Robert Browning is de dichter van ‘A Grammarian’s Funeral’, in of rond 1855 geschreven. Het is stellig een van zijn meest becommentarieerde verzen. Over de interpretatie van dit fascinerende gedicht lopen de meningen tot op de huidige dag erg uiteen. De opzet lijkt eenvoudig. Het gaat over de begrafenis van een grammaticus. Zijn leerlingen dragen hem ten grave. Een van deze leerlingen is aan het woord, en het hele gedicht is een lofrede van deze leerling op de gestorven en betreurde meester.
Al gauw blijkt dat deze grammaticus nogal een bijzonder mens geweest is. Zoveel is duidelijk dat hij zijn hele leven tussen de boeken doorgebracht heeft. Uit boeken probeerde hij het leven te leren kennen, een streven naar wijsheid dat de leerling het hoogste ideaal noemt dat een mens kan najagen. De grammaticus heeft dat, met opoffering van alle aardse geneugten, geprobeerd.
Verwoordt de leerling Brownings visie? Sommigen denken van wel, maar er is onmiskenbaar ironie in het gedicht. Voelde Browning zich verwant met de grammaticus? Of moeten we de Funeral veeleer lezen als een soort Lof der Zotheid en wordt de grammaticus door Browning als een mislukkeling gezien? Er zijn met enige goede wil verwijzingen naar Erasmus in het vers te vinden, en Browning zal stellig geweten hebben hoe ook Erasmus in zijn Lof der Zotheid een grammaticus ten tonele voert. Commentatoren hebben ijverig gespeurd naar personen die model gestaan kunnen hebben voor de grammaticus, maar zonder veel succes. Waar men het wel over eens schijnt te zijn: het gaat om een Renaissance-grammaticus. Of zelfs: de Renaissance-grammaticus, als type, als fenomeen.
Wat ook duidelijk is: de spanning tussen een leven hier en nu, en kennis over dit leven en hoe die kennis bereikt kan worden, is een centraal thema in de Funeral. Had dit ook aan de orde kunnen komen bij een bioloog, een filosoof of een scheikundige? Waarom spreekt Browning juist over een grammaticus?
Het is geen willekeurige vakidioot of freak die Browning hier ten grave laat dragen. Op verschillende plaatsen in het gedicht spreekt de leerling namelijk heel specifiek over diens onvermoeibare inspanningen voor woorden, onder andere voor het Griekse woordje hoti. Het gaat wel degelijk ook over taal, en over boeken. Specifieker: over boekentaal.
Het is niet mijn bedoeling de vele Funeral-interpretaties met nog één te vermeerderen. Misschien is het zelfs niet wijs om te willen kiezen. Ik wil enkel een aspect belichten dat, voorzover ik zie, tot dusver onopgemerkt gebleven is. Namelijk dat het ten grave dragen van een, of: ‘de’ Renaissance-grammaticus, anno 1855, cultuurhistorisch geen onbelangrijk feit is. Of Browning zich dat klaar bewust geweest is, weet ik niet.
* * *
De Renaissance is erg op taal gericht geweest, al vanaf het allereerste begin bij Dante en zijn De vulgari eloquentiae. Vertalingen, spellingregelingen, grammatica’s, woordenboeken, taalonderwijs, op al deze vlakken heeft de Renaissance grote veranderingen, nieuwe inzichten en rijke bloei gebracht. De Renaissance had iets met taal.
Misschien wel de meest karakteristieke vrucht van dit alles waren de verschillende Europese standaardtalen. Onze standaardtalen zijn een product van deze cultuur die men veelal bij Dante laat beginnen en die vanaf de 16de eeuw vleugels krijgt. Zonder overdrijving mag men zeggen dat de standaardtalen het maaksel zijn van de grammaticus van die tijd. Hij deed dat niet alleen; hij werd trouw terzijde gestaan door de tijdgenoten, de dichters en de vertalers, denk aan Vondel, denk aan Hooft, die evengoed taalbouwers genoemd mogen worden. Of in die hoedanigheid: grammatici.
Browning laat , anno 1855, de maker van de standaardtaal begraven. Is het vergezocht om te zeggen: en met de maker ook zijn maaksel?
* * *
Of Browning zich klaar bewust geweest is van juist wie hij laat begraven in de Funeral, anno 1855, zoals gezegd, dat weet ik niet. Hij zou een goede intuïtie gehad kunnen hebben. Maar cultuurhistorisch is dat van geen belang. Feit is dat precies in diezelfde periode de allereerste tekenen zijn aan te wijzen dat de taalcultuur van de Renaissance scheuren en barsten begint te vertonen. Feit is ook dat in het jaar waarin Browning zijn gedicht publiceert, ergens anders in Europa een historicus zit te schrijven aan een belangwekkend boek over de Renaissance, in feite het allereerste boek over de Renaissance, waarin voor het eerst die cultuurhistorische periode een naam krijgt en in de verf gezet wordt: Jacob Burckhardt, Die Cultur der Renaissance in Italien, verschenen in 1860.
Burckhardt zegt helaas weinig over taal. Intussen weten we, na bijna 150 jaar Renaissance-onderzoek, heel wat meer over die tijd. We weten nu dat taal een van de centrale pijlers van de Renaissance was, en dat men in de 16de t/m de 19de eeuw een nogal specifieke kijk op taal ontwikkelde. Met onder andere het idee dat geschreven taal superieur is aan gesproken taal, en met een verkaveling van het oorspronkelijke linguïstische continuüm tot nationale standaardtalen. Dat had verregaande consequenties voor bijvoorbeeld de spelling, voor het taalonderwijs, voor vertalen, voor normen en waarden bij het lezen en schrijven, kortom voor de hele taalcultuur. In aanzienlijke mate is dit trouwens nog steeds de taalcultuur van onze dagen.
Maar niet meer helemaal. Wij groeien ervan weg. En de eerste tekenen dat deze taalcultuur van de Renaissance ten einde loopt zijn al waar te nemen rond 1860. In de jaren dat Burckhardt schrijft aan zijn beroemd geworden boek, zijn er ook de eersten die openlijk beginnen te twijfelen of geschreven taal wel echt superieur is aan gesproken taal (Taco Roorda, 1855), of die expliciet zeggen dat taal een continuüm is en dat er geen grenzen tussen talen zijn (Johannes Schmidt 1872; Georg Wenker 1876), Aan de standaardtalen van rond 1860 is het nog niet meteen te merken, de normatieve ingesteldheid bereikt in die jaren zelfs haar hoogtepunt, maar ondertussen is de twijfel aan hun fundamenten reeds begonnen.
* * *
Het duurt nog honderd jaar voordat de taalcultuur van de Renaissance werkelijk begint af te brokkelen, rond 1970. Maar van dan af gaan de veranderingen dan ook snel. Veranderingen in het taalonderwijs, marginalisering van Latijn als schoolvak, groeiende problemen met de spellingprincipes van de voorbije eeuwen, klachten over ‘ontlezing’ (maar niemand weet of ze gerechtvaardigd zijn), grotere tolerantie tegenover regionale en sociale varianten van de taal. En misschien wel het meest opvallende: de standaardtaal, dat pronkstuk van de Renaissance, verliest haar voetstuk. En middenin deze draaikolk komt het internet opzetten, dat leidt tot compleet nieuwe manieren van lezen, schrijven en publiceren. Het boek, vijfhonderd jaar de onbetwiste marktleider voor opslag en verspreiding van kennis en informatie, krijgt voor het eerst serieuze concurrentie. In enkele decennia verandert er op het gebied van taal meer dan in eeuwen daarvoor. Het begin van het einde van de oude taalcultuur ligt rond 1860; en vanaf 1970 treedt de slotfase in, die overigens op dit moment nog lang niet voltooid is. Het wordt nog niet algemeen beseft dat we het weldra zonder standaardtaal zullen moeten stellen. De meningen zijn overigens nu al sterk verdeeld: onheilsprofeten en doemdenkers staan tegenover onbekommerde optimisten.
* * *
En de dichters? Waar staan de dichters in dit alles? In de Renaissance-periode waren ze veelal bondgenoot en partijganger van de overige taalbouwers. Kinderen van hun tijd. Ik noemde al Vondel en Hooft, maar er zouden vele anderen te noemen zijn. De standaardtaal is ook voor hen middel en ideaal tegelijk.
Wat gebeurt er als er twijfel komt aan die standaardtaal? Als de standaardtaal misschien toch niet juist dat is wat ervan verwacht wordt, of wat je zou willen? Opnieuw zijn de dichters net als iedereen kind van hun tijd. Sommigen gaan in de verdediging en pleiten voor het goed recht, ja voor de noodzaak van verdediging van die standaardtaal. Anderen gooien het bijltje erbij neer, zoals Rimbaud in 1876, die ermee stopt en wapensmokkelaar wordt in Afrika.
Hoe men ook reageert, verdedigend, berustend of aanvallend, ruim honderd jaar lang heeft de dichter het moeilijk gehad met de taal. Ongeveer van 1860 tot 1970. De taal schiet tekort, de taal vervormt, de taal vervreemdt, overal hoor je in die tijd negatieve geluiden over taal. En dat is voor de meesten: de standaardtaal. ‘t Is geen wonder, als je weet hoezeer de standaardtaal ten einde loopt.
Maar hoe zal dan de toekomst zijn? Is er nog leven na het verdwijnen van de standaardtaal? Valt er nog te dichten, zonder standaardtaal?
Ik ben geen dichter. Maar eerlijk gezegd: ik twijfel er geen moment aan. Er werd ook gedicht lang voordat er standaardtalen ontstonden; dan moet het ook na hun verdwijnen kunnen. Sterker nog: ik meen zelfs dat de dichter voorop kan lopen in het ontdekken en ontginnen van de nieuwe taalcultuur. Die zal drastisch anders zijn dan alles wat we van de afgelopen 500 jaar gewoon zijn. Eenvoudig is de opdracht dus niet. Er is moed voor nodig, en talent, en intuïtie.
Bijvoorbeeld het talent en de moed en de intuïtie van een Robert Browning, die nog voordat iemand anders er iets van bespeurde, op de een of andere manier opsnoof hoe de toestand was in 1855. Misschien was hij zelf wel verbaasd over zijn vermetele begrafenis. Waarom doe ik dit? Waarom zou ik juist een grammaticus ten grave dragen? We kennen zijn twijfel niet. Maar achteraf is vast te stellen dat hij visionair de spijker op de kop sloeg.
| |
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: