Vlaams Fonds

Home > 101 >Chrétien Breukers

Chrétien Breukers

Jut en Jul op het www

 1.
Het web en poëzie zijn voor elkaar geschapen, ongeveer zoals Jut voor Jul. Sinds internet een massamedium is en het wereldwijde web heet, zo ongeveer sinds midden jaren negentig van de vorige eeuw, springen de verzen - van klassiek tot afkomstig van goedwillende amateurs - je tegemoet. Een berg leesvoer die fascineert en afstoot tegelijkertijd. Het is te veel. Te onoverzichtelijk. Het doet verlangen naar de tijd van het boekje in het hoekje.
Maar het ís er allemaal wel. Moest je in een niet eens zo heel ver verleden voor elke snipper informatie naar de bibliotheek fietsen, daar een kaartenbak doorwerken, een verzoek indienen bij een MILVA (een vrouwelijke landmachtsoldaat) met een identiteitscrisis en boekenverlatingsangst en dan wachten... wachten; nu is een muisklik genoeg om iets op te zoeken in het werk van J.W. von Goethe of Paul Celan of in alle drie de delen van het Nieuw biographisch, anthologisch en critisch woordenboek van Nederlandsche dichters.
Het koddige is dat diezelfde muisklik ook werk van Wil Melker en allerlei andere amateurdichters beschikbaar maakt. Dat schept een (schijn)democratie, waarin alles wat wordt gepubliceerd ongeveer dezelfde waarde heeft, of lijkt te hebben.
Die (schijn)democratie is veel serieuze letterknechten een doorn in het oog. Geert Buelens bekloeg zich in de Nieuwsbrief van het Vlaams Fonds voor de Letteren vorig jaar al over het gebrek aan een serieuze redactie bij de meeste websites en weblogs. Het web is inderdaad eerder een grote verzamelplaats dan een kritisch-historische uitgave, en het is dan ook de vraag hoe daar (in de toekomst) mee om te gaan.
De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is inmiddels begonnen met het bewaren van sommige websites en weblogs: over een jaar of tien biedt dat genoeg materiaal tot kritische reflectie én tot editietechnische arbeid. Ik benijd de studenten die dit gaan doen niet. Is het lezen van tien tijdschriftjaargangen al geen feest, het doorspitten van tien jaargangen "poëzie op het web" moet helemaal een sisyfuswerk zijn.


Maar zoals gezegd: poëzie en het web zijn voor elkaar geschapen. Het is bijna alsof het web is gemáákt voor de verspreiding van poëzie. In een wereld waar content kort en catchy dient te zijn, biedt het gemiddelde gedicht de ideale tekstlengte en impact. Het lezen van een hele roman, van een beeldscherm, is bijna niet te doen (daarvoor is de e-reader, een nieuwere uitvinding, veel geschikter). Een gedicht is gemakkelijk te behappen. Hetzelfde geldt voor een nieuwsbericht: dat kan op scherm gemakkelijk worden gescand en gelezen.

Deze geschiktheid heeft geleid tot een wildgroei aan poëziesites. Het grootste gedeelte hiervan is voor de gemiddelde poëzieliefhebber oninteressant en bevat alleen maar losse flodders en zelfgeknutselde versjes. Toets voor de grap maar eens "gedichten" in op Google, en zie wat er allemaal langskomt. Maar ook de meer "serieuze" sites als Dichttalent en Lettertempel geven je, als je ze bekijkt, vooral het idee dat je in een gesloten inrichting bent beland. Helaas is die gesloten inrichting voorzien van glazen wanden, zodat we alles wat er geschreven wordt goed kunnen zien. Ik heb een aantal steekproeven genomen en dat leverde onder meer deze twee strofen op:

De slaap schept staande
de dag en gang van zaken
een nieuwe lange leegte
in de volheid van overgave
aan een nieuwe open orde
van de kringen

En:

Ik denk dat we binnenkort op mareis gaan,
het is zo onrustig om ons heen.
Voel jij dat schudden niet?
Heen en weer van rechts naar voren,
joepie hoepla..
salto achterover..


Hierop gaven andere "dichters" en geïnteresseerde lezers redelijk verbazingwekkende reacties. Op het gedicht waar de eerste strofe uit komt bijvoorbeeld: "Liefdevol geschreven, kan niet anders, de geur van regen. als tranen bijna." En het gedicht waar ik strofe twee uit plukte: "ha, je bent er nog, hadden we dit toch bijna moeten missen, denk ik dan, wat maak jij een groei door zeg, denk dat ik zo 't hazepad moet kiezen, omdat jij als je zo doorgaat hier iedereen wegblaast (...)"

Want als er een nadeel kleeft aan werken op het web - en er kleeft een nadeel aan - dan is het wel dit: alles wat je publiceert, wordt niet alleen snel en door redelijk veel mensen gelezen, het wordt ook onmiddellijk, en niet altijd even fijnzinnig, van commentaar voorzien. Wie webmaster is van een literaire site met reactiemogelijkheid heeft er meestal een zorg bij. Ton van 't Hof, mede-hoofdredacteur van De Contrabas, schreef hierover:


Vanuit het oogpunt van redacteur van de Contrabas vind ik eveneens dat ik de reactieknop, ondanks alle negatieve bijverschijnselen, altijd intact zou moeten laten. Ik ben ervan overtuigd dat de reactieknop auteurs kan aanzetten tot (nog) zorgvuldiger denken en schrijven, dat onderbouwde reacties lulkoek kunnen ontmaskeren en dat ik met de reactieknop bovendien voorzie in een behoefte van (een deel van) onze lezers om te reageren. Tot slot is de reactieknop, dat geef ik zeker toe, ook belangrijk voor de commerciële kant van de Contrabas: hij trekt lezers. De huidige jonge generatie laat niet-interactieve platforms steeds vaker links liggen. Maar dit laatste is voor mij niet de hoofdreden om een voorstander te zijn van een actieve reactieknop.’


Heeft Buelens dan toch gelijk met zijn verzuchting over de afwezigheid van een goede redactie? Je zou het bijna gaan denken. Zeker als je sites van dichters als Pom Wolff of Martijn Benders bezoekt. In tekortschietend Nederlands en in een stijl die nog het meest weg heeft van het amechtige gehijg van een zwaar zieke proberen deze auteurs zichzelf te positioneren als "wij van www" (Pom Wolff) en de beheerder van "het meest dynamische Literaire cultuurmagazine op het Nederlandse internet [sic]" (Martijn Benders).
Bij Pom Wolff ontaardt dit voornamelijk in nauwelijks leesbare, interpunctieloze tirades, die door een vaste claque van bezoekers (de poëtische variant op de Jostiband) van fijnzinnig commentaar wordt voorzien. Vooral als hij schrijft over vrouwelijke dichters krijgt Wolffs toon iets apodictisch.

Hij verschuilt zich achter deze "disclaimer", die ik overneem zoals hij op de site voorkomt: "pomgedichten heet u welkom in de wondere wereld der poëten. uw bijdragen en uw reacties plaatst u in deze roman - in dit gedicht op eigen verantwoording. deze site is een roman bevolkt door literaire personages - zij kennen enige raakvlakken met de werkelijkheid maar stemmen niet per definitie overeen met levende personen. op zijn kouwenaars: 'Er ligt niet een schaduwgedicht onder een gedicht. De werkelijkheid van een tekst valt niet samen met de gewone werkelijkheid.' (Gerrit Kouwenaar)."

Hier duikt een ander probleem op van werken via internet: er wordt niet alleen onmiddellijk gereageerd, maar er worden ook allerlei merkwaardige verhalen gepubliceerd die lang aan de naam van een aangesprokene kunnen blijven hangen. Wolff verschuilt zich achter zijn "literaire" wereldbeeld, maar roept tegelijkertijd op om het hoofd van een bij naam genoemde dichteres af te hakken en doet net alsof hij de zus van weer een andere dichteres heeft versierd.

Het boeiende spel tussen "schijn en wezen" wordt hier, net als op GeenStijl of andere shocklogs, gebruikt om de eigen rancune uit te spelen. Wat rest, is een merkwaardig geheel, waar zich vooral een heleboel onder allerlei bonte pseudoniemen schuilgaande kwajongens en kwameisjes ophouden.

Martijn Benders, als dichter zeker niet oninteressant, zij het wat onrijp en nauwelijks in staat om slechte gedichten van minder slechte gedichten te scheiden, wat onevenwichtige bundels oplevert, krijgt als hij een toetsenbord van dichtbij ziet eveneens last van een digitale vorm van het Gilles de la Tourettesyndroom. Dat is naast ongebreidelde reageerzucht en lasterpraat uitslaan nog zo'n merkwaardig fenomeen waar een internetsite of een weblog onder kan lijden.

Bewijzen of argumenten voor zijn "meningen" schuwt Benders uiteraard, als waren het pestbacillen. Die zouden de vaart uit het verhaal halen en zouden de aandacht van zijn eigenlijk doel - heel hard boe roepen, gewoon, omdat het kan - afleiden.


Benders en Wolff zijn de extremen, in een landschap dat zich verder vooral redelijk gezapig voor ons uitstrekt: van Sven Ariaans en Coen Peppelenbos via Maarten Inghels en Het Venijnig Gebroed tot Diana Ozon en Samuel Vriezen staan alle kerken in het midden, of niet ver ervandaan. Positieve uitzonderingen zijn misschien de weblogs van Erik Jan Harmens (voor VPRO's Radio 6) en dat van Bart FM Droog op Volkskrantblog: niet toevallig schrijven beiden ook berichten die het eigen ego ontstijgen. En dan vergeet ik natuurlijk Paul Rigolle (veel aandacht voor intieme dagboeknotities), Dirk Vekemans (de man van de zes miljoen weblogs) en Didi De Paris, iemand die punk en weblogtechnologie in symbiose laat samenleven.


Misschien zijn nieuwsblogs interessanter. Dáár gebeurt het, tenslotte. Daar flitsen de nieuwe berichten - nieuws, gedichten en opinie - meteen na bekendwording tevoorschijn. Of niet? Het weblog In Letterland van Olaf Risee en Xavier Roelens, om een bijna-bekend voorbeeld te noemen, is niet slecht, maar loopt soms (vanwege te kleine redactiebezetting? vanwege te weinig bevlogenheid bij de redactie?) achter de feiten aan.

Beter (en minder pretentieus, meer werkend vanuit enthousiasme) is Parlando van Tine Moniek. Behalve Vlaams poëzienieuws herbergt het blog twee heel interessante rubrieken: Parlan.doc (waarin Vlaamse dichters een maand gastbijdragen verzorgen) en Parlandoscoop (met video's van voordrachten).
Vaste waarden zijn inmiddels Woest en Ledig (van de journalist Joep van Ruiten) en De Papieren Man (van Dirk Leyman en een aantal gastschrijvers). Zij bewijzen dat een zekere stilistische vaardigheid nooit weg is en dat journalistiek, ook als die op het web wordt bedreven, aan journalistieke wetten moet voldoen. Het is dan ook niet voor niets dat de laatste drie weblogs meer worden gebruikt als bron van informatie dan de andere die ik noemde: ze zijn beter gemaakt, en ze zijn - een zwaar, maar hier even noodzakelijk woord - betrouwbaarder. (Daarom zijn de sites van Knack en De Morgen ook beter, in de zin van minder amateuristisch, als een in wezen sympathiek project als In Letterland.)


Terug naar Jut en Jul. In het voorgaande stuk heb ik geconstateerd dat poëzie en het web heel goed bij elkaar passen; helaas was het beeld dat ik van het blog- en websitelandschap schetste minder positief. Daarin kwam ik natuurlijk enigszins kort door de bocht. Het wemelt op het web namelijk van de wél interessante websites en weblogs - ik noemde er al een aantal - die én veel poëzie bieden én regelmatig worden ververst. Bovendien hebben deze sites en blogs de grote problemen waar elke redactie mee worstelt (reageerzucht, fabuleerdrang en scheldlust) afdoende weten te "doorleven".
Die websites (zoals Gutenberg, Lyrikline, DBNL en de website van de Poets Society, maar ook, als ik even mag, De Contrabas en de weblog van Ron Silliman - om er maar een paar te noemen) zullen de komende jaren nog belangrijker worden dan ze nu al zijn. Daarmee lijkt Buelens toch gelijk te krijgen, want alle genoemde sites en blogs zijn producten van een in elk geval zo secuur mogelijk werkend redactieteam: redactie is en blijft een belangrijk onderdeel van een publicatie, óók van een publicatie op het web. Want alleen de websites en blogs die goed geschreven zijn overleven.


2.

Ik schreef dat het web en poëzie voor elkaar zijn geschapen. En dat is waar, maar volgens mij is deze gelukkige verbintenis vooral in een stroomversnelling gekomen sinds het ontstaan van de eerste weblogs. Weblogtechnologie stelde voor het eerst een grote groep mensen in staat om allerlei informatie snel te verspreiden, zonder al te veel kosten te maken en zonder te hoeven beschikken over een (veel bewerkelijkere) website.

Inmiddels zijn er meer literaire weblogs dan "gewone" sites en lijkt het er zelfs al op dat het onderscheid tussen die twee (op een weblog kun je snel berichten plaatsen en reacties achterlaten, op een website niet, of veel minder snel) is vervaagd, mede omdat veel websites weblogtechnologie hebben geïntegreerd. Dat werd en wordt niet door iedereen op gelijke wijze gewaardeerd.

Kees Fens mopperde in De Volkskrant van 24 augustus 2006: ‘Hier [in Nederland] worden wij steeds meer bedreigd, door internet en vooral door het autobiografisch geschrijf van het weblog, dat elektronische openbaar toilet.’ Een voor Fens’ doen vrij forse uithaal, die serieuze aandacht verdient.
Net als de reactie erop van radiomaker en weblogger Wim Noordhoek op zijn Avondlog: ‘Internet is een middel. Hoe je het gebruikt staat vrij. Toch zal niet iedereen veelgebruiker worden. [...] Schrijven blijft schrijven, waar je het ook doet. Straks, als die krant zonder u verder door de koopgoot vaart hoop ik op een weblog van u. En dan meteen maar elke dag. Een eigen krantje. Uw stukje van vandaag bijvoorbeeld, kan zo op een blog.’
Fens stelde dat we worden bedreigd door internet. Maar waar voelde Fens zich dan door bedreigd? Hij geeft zelf één voorbeeld: ‘het autobiografische geschrijf van het weblog, dat elektronische openbaar toilet.’ Toegegeven: de meeste webloggers schrijven niet briljant, maar het is natuurlijk niet verplicht om al die weblogs te lezen. Op de tv zit een uitknop en op internet bepaal je zelf welke sites je bekijkt. Elk openbaar toilet heeft een deur. Wie die dichtdoet, heeft nergens meer last van.
Fens was bang voor oncontroleerbare wildgroei, die zo kenmerkend is voor publicaties op het web. Hij verlangt terug naar de tijd waarin de krant een ‘meneer’ was en werd volgeschreven door gezaghebbende meneren. Maar die meneren zijn bijna allemaal dood of met pensioen. Hoezeer het hem ook tegen zal staan, het web wordt steeds meer de plek om informatie uit te wisselen, om te debatteren en om opiniërende stukken te publiceren.
Hans Groenewegen ging in De Volksverheffing _ Jaarboek voor poëzie 2005 ook in op deze kwestie. Hij schrijft niet alleen over een openbaar toilet, maar veel erger: ‘Die ondergrondse wereld is er wel degelijk. Het is de digitale wereld van het wereldwijde web.’

Waarop Ton van ’t Hof op de Contrabas verzuchtte: ‘Niemand is gebaat bij een terughoudende opstelling als die van Hans Groenewegen, die alleen maar leidt tot verdere verwijdering. Het is hoog tijd dat de bovenwereld afdaalt van haar Tafelberg, zich mengt onder de grotendeels jeugdige bevolking van de digitale onderwereld en het miezerig commentaar inruilt voor een openbaring van haar inzichten. Dat is niet alleen noodzakelijk, dat is vanuit maatschappelijkdidactisch oogpunt zelfs haar plicht.’
Dus misschien ziet de immer optimistische Wim Noordhoek het in dit geval toch goed: iedereen een krant, _ bij voorkeur gevuld door kritische geesten.



Ondanks alles lijkt het web the place to be voor de hedendaagse dichter en de moderne poëzieliefhebber. Mij lijkt hier vooral de informatieverschaffing van belang. Minder interessant, vind ik, zijn de sites die zich richten op het (beeld)"experiment": omdat de meeste webtechnologieën nog niet echt vergevorderd zijn, blijft het op die sites vaak bij een lieve variant van een videoclip uit 1973. Van www.digidicht.nl tot de veelgeroemde site van Tonnus Oosterhoff (www.tonnusoosterhoff.nl): veel spannends kan ik er niet ontwaren; maar het kan natuurlijk zijn dat ik hier een blinde vlek voor heb.



Als ikzelf surf, doe ik dat om gedichten te lezen en om poëzienieuws te verzamelen. Soms trek je dan wel eens een deur open die uitzicht biedt op een minder fraai vergezicht (een openbaar toilet, zogezegd), maar meestal vind ik wel iets interessants en niet zelden zit ik uren te lezen, waar ik van plan was om maar even iets na te zoeken. Het web is de bibliotheek van Borges, de Koninklijke Bibliotheken van Brussel en Den Haag en alle andere grote bibliotheken in één: de echte en de fictieve wereld gaan in elkaar over, of beter: gaan, in wederzijdse beïnvloeding, in elkaar op.


3.

In Deus ex Machina van juli 2008 publiceerde Harold Polis een boeiend en prijswinnend artikel: Het literatuurloze universum. Daarin zegt hij onder meer:

‘Er is een gelijkenis tussen arbeid en lezen. Met de definitieve introductie van e-readers zal blijken of een toenemend aantal digitale lezers betekent dat er analoge lezers verdwijnen – daar hebben we vandaag geen duidelijk zicht op. Het afgrijselijke scenario is dat de lump of readers-theorie zou kloppen. Zelfs als er slechts een klein deel van de analoge boekenverkoop zouden worden opgeslorpt door een digitale variant, dan zou dit bij vele boekproducties de marges onder druk zetten en het uitgeefprogramma ontwrichten. Maar het risico om hele generaties digitale inboorlingen te laten opgroeien zonder hen in contact te brengen met literaire teksten, op welke drager dan ook, is voor de toekomst van de literatuur een nog veel groter rampscenario. Wie de dimensies van de digitale revolutie kan vatten, weet dat we eigenlijk aan een race tegen de klok zijn begonnen om te voorkomen dat de literatuur een volstrekt marginale keuzemogelijkheid in de entertainmentsupermarkt wordt.’
Volgens mij stelt Polis hier drie dingen: 1) de manier waarop teksten worden aangeboden, verschuift; 2) dit zet uitgeefprogramma's onder druk, wat tot verschraling kan leiden en 3) literatuur wordt meer en meer een marginaal artikel in de entertainmentsupermarkt.
De beschikbaarheid van (literaire) teksten op internet is inmiddels oneindig. Daarnaast brengt de succesvolle introductie van de Kindle (een e-reader) in de Verenigde Staten een toekomst waarin iedereen zijn eigen bibliotheek overal mee naar toe kan nemen dichterbij. Vanuit de boekhandel klinken al sombere geluiden; Fabian Paagman denkt zelfs dat boeken gratis gaan worden. Op de website van BoekBlad meldt hij op 9 september 2008: "(...) er [zijn] drie redenen waarom het boek binnen luttele tijd gratis wordt: de toename van de gratis aangeboden media als kranten, de digitalisering van het boek en de verwachting van de consument.
Volgens mij spint de consument alleen maar garen bij deze ontwikkelingen. Niet omdat boeken misschien gratis worden, maar omdat een verdergaande digitalisering de beschikbaarheid, ook van literaire teksten, verruimt én omdat die teksten ook blijvend beschikbaar zijn, en niet alleen gedurende de levenscyclus van een nieuw boek. In wezen is de digitalisering van literaire teksten, die vaak ontbreken in de schappen van de 'entertainmentsupermarkt' en in kleine buurtwinkels worden aangeboden, een manier om die supermarkt links te laten liggen.
In een e-mail reageert Polis hierop:


"Culture is the one thing we cannot deliberately aim at," schreef TS Eliot in Notes towards a definition of culture (1948). Nobelprijswinnaar Eliot beleefde de top van zijn internationale roem toen dit essay verscheen. De puinhopen van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aan het smeulen en die neoklassieke Anglicaanse dichter pleit ervoor om cultuur zich op een organische manier te laten ontwikkelen. Eruditie en opleiding volstaan niet. Cultuur is meer dan de optelsom van individuen. Vandaag beleven we het andere uiterste, met name de volstrekte individualisering van cultuur; het is niet meer iets dat organisch groeit of je overkomt, maar iets dat je bewust kiest, samenstelt, koopt of download. Literatuur vormt slechts een onderdeel van dat immense culturele conglomeraat en is net als andere culturele producten onderhevig aan deregulering op alle vlakken: prijs, selectie, aanbod, oordeelsvorming. Het klassieke bedrijfsmodel van de literatuur (schrijver, uitgever, verkoper, lezer) begint daardoor te schuiven. Die toegenomen onduidelijkheid maakt iederen zenuwachtig. Uiteraard hangt alles af van het standpunt dat je hierbij inneemt.

Voor de literatuur als bedrijf breken spannende tijden aan. Het is immers niet altijd meer duidelijk welke prijs we op literatuur kleven, if at all. Zo lijkt de voorspelling van Fabian Paagman plots een mogelijkheid. Al wie rechtstreeks of onrechtstreeks zijn centen verdient met boeken hoort de noodklokken luiden. Want als er geen prijs meer kan worden vastgesteld, zijn er geen inkomsten meer.

Ook voor de schrijver ligt alles open. Nog veel meer dan vroeger moet die zijn publiek vinden te midden van mensen die zoveel andere dingen kunnen doen met hun tijd. Digitale media bieden ook de valse belofte dat de doe-het-zelf-methode aan belang wint. Niets is minder waar. Om je boek op de publieksmarkt te krijgen is er gemiddeld steeds meer marketing nodig. Het is onmogelijk geworden om dat even snel zelf te doen. De digitalisering heeft dat proces versneld.

De geïnteresseerde lezer leeft in de zevende hemel. Omdat er waanzinnig veel aanwezig is, overal en te allen tijde bestelbaar en downloadbaar in vijftig talen en honderd uitvoeringen. Op voorwaarde dat je niet ten onder gaat aan informatiestress.

Zelf zie ik geen reden waarom literatuur of boeken zouden verdwijnen. Het zou zelfs kunnen dat cultuurpessimisten minder recht op spreken hebben dan vroeger. Maar de totale sector moet zich wel stelselmatig heruitvinden en de digitale ontwikkelingen vol overgave en naar goed vermogen omarmen. Al wie dit om de een of andere reden niet doet, veroordeelt zichzelf op termijn tot een marginale positie.

Persoonlijk leg ik de nadruk op een levende literatuur, dat is voor mij een literatuur waarin ook de mogelijkheid bestaat om veel te vergeten, andere wegen in te slaan, nieuwe ijkpunten te kiezen.


Volgens mij ligt de crux van Polis' betoog in de cursieve alinea. Ik zou die graag met mijn eigen visie op deze change willen confronteren.

De digitale ontwikkelingen - op het web, zich vertalend in steeds groter marktaandeel van internetboekhandels en e-readers en dergelijke - kunnen leiden tot een "informatiestress" - maar dat hoeft natuurlijk niet.

In mijn visie kunnen ze - mits toegepast buiten de klassieke opeenvolging ", uitgever, verkoper, lezer" - een verdere verspreiding van poëzie en secundaire literatuur dit vakgebied betreffend ondersteunen. Voorwaarden zijn hier - alweer - een strenge of in elk geval precies werkende redactie en een geldstroom die niet per se uit de exploitatie van de digitaal gepubliceerde teksten hoeft te komen.

Een boek - dichtbundel, essay of beschouwend werk - is dan veeleer het eindproduct een publicatieketen die op het web begint. Dat boek zal, zoals het er nu uitziet, niet snel verdwijnen. Wel zullen sommige bestsellers meer en meer verspreid worden in e-format of via downloadables. Boeken worden (goed nieuws voor bibliofielen) in de toekomst, verwacht ik, mooi gemaakte fetisjen, die alleen nog op de markt komen als de auteur zich elders heeft bewezen.

Het boek wordt het eindpunt, een papieren weerslag van een klein gedeelte dat in de grote bibliotheek die het web is ligt opgeslagen. Als schrijvers dat slim uitspelen, ligt er een kans om het belang van de tekst opnieuw te laten prevaleren boven het belang van het boek als handelsobject. Het zou een omkering zijn zonder weerga - terug naar het uitgangspunt; want in den beginne was het woord, maar niemand heeft ooit gezegd dat dat woord alleen in gedrukte vorm mocht worden verspreid.

Cultuurpessimisten kunnen niet anders dan opveren bij het horen van mijn boodschap; over niet al te lange tijd kan er, in het beste geval, als redacties, schrijvers en "de branche" het slim spelen , weer gelezen worden (om "andere wegen in te slaan, nieuwe ijkpunten te kiezen"). Desnoods in een hoekje: Jut en Jul voorgoed verenigd.


© Chrétien Breukers


inhoudsopgave nr. 101


abonneren

Een abonnement op de papieren versie van De Brakke hond kost slechts 32 euro. Klik hier voor een abonnement.

Nummer nabestellen? klik hier.

boekenlinks

Proxis
boekenbank
DBNL

Over De Brakke Hond

De Brakke Hond is geen tijdschrift voor hondenliefhebbers die zich interesseren voor hondenvoeding, hondenverzorging, puppies en hondenvakanties, het bevat 100% literatuur.


nieuwsbrief

Schrijf u in op onze nieuwsbrief "Letters". Vul hier uw e-mailadres in:


AanmeldenAfmelden


Powered by YourMailinglistProvider.com