Dit stuk is grotendeels samengesteld uit fragmenten van artikelen die ik op het internet heb gepubliceerd, uit bijdragen en reacties op weblogs, en uit sporen van op papier gepubliceerde kritieken en essays op mijn computer. Daarmee is het een fixatie van freischwebende Intelligenz, zou je kunnen zeggen, waarvan, volgens de onzekerheidsrelatie van Heisenberg, de plaats plotseling bekend wordt, maar de impuls onzeker, - of ook wel, waarvan het tijdstip van samenkomst zich op een enkel punt concentreert, terwijl de energie ervan twijfelachtig wordt.
Twijfelachtig! Op de plek van dat woord stond eerst ‘onzeker’, maar omdat ik dat al had gebruikt, zocht ik met een rechtermuisklik een vervangend woord. Dat heb ik niet zelf geschreven, althans niet letter voor letter gespeld: ik heb het gehaald uit de synoniemenlijst die met MS Word wordt meegeleverd. Daarmee wordt het auteurschap van dit artikel zelf twijfelachtig - maar dat was het natuurlijk al, aangezien ik me uitdruk in een taal die in de loop van eeuwen door anderen bij elkaar is verzonnen.
Wat hier dan volgt is een flarfessay op basis van autoplagiaat - een nieuwe naam voor een oud verschijnsel:
‘De in dit boek bij elkaar gebrachte opstellen handelen over gedichten van zeer van elkaar verschillende dichters. Een vluchtige blik op de inhoud doet vermoeden dat niet ik, maar de meest willekeurige willekeur deze dichters bijeen plaatste. Een historiese lijn zit er dan ook niet in, zelfs geen astrologiese, kosmiesmetaforiese, magiese of alchimistiese. Er zit - en dat is m.i. het aardige van dit boek - helemaal geen lijn in. Het is een labirint uit plattegronden van labirinten samengesteld, labirinten waarvan het de kennelijke bedoeling is dat men er pas uitkomt, wanneer men er zich steeds verder in werkt. Ik weet niet of het mij gelukt is uit die labirinten te komen, maar ik heb ook geen behoefte aan bevrijding op dit punt. Ik ben blij dat ik mijn eigen dwaaltuin uit kan, ik ben blij dat ik leef.’
(Rudy Cornets de Groot, voorwoord tot Labirinteek (1968) )
Van deze tekst is geen enkel woord van mij; ik heb haar alleen bezorgd, zoals ik hierboven het woord ‘twijfelachtig’ bezorgde. Maar elk schrijven kan allicht als tekstbezorging worden beschouwd: door bovenstaande tekst te actualiseren maak ik aanspraak op het auteurschap van werk dat niet door mij, maar door mijn vader uit de taalschat werd geplagieerd.
‘Vroeger dacht ik: ‘Kom, het is maar papier, wat inkt, ik schrijf het maar op, want als het vergankelijke het eeuwig leven niet had, begon ik er niet eens aan’. Met uitgave van déze bundel heb ik lang geaarzeld. Niet dat hij minder onberaden in elkaar is geflanst dan de vorige - integendeel. Maar juist dat vereist een verantwoording, geloof ik (...). Opnieuw dus stel ik de door mij reeds zo beproefde lezer teleur. Ook deze bundel immers is samengesteld uit voorhanden materiaal. Ik heb nu eenmaal niet eerst een idee om vervolgens de plicht op me te nemen die uit te schrijven. In tegenstelling met Albert Verwey komt bij mij het idee pas met het schrift. Ik schrijf. De ideeën vormen zich niet eerder. De ontsnapping uit het ik veronderstelt niet noodzakelijk eerst een subject en vervolgens een op een doel gerichte beweging, die men verantwoorden kan. Ik ga gewoon op weg, en vind.’
(Rudy Cornets de Groot, voorwoord tot Contraterrein (1971) )
Werkt het zo niet bij uitstek op het internet? Men treft een tekst aan, en plakt er zijn eigen tekst aan vast. Zo produceert men tijd: nieuwe reacties duwen de voorgaande naar beneden, terwijl nieuwe posts de oudste zelfs van het scherm en naar de archieven verdrijven. Het is daarbij alsof een filmstrook door een projector wordt gehaald. Waar we voorheen verticaal lezen hadden (poëzie) en horizontaal lezen (proza), daar is nu sprake van een filmisch lezen, waarbij de vierde dimensie ons zichtbaar en tastbaar op de hielen zit. Het virtuele verkrijgt een actuele status: wie er niet op tijd bij was, is een week later al filoloog.
Op De open ruimte, de titel van de website op www.cornetsdegroot.com, is de status van de bijeengebrachte teksten anders dan die ze destijds op papier hadden. De ruimte is er veel opener dan die van de bundel De open ruimte (1966) ooit kon zijn. Dat boekje was een object met een commerciële, en later nostalgische waarde, dat men op grond van onderwerp, alfabet of andere formele indeling in de boekenkast kon klemmen. Op het internet is de verwevenheid met andere teksten veel groter, doordat andere websites er naar verwijzen, en zoekmachines de teksten op meer gegevens indexeren dan alleen die beginletter of dat onderwerp:
‘Een publicatie op het internet garandeert permanente aanwezigheid in een veelheid van discoursen. Wie nu op auteurs zoekt als Lucebert, Potgieter, Speenhoff of op de Beatrijs (ik beperk me), komt voortdurend hier terecht; hetzelfde geldt voor termen als ‘astrologie’, ‘troubadourslyriek’, ‘Lilith’ of ‘Indische literatuur’ (ik beperk me opnieuw), om maar te zwijgen van combinaties als Lucebert + Slauerhoff + Rilke, of Poot + Feith + Gagarin, of zelfs Freud + Feith + ik; zoals men weet bezat Cornets de Groot voldoende chaos voor een compleet heelal. Overigens hoeft men het zo dolzinnig niet te maken; ook wie zich beperkt, zal merken dat de genoemde discoursen zijn stempel dragen, of men dit nu aanvaarden wil of niet; in elk geval zal de ‘drangreden [] om mij maar helemaal te negeren’ met deze publicatie minder gemakkelijk te bevredigen zijn dan wanneer men Cornets de Groot in een boek opgeborgen zou weten.’
(‘Verantwoording’).
Verschillende toepassingen: tekst, beeld, geluid, pop-ups, een in Javascript geschreven menu, een zoekfunctie, een gehyperlinkte bibliografie, een eveneens gehyperlinkte auteursindex, en hyperlinks die nauwelijks het top level domain van de URL verlaten, maar intern essay aan essay koppelen: zo wordt voor deze auteur alsnog het alchemistisch ideaal van een eeuwig levende machinemens verwezenlijkt. Maar wat een verschil met de tijdgenoot van die alchemist: de middeleeuwer, die zijn tekst niet ondertekende, maar zich aan zijn handschrift liet herkennen:
‘Wanneer het ik zich met anderen vermenigvuldigt, is vorm in literatuur niet alleen maar meer een kwestie van een tot het ik te herleiden stijl (taalgebruik, woordkeuze, zinsbouw, beeldspraak, enz.), geen betekenaar van een klein geheim, maar drukt het zich uit in de typografie (...) Pas wanneer de dichter op die manier, via de typografie, zijn werk van een vorm heeft voorzien, kan hij zich uit zijn werk terugtrekken. De vorm, het lichaam van het gedicht, vervangt zijn ik: zijn lichaam, zijn naam, zijn persoon. Men kan dat vergelijken met de Middeleeuwse dichter, die zijn tekst niet ondertekende, maar bij gebrek aan boekdrukkunst wel zelf uitschreef. Hij heeft geen naam, maar hij is te herkennen aan zijn handschrift, d.i. de typografische vorm. Zo ook bij Bert Schierbeek. In het voorwoord van zijn roman Inspraak (1970) schreef hij: ‘Ik dank iedereen die in mij gesproken heeft, ook mijzelf en garandeer dat er geen woord van mijzelf bij is.’ Maar het boek werd in fotografische offset gedrukt zoals Schierbeek hem zelf op zijn typemachine had geschreven, compleet met zwevende en door elkaar heen getikte letters. Zo heeft ook ieder gedicht in Hans Kloos’ laatste bundel Zoekresultaten zijn eigen interpunctie, hoofdlettergebruik en regelval: in elk gedicht spreekt immers een andere stem. In zijn vorige bundel, Het zingen van het ijs (2002) worden de pagina’s doorkruist door regels die niet onder elkaar, maar naast elkaar doorlopen en over de paginaranden heenwandelen. En de vroege bundel Voor mevr. en men. Naaktgeboren (1988) bevatte zelfs uitklappagina’s om lange regels niet af te hoeven breken.
Inmiddels is er na de boekdrukkunst een nieuw stadium aangebroken. Kloos is een van de weinige dichters die werkelijk de mogelijkheden van woorden op een scherm onderzoekt. De ander is zoals bekend Tonnus Oosterhoff, van wie het gedicht ‘Ik niet meer’ in dit verband niet ongenoemd mag blijven: de terugtrekking van het ik is daar visueel in beeld gebracht. Ook bij hem blijkt dat een vermindering van het ik ten faveure van de ander zijn weerslag heeft op de typografie. Er zou een wet uit te formuleren zijn: de vermeerdering van ik tot wereld gaat gepaard met een omzetting van stijl in vorm, in typografie; omgekeerd wijst een overmaat aan stijl op een in zichzelf besloten schrijverschap, op decadentie.’
(‘Panta Rhei of Herakleitos’ slavin’ )
Van identificeerbaar handschrift naar de machine, van ‘ik’ naar ‘meer ik dan ik’ zoals Mulisch het lang geleden al noemde: het is duidelijk dat het internet ons van het object en van een daarop gebaseerde economie kan verlossen, en ons die fetisjen en falli - letterlijk, al te letterlijk - nu als voorbijgaande code kan aanbieden. Nam de pornografie niet van begin af aan het voortouw bij de ontwikkeling van het internet? Wie zich afvraagt wat de toekomst van het literaire tijdschrift is, hoeft alleen maar het lot van seksboekjes als Chick, Candy e.t.q. te overdenken: blaadjes die in de jaren zestig als spin-offs van ondergrondse, provoïde vlugschriften ontstonden, waarin naaktfoto’s als politiek agitatiemiddel werden ingezet. Voor zover ze nog bestaan, is dat omdat men ze ook mee naar bed, de wc of het kantoor kan meenemen, wanneer het netwerk de toegang tot bepaalde sites blokkeert. Dirk Vekemans, veruit een van de interessantste beoefenaren van ‘lopende code’ op het internet, lardeerde zijn teksten een tijdje geleden met de kreet ‘Gratis sex met hete Belgische wijven’. Mocht de rest van de literaire internetgemeenschap het overnemen, dan stuit iemand die op zoek is naar porno misschien nog eens op poëzie, in plaats van andersom.
De rollen zijn in elk geval omgedraaid: voor wie serieus met literatuur wil omgaan zijn de krant, de glossy en het boekenprogramma de inferieure krochten geworden waar kwaliteit het onderspit delft ten opzichte van de marktwaarde van literaire teksten:
‘Adverteerders of niet, niveau of niet - als er iets in de krant staat dat me niet bevalt of als er iets ontbreekt, dan kan ik daar niets aan veranderen. Maar hier kan ik zelf schrijven wat ik graag wil lezen! Kan het mooier? Wie klaagt over niveau moet wat aan zijn eigen niveau doen.’
De poëziebeoefening op internet volgt zijn eigen gang, en doet er goed aan zich niet te veel aan de voormalige bovenwereld en diens hiërarchische structuren te spiegelen. Wie behoefte voelt aan een poëzietijdschrift op internet, geleid door een strenge redactie, houdt misschien onvoldoende rekening met het open karakter van deze ruimte, de indexeerbaarheid van teksten en de zelfregulatie op basis van wiki-protocollen. Figuren als Dirk Vekemans, Jeroen Mettes en anderen hebben een dergelijke sanctionering tenslotte niet nodig gehad.
‘Het meest positief onderscheidende kenmerk van deze bloemlezing is dat ze behalve uit bundels en tijdschriften ook uit een nieuwe bron put: die van het internet. Dat pleit zeer voor Breukers als ambassadeur van die poëzie (en natuurlijk voor de Nijmeegse uitgeverij BnM, die ook de Contrabasreeks onder haar hoede genomen heeft). Deze internetdichters, van wie nog geen bundel is verschenen en die mogelijk ook in tijdschriften nog niet zijn gepubliceerd, zijn met deze bloemlezing praktisch en formeel gesproken in één klap gecanoniseerd. Breukers draagt daarmee bij aan de verdere ontwikkeling van wat door Vaessens als een van de fundamentele veranderingen van het literaire veld is aangemerkt: de herschikking van de literaire boven- en onderwereld - met het internet als spreekwoordelijke krocht van de laatste. Wat we hier kortom zien is dat iemand die zichzelf op het internet een podium heeft verschaft - het Contrabasweblog - nu dankzij het daar verworven symbolisch kapitaal (Bourdieu) de poëzie die op dat medium verschijnt zelf heeft weten te consacreren (opnieuw Bourdieu).’
(‘Moderne poëzie als baken tegen de moderniteit’)
‘“De sociologische analyse,” aldus Bourdieu, “is er allerminst op uit om door de reconstructie van de sociale determinaties waaraan een auteur onderhevig is de schepper van het werk teniet te doen, of het werk te reduceren tot een zuiver product van zijn milieu (...). De sociologie is juist een middel om te beschrijven en te begrijpen hoe een schrijver zich van dat milieu wist los te maken, welke specifieke inspanning hij of zij moest leveren, zowel in verzet tégen als dank zij die determinaties, om zichzelf als scheppend kunstenaar te constitueren, dat wil zeggen als het subject van de eigen creaties. Met de sociologie kan het (...) verschil worden verklaard tussen werken die louter het produkt van het milieu en de markt zijn en werken die hun eigen markt moeten produceren en in die hoedanigheid zelfs kunnen bijdragen aan de transformatie van hun milieu, dank zij de ontvoogdingsarbeid waarvan ze het produkt zijn en die ten dele via het objectiveren van dat milieu mogelijk werd.”’
(‘Mandarijnen met maizena’, Poëziekrant, jrg. 30, nr. 6, november-december 2006, p. 20-23)
Ten slotte: hoe zullen de letteren bloeien zonder poen?
‘Het lijkt volstrekt redelijk wanneer het belang van Rottend Staal/de Contrabas ten opzichte van andere literaire media ook financieel in een equivalente verhouding zou worden uitgedrukt. Maar of daarom nu de weg naar de beschikbare fondsen moet worden bewandeld is de vraag. Strategisch en politiek gezien lijkt de weg die Ton van ‘t Hof met zijn POD-initiatief (Printing on Demand) volgt, veel aantrekkelijker. Daarmee worden immers twee vliegen in één klap geslagen: de site en zijn beheerders kunnen erdoor worden ondersteund, en in plaats van het risico van inkapseling door literaire machthebbers, zet je die verder buiten spel. Op den duur mag dan blijken wie er eigenlijk wordt gemarginaliseerd.’
(Reactie op ‘Rottend Staal heeft een mecenas nodig’ )
Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.
Nummer nabestellen? klik hier.
De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.
Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in: