There was a hunger for the big picture: What does it mean? How do we put it together into a story? Ultimately, everything's got to have a narrative in science, as in life.1 (Tom Wolfe)
Het onvertelbare leven
Gemis.
Wat is gemis? Gemis is wat we niet hebben, wat we niet kennen. Gemis is meteen ook aangeven dat we wel zouden willen kennen, wel zouden willen hebben.
Prison Break seizoen 832
We houden er niet van om iets niet te weten. Als het leven ons een retorische vraag stelt, als het ons met verstomming slaat en ons alle kleren van het lijf rukt, dan willen we het zo snel mogelijk van antwoord dienen, dan willen we honderduit praten en liefst het laatste woord hebben.
Wat opvalt is dat we nog altijd geneigd zijn om snel een ander de schuld gegeven. Het kwaad, dat waren eerst de nazi’s, vervolgens de Russen en de moslimfundamentalisten. Het kwaad, daar deden we met onze democratie niet aan mee. Hoe absoluter het kwaad, hoe onontkoombaar onze eigen goedheid, hoe groter onze eigen onfeilbaarheid.
Je zou denken dat de wereld stilaan beter weet. Je zou denken dat het post-modernisme met z’n verering en waardering voor het persoonlijke verhaal als relatieve waarheid2 de wereld wat zelfrelativering heeft bijgebracht.
Nonsens.
We kunnen nog altijd niet op een gezonde manier omgaan met onze onwetendheid. We kunnen nog altijd niet om met gemis.
Als je het zo leest, lijkt het wel alsof we een trauma hebben opgelopen. Het is alsof niet-weten, een gebrek aan inzicht en kennis tot niets anders heeft geleid dan miserie. Dat trauma heeft ons afhankelijk gemaakt van desastreuze religies en overtuigingen. Het maakt ons tot vandaag kwetsbaar en drukt ons steeds maar weer op het feit dat we geen controle hebben over dit leven.
Dat trauma is nog altijd niet verwerkt. En dus blijven we onszelf herhalen. We denken “vooruitgang”, maar we lopen in kringetjes. Iedere keer opnieuw zijn we ervan overtuigd dat we vanaf nu de echte Tuin van Eden zullen opbouwen of ontdekken.
En iedere keer opnieuw bouwen we een gevangenis, een nieuwe variant van het panopticon waar we ons soms met liefde, soms met geweld in laten opsluiten, of moet ik zeggen verschuilen?
“In het geval dat de bewoners (van het panopticon, A.S.) gevangenen zijn, dan zullen ze niet samenzweren, zich niet aan een collectieve ontsnappingspoging wagen, noch nieuwe criminele plannen smeden voor de toekomst of gewoon een slechte invloed hebben op elkaar. Gaat het over patiënten, dan vermijd je dat ze elkaar besmetten. Gaat het over gekken, dan is er alvast geen risico dat ze elkaar geweld zullen aandoen. Gaat het over schoolkinderen, dan kunnen ze niet afkijken, heb je geen lawaai, geen gekwebbel, geen tijdverspilling. Gaat het over werklieden, dan vermijd je rumoer, diefstal, vermijd je ook dat ze samenspannen, en heb je geen last van eender welke afleiding die het rendement verlagen, de kwaliteit van de productie verminderen of ongevallen veroorzaken."3
Michel Foucault over de voordelen van het panopticon, een gevangenismodel dat je nog het gemakkelijkst kunt omschrijven als georganiseerde navelstaarderij. Met het oog van een alwetende God in het midden.
Waarom blijven we – vaak in gods- en ‘s hemelsnamen4 – dergelijke gevangenissen bouwen?
Kennis is controle, begrip. Begrip is nodig wil je juist kunnen oordelen, wil je minder fouten maken en beter overleven.
Als dat zo is, dan denk ik niet dat we al iets uit onze fouten geleerd hebben. Survival of the foolest in plaats van de fittest.
Ik geloof niet dat we ooit aan de kennis-is-controle-is-overleven-gedachtegang ontsnapt zijn. Ik geloof evenmin dat we sinds de Verlichting onafhankelijker zijn gaan denken. De kerken mogen dan leeglopen, maar we zijn religieuzer dan ooit. Ons geloof? De democratie. Onze religie: het rationalisme.
Geloof is het begin van alles. We veronderstellen iets over deze wereld en we handelen ernaar. Als onze veronderstelling fout blijkt, passen we haar aan. Geloof is best iets goeds. Het brengt mensen samen die dezelfde overtuiging delen, geloof kan ervoor zorgen dat mensen samen iets realiseren, iets veranderen.
Religie is iets anders. Religie is een set van regeltjes waarvan verondersteld wordt dat je ze volgt als uiting van je geloof. Religie is een gemakkelijkheidsoplossing van mensen die een bepaalde overtuiging al getest hebben in jouw plaats. Religie is een uniform. Religie dwingt al snel mensen om samen te blijven, meer dan dat het mensen samen brengt en samen houdt.
Het gaat mis als je religie en geloof met elkaar verwart.
Het is niet omdat je een uniform draagt, dat je gelovig bent. Het is ook niet omdat je de regels in vraag stelt, dat je iemands geloof in vraag stelt. Alleen is dat onderscheid voor veel mensen heel onduidelijk. Vraag dat maar aan Luther, of aan hedendaagse moslimfundamentalisten, of aan ons, aanhangers van de democratie.
Sisyfus en Omnigoogle
De wereld begrijpen lijkt Sisyfusarbeid. Eindeloos, zinloos.
Met iedere betekenis waarmee we ons wereldbeeld trachten te verrijken en te nuanceren, wordt de wereld complexer, de onmogelijkheid om haar te begrijpen groter en het vooruitzicht van onbegrip bedreigender.
Het internet is dé metafoor bij uitstek van dat verhaal. Als de wereld een schouwtoneel is, dan is het internet het podium waar diezelfde wereld zich vandaag te kijk zet. Het is ‘s werelds grootste onderneming om zichzelf uit te drukken, en het is meteen ook ‘s werelds grootste onderneming om haar begrijpelijk te maken.
Onmogelijk? Waarschijnlijk.
Er bestaat alvast zoiets als net cynicism en internet nihilism.5 Het is de domheid tegen beter weten in: er is zo veel informatie beschikbaar dat er altijd wel iemand zal zijn die het beter weet. Iedereen is per definitie fout. En dus doe je maar wat. Je gelooft maar wat. Je babbelt maar raak. Of je vertrouwt terug op wat voornamelijk de bekende mediamerken en -stemmen je te vertellen hebben.
Internetcynisme en -nihilisme zijn het gevolg van een diepe ontgoocheling. Het internet zou de mensen bevrijden, het zou de kennis democratiseren, ieder individu een waardevol gevoel van bewustzijn en kenniscontrole geven.
In plaats daarvan is het een onoverzichtelijke rotzooi geworden (babble) waar we ons enkel met selectieve doofheid en blindheid een weg door kunnen banen.
Uiteraard heb je ook tegenstemmen, mensen die wel degelijk geloven dat je de gigantische, alsmaar groeiende6 hoeveelheid informatie die het net is, kan beheersen en aanwenden voor iets nuttigs.
Wil je dat kunnen, dan moet je eerst en vooral af van het klassieke beeld van informatieorganisatie. Gedaan met de metafoor van het geordende kaartenbakje. Gedaan met de metafoor van de bibliotheek. In het tijdperk van de Petabytes (1 Petabyte = 1.000.000 Gigabytes) heb je een nieuwe technologie nodig én een nieuwe metafoor, al was het maar om die technologie te bedenken.
“Het Petabyte-tijdperk is anders omdat ‘meer’ ook anders is. Kilobytes bewaarde je op floppy disks, megabytes op harde schijven, terabytes op disk arrays en petabytes worden opgeslagen in clouds (wolken). Tegelijk met die vooruitgang hebben we ook moeten veranderen van analogie om te begrijpen hoe we data organiseren: van de kaartenbak over de bibliotheek naar de – wel, euh, tja voor de petabytes bleek dat we nog niet over een geschikte analogie beschikten.”7
Gelovige van dienst is Chris Anderson, de hoofdredacteur van het toonaangevende technologieblad Wired Magazine. In zijn geruchtmakende editorial The end of theory. Will the Data Deluge Make the Scientific Method Obsolete? toonde Anderson zich duidelijk een onvoorwaardelijke fan van Google, vooreerst omdat ze bij Google begrepen hebben dat er zo veel kennis in de wereld is dat we ons er niets bij kunnen voorstellen en dat dat ook niet hoeft. Je hoeft de wereld niet te begrijpen voor je ermee aan de slag kunt gaan. De uitleg volgt later wel.
“Informatie op petabyteschaal is geen kwestie van een eenvoudige drie- of vierdimensionale taxonomie of orde, maar wel van statistieken die voorbij gaan aan dimensies. Petabyte-informatie vraagt om een totaal andere aanpak, één die vereist dat we ons losmaken van het idee8 dat data iets is dat we kunnen visualiseren in zijn geheel. Het verplicht ons om data eerst wiskundig te bekijken en er daarna een context voor te creëren.”
“De basisfilosofie achter Google is dat we niet weten waarom een welbepaalde pagina beter is dan een andere; Als de statistieken van de binnenkomende links uitwijzen dat het zo is, dan is dat voor Google goed genoeg. Semantische of oorzakelijke analyse zijn overbodig. Dat is ook de reden waarom Google van de ene taal naar de andere kan vertalen zonder de taal echt te kennen (geef Google identieke hoeveelheden data om van te vertrekken en de zoekmachine vertaalt van Klingon naar Farsi, net zo gemakkelijk als het van Frans kan vertalen naar Duits). Dat is ook de reden waarom het advertenties kan linken aan bepaalde content zonder enige kennis van of veronderstelling over wat de advertentie betekent of waar de opgezochte content echt over gaat.”9
In maart van dit jaar verwoordde het hoofd van Googles onderzoeksafdeling Peter Norvig het nog als volgt: “Alle modellen zijn fout. En je hebt ze hoe langer hoe minder nodig om te slagen.”10
Als je het zo leest, lijkt het wel alsof we eindelijk volwassen geworden zijn, alsof we ons trauma van gemis achter ons gelaten hebben en we eindelijk ons eigen verhaal kunnen schrijven zonder ons over te leveren aan dogmatische systemen.
Het lijkt veelbelovend, maar het beangstigt me ook.
Je hoeft inderdaad niet alles te weten om ervoor te gaan. Soms moet je gewoon vertrouwen op je eigen software, op de genialiteit van je eigen - vaak onbegrijpelijke systeem - voor alles duidelijk wordt. Het is aannemelijk dat Einstein al een idee van de Relativiteitstheorie had voor hij haar kon bewijzen. Het is net zo goed dat Copernicus wist dat de aarde niet plat kon zijn, nog voor hij het goed en wel kon aantonen. De eerste mens op de maan? Hetzelfde.
Waarom zou een model niet kunnen werken voor je het begrijpt? Per slot van rekening zit de hele wereld zo in elkaar.11
Maar leven zonder model betekent dat je de geborgenheid, de zekerheid en de voorspelbaarheid van de systemen die we kennen doelbewust op de helling moeten durven te zetten. Het betekent dat je ervoor moet gaan, gewoon de mogelijkheden moet verkennen.
Tot zover ben ik nog bereid om mee te gaan.
Wat me meer angst inboezemt, is dat Google de status van onfeilbaarheid krijgt. Of zoals cultuurfilosoof en internetkenner Nicholas Carr het omschrijft:
“Google (...) heeft sterke messianistische neigingen. Het is de Omnigoogle er niet om te doen om tonnen geld te scheppen; de Omnigoogle heeft een missie, namelijk: informatie vrij beschikbaar maken voor de mensheid. En het is overtuigd van zijn eigen gelijk, van zijn rechtschapenheid. Als je vandaag tien jaar vooruitkijkt vind je dat ofwel geruststellend ofwel beangstigend. Het hangt er maar van af hoe je het bekijkt.”12
Het hangt er maar van af of je gelooft dat honger naar kennis tot verval leidt of niet (denk maar aan de Zondeval).
Wordt Google en met Google het hele internet ons nieuwe panopticon? Nu al richt zowat iedereen die iets te weten wil komen over de wereld zich tot het internet, en hun eerste aanspreekpunt is Google.
Anderson en Norveg geloven niet dat het zo’n vaart zal lopen. Google verwerpt alle systemen. Punt uit. Google is zelflerend. De kracht van Google, zo beweren Norveg en Anderson, ligt in de hoeveelheid informatie, “the wisdom of the crowds” waar Google gebruik van kan maken. Google leert van die crowds hoe fouten uitgevlakt moeten worden en vice versa.
Google is geen systeem. Google is een voortdurend veranderend model, sommige wetenschappers spreken van een levend wezen.
Googles sterkte is meteen ook Googles grootste zwakte. Want informatie die niet in Google ingevoerd wordt, bestaat niet. Google kan maar modellen ontwerpen en voorspellingen maken op basis van de informatie die er is. Wat computers genereren, is hoogstens waarachtige.
Anderson en Norveg gaan ervan uit dat dat genoeg is. Dankzij het internet heeft Google toegang tot zo veel ogen en oren dat het werkelijk alles weet en dat het toch op z’n minst voorspellingen kan doen van trends en tendensen, dat het modellen kan aanbieden die werkbaar zijn. Die informatie moet opnieuw geïnterpreteerd worden. En hoe groter de waarachtigheid waarmee voorspellingen gebeuren, hoe gemakkelijker ze geaccepteerd worden zonder ze te moeten interpreteren, want hoe kleiner de statistische foutenmarge.
En daar knelt het schoentje.
Ik wil Google het voordeel van de twijfel gunnen al was het maar omdat het programma het meer dan ooit mogelijk maakt om gelijkgestemden te vinden. Als iemand dezelfde overtuiging heeft als jij en daarover schrijft, dan kun je die in principe vinden, ook al woont die aan de andere kant van de wereld. Mensen die je overtuiging delen, zijn belangrijk. Ze moedigen je aan om je ideeën te verkennen, om verder te gaan met wat je doet. Google kan je helpen om te ontdekken dat je mening ertoe doet, dat je met je verhaal niet alleen staat in deze wereld.
Poëzie, de meest noodzakelijke bug
Er is echter één iets waar geen cloud of Google een antwoord op kan bieden. Google leert ons niet omgaan met gemis, Google leert ons niet hoe we moeten omgaan met wat we niet kennen, wat we niet weten. Google alleen kan ons niet leren hoe we het trauma van onze onvolmaaktheid en onze onwetendheid kunnen verwerken.
Als je je afvraagt waarom poëzie vandaag nog betekenis kan hebben, dan ligt daar misschien wel het antwoord.
“Eén van de dingen waar poëzie toe bijdraagt, is begrip. Daar hoort eigenlijk al bij dat je poëzie op het eerste gezicht vaak niet begrijpt. Zelfs al lijkt het van wel, is zo’n eerste indruk nogal eens bedrieglijk. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat,’ zei de toch alleen maar in allerbegrijpelijkst Nederlands schrijvende Martinus Nijhoff al.”13 Herman de Coninck in Over de troost van pessimisme.
Poëzie draagt bij tot begrip, maar niet om controle te hebben, niet om te oordelen, maar om je oordeel over de wereld zo lang mogelijk uit te stellen. Volgens De Coninck komt er een ander oordeel in de plaats: “of het goeie of slechte poëzie is.”14
Is poëzie dan bezigheidstherapie voor gevorderden? Is poëzie een luxe die we ons in het alledaagse leven maar moeilijk kunnen veroorloven?
Ik geloof net als De Coninck dat poëzie een noodzaak is. Poëzie laat ons begrijpen dat we niet begrijpen. Ons huidige begrip is doorspekt met onbegrip en daar kunnen we niet zomaar eender wat mee aan. “Op een kapotte weegschaal kun je ook niks afwegen.”15
Die onwetendheid, die ontbrekende kennis beschrijven is niet voldoende. Daar houden filosofen zich wel mee bezig.16 Uitdrukking geven aan haar bestaan, haar een gelaat geven en haar onontkoombaar maken17 evenmin. Google gebruiken is per definitie de confrontatie aangaan met je onwetendheid.
Wat poëzie doet, is troost bieden. Daar is het poëzie om te doen. Poëzie maakt iets van dat onbegrip, poëzie is een menselijke poging om onbegrip een betekenisvolle plaats te geven in de wereld.
Enkel poëzie kan met recht en rede vragen hoeveel stilte kost en er nog een mooi antwoord op formuleren ook. Geen Petabyte aan informatie en geen supercomputer die je hiervan een zinvol model kan geven.
Vraag eens aan Google hoeveel stilte kost?
Poëzie is wat Google onvolkomen maakt en aanvult. Poëzie, dat zijn de missing links, de doelbewust gegenereerde errors, de hacks van ‘s werelds meest ingenieuze vorm van artificiële intelligentie ooit verwezenlijkt.
Poëzie vrijwaart zelfs binnen Google het recht om vrijuit te denken en te spreken. Poëzie vrijwaart het recht om te ontsnappen uit eender welk panopticon en om je blik te verleiden om eens de andere kant op te kijken, door het raam, over de omwalling, weg van alle verheerlijkte navelstaarderij.
Poëzie herinnert er ons aan dat we niet gemaakt zijn om stil te staan, niet gemaakt zijn om ons neer te leggen bij wat ons gezegd wordt dat er is.
Poëzie is hardop vragen.
Poëzie is de belichaming van datgene wat nieuwe ideeën mogelijk maakt.
Poëzie is een welgemeende fuck you tegenover iedereen die het laatste woord wil hebben.
Poëzie is - misschien meer nog dan andere kunstvormen - een noodzakelijke aanvulling op alles wat de wereld begrijpelijk maakt.
Poëzie verantwoordt dat Google op sommige vragen geen antwoord heeft.
“L’homme doit créer sa propre essence.”
En poëzie is het perfecte excuus om nog een eeuwigheid bezig te blijven.
1 “We wilden dolgraag het grotere geheel begrijpen: Wat betekent het? Hoe kunnen we het samenvatten in een verhaal? In wetenschap moet je, net zoals in het leven, alles uiteindelijk toch zien te vatten in een vertelling (uiteenzetting).” (mijn vertaling)
2 Beperkt geldig in tijd en ruimte.
3 Foucault, Michel, Discipline & Punish: the Birth of the Prison, NY: Vintage Books 1995, pp. 195-228, http://www.cartome.org/foucault.htm. (mijn vertaling)
4 Omdat dit toch het tijdperk is van de customization (iPod, myspace, ...) mag u de naam van uw god naar eigen voorkeur invullen.
5 Lovink, Geert, “Blogging, the Nihilist Impulse”, in: Eurozine, 2 januari 2007, http://www.eurozine.com/articles/2007-01-02-lovink-en.html
6 Sommige mensen spreken van een ‘levende’ massa informatie omdat de informatie zich steeds in veranderende vormen organiseert / georganiseerd wordt.
7 Anderson, Chris, “The end of theory. Will the Data Deluge Make the Scientific Method Obsolete?”, in: Edge, nr. 248, juni 2008. http://www.edge.org/documents/archive/edge248.html Oorspronkelijk gepubliceerd in Wired Magazine, nr. 16, 2007. (mijn vertaling)
8 Anderson spreekt van een “tether”, een soort leiband, ketting.
9 idem
10 idem.
11 “ Reality, with all its ambiguities, does the job just fine. It may be that our true destiny as a species is to build an intelligence that proves highly succesful, whether we understand how it works or not.” (Dyson, George, in Edge 248, http://www.edge.org/documents/archive/edge248.htm
12 Carr, Nicholas, “The Omnigoogle”, http://www.roughtype.com/archives/2008/09/google_at_10.php (mijn vertaling)
13 De Coninck, Herman, “Over de troost van pessimisme”, in : Het Proza 1, samengest. en verantw. door Paul de Wispelaere ism Jeroen de Preter, p. 12
14 Idem, p. 18
15 Idem.
16 In Madness & Civilization beschreef Foucault die onwetendheid als Unreason, de antithese van Reason zeg maar. Unreason was een onkenbare, immer achteruitdeinzende massa die eender welke blik ontwijkt. Alleen in de kunst laat ze een schim van haar schaduw zien. In zijn boek verwijst Foucault uitgebreid naar Los Caprichos, de etsen van de Spaanse schilder Goya. In zekere zin is de grot van Plato ook een metafoor die zinspeelt op een dergelijke onwetendheid en een onvermogen tot begrip.
17 Haar onontkoombaar maken dat doet Google ook. Alles weten is onmogelijk.
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: