertechnieken waarbij programma’s toegestaan wordt zichzelf te ontwikkelen tot ver buiten het humane begrip.
iv Sta mij toe hier mijn eigen praktijk als voorbeeld aan te reiken, want met de nodige reserve, voor zover ik weet dus, en ik weet heus lang niet veel van wat er te vinden is, ben ik nog steeds de enige in het taalgebied die consequent het internet echt gebruikt als dagdagelijkse schrijfomgeving, voor louter scheppend werk dan, want redactioneel zijn er natuurlijke meerdere auteurs actief. Internationaal heb ik al wel aansluiting gezocht en gevonden bij bewonderde collega’s zoals Lanny Quarles, Allen Sondheim, Sheila Murphy, Leevi Lehto en talloze anderen.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: